ZESDE HOOFDSTUK.

De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en

wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers [283] geholpen,

hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare

der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal

binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den

donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!"

Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten

betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van

den koning ging, door Cresus geleid, voor haren zoon uit, en zette

zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden

zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van

den koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast

hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Phaedime,

en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu

volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste

magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke

zich de Jood Beltsazar bevond, en eene menigte Perzen, Meden en

eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning

zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hystaspes, Gobryas, Araspes en

andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang. De

bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor

een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang

de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men

onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen

niet naar de mannen ophieven.

De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de pracht en

waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving

schoon, in het vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden

ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid

eene vurige liefde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met het fijne

instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams

moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde

heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare

sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik

overtogen had.

»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen," dacht de koning;

»mijne onderdanen mogen niet opmerken, hoe lief ik dit meisje heb."

Nu kuste hij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste

bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor

hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zichzelven en

voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij

op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste

den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging

van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te

doen treden. Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te

voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten

openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging

moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der

vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de

eunuchen overwogen.

Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der

vrouwen (alleen Cassandane bleef zitten) voor het aangezicht van

den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime

en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste

was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk

naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen

eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes

beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo

armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik,

gelijk Boges wel vermoed had.

Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime

kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het

eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achaemenide op. Zijn

voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter

aarde neigende vrouw toe: »Wat beduidt dit bedelpak aan mijn disch

en op mijn feest? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk,

om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware

het heden een gewone dag, en ontzag ik u niet, als de dochter van

een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den

harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken

over hetgeen betamelijk is!"

Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker,

die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hief zij hare

blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op,

dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl

hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?"

»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij

haar licht onthoudt?" luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend

antwoord.

Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: »Begeert gij

dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen;

vorder gij dan ook heden een gouden troost."

»Phaedime wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en

opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, het licht van zijn

oog niet meer op haar laat schijnen?"

»Dan kan ik u niet helpen!" riep Cambyzes, zich met onwil van haar

afwendende.

De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou

bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden

hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen

en gehoorzaamde het bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig

zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen

vrijen loop latende, zoodat alle Achaemeniden ze opmerkten. Otanes en

Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den

hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Achaemenide

zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met

heimelijken wrok tot de bevoorrechte, schoone vreemdelinge op.

Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een

aanvang.--Vóor den koning lag in een gouden korf een reusachtige

granaatappel ter grootte van een kinderhoofd [284], door andere

vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog

van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht,

en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?"

»Uw knecht Oropastes," antwoordde de overste der magiërs, zich diep

buigende. »Sedert vele jaren leg ik mij op het hovenieren toe, en heb

mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn

rusteloos pogen, aan uwe voeten neder te leggen."

»Ik dank u!" was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel

zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten

strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig

verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene

vrucht! Wie zag ooit de weerga er van? Nog eens, ik dank u, Oropastes,

en wijl de dank van den koning niet alleen in woorden mag bestaan,

benoem ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht

uitbarsten, tot stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden,

wij zullen niet lang meer in vadsige rust onzen tijd verbeuzelen. De

Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!"

Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeniden. »Heil

den koning!" klonk het opnieuw. De wrok over de vernedering hunner

bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen

van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger

verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzittenden

met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen

dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan,

en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opgewekten

strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing

van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan

zijne zijde zat, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen

van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar

ongewonen last van den hoogen tulband. Zóo gelukkig als op dezen dag,

had Cambyzes zich nog nooit gevoeld.

En wat ontbrak hem ook? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij,

wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart

kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen

in zachtmoedige welwillendheid, zijne strenge hardheid in minzame

toegevendheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde

zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet

gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert,

terwijl gij zeker kunt zijn dat het u zal worden toegestaan? Welaan,

ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben

heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij

wilt mij in het oor fluisteren wat gij begeert? Kom dan nader bij

mij! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat de gelukkigste jongeling

in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dat hij als een meisje bloost,

zoodra men doelt op wat hij wenscht."

Bartja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich

glimlachend naar het oor van zijn broeder over, en verhaalde hem

fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De

vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea [285] tegen de legers van

Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer

behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde,

overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen

krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door

handelsondernemingen groote schatten had verworven [286]. Hij schetste

zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner

bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen,

toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep:

»Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik

ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer

moeder te verwerven."

Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der

dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken

broeder. Cambyzes richtte hem echter met minzaamheid op en riep,

zich in het bijzonder tot Nitetis en Cassandane wendende: »Let wel

op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe

loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn

ongehuwden staat, die den goden niet welgevallig was [287] een einde

te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naar uw

vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des

Nijls naar ons bergachtig land over te brengen."

»Wat schort u, zuster?" riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had

uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neêrgezegen. Zij

trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te

bevochtigen.

»Wat scheelt u?" vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den

koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam.

»Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!" stamelde Nitetis.

Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggende ijlings ter

hulp gesneld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar

zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf den beker aan

en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: »Bartja zal

naar uw land trekken, mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere

Rhodopis, de dochter van een edelen krijgsheld, uit het heldhaftige

Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade."

»Wat was dat?" riep de blinde moeder van den koning.

»Wat schort u toch?" vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna

verwijtenden toon.

»Nitetis!" riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe.

Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien

Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en

kletterend op den grond gevallen.

De blikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan het

gelaat van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen

en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen.

Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving

af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom

wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen

naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het

drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op

uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel,

Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden,

morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den

grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees

ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische,

ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen [288],--ja,

ja, dat weet zelfs ieder kind,--alle vergiften komen uit Egypte!"

Nitetis verliet de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en

gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen,

leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken,

en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch

lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in 't geheel niet meer

van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke

gemeenzaamheid getuigden: »Droom van den schoonen Bartja en zijn

Egyptisch liefje, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den

mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo hebt aangetrokken?--Bedenk u

goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges

houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de

trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een

spoedigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte

aarde van Babylon. De goede Boges wenscht u een ongestoorde rust. Houd

u goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen

pijnappel."

»Onbeschaamde!" riep de koningsdochter in hare verontwaardiging.

»Ik dank u," antwoordde het lachende monster.

»Ik zal mij over uw gedrag beklagen!" dreigde Nitetis.

»Wat zijt gij beminnelijk!" antwoordde Boges.

»Verwijder u uit mijne oogen!" riep de Egyptische.

»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken," fluisterde de eunuch, als

had hij haar een liefdesgeheim te openbaren.

Vol walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts

eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit,

en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze

echter riep haar nog na: »Gedenk mijner, schoone koningin, gedenk

mijner! Alles, wat u in de eerst volgende dagen overkomen zal, is

een geschenk van den armen, verachten Boges!"

Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en

gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen

zorgvuldig te bewaken. »Wie van u een mensch, buiten mijn persoon,

deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij,

niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa

of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Cresus of

Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald

af! Verstaan?--En ik herhaal, dat gij allen, zonder onderscheid,

den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of

geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand

mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge

toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters

bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij

Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen

zal!"

De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want

zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig

dreigde; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar

de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand

uit te strooien.

Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch

naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken,

doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en

zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen.

De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was

reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde

schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om

het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den

machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal

uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik

eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote

vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke

knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker

eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug,

onder het gejubel zijner buren.

Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode,

onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in

zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op

zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet

aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber

gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich de overtuiging in hem,

dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had,

terwijl haar hart Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel

had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de trouweloosheid dezer

behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat

zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor

hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van

haar bewustzijn te berooven.

Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet,

uitgeroepen: »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn

op de liefde harer zwagers; de Perzische zijn minder vrijgevig met

hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!"

De trotsche man had den schijn aangenomen, als had hij die woorden

niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen,

om het gemompel en de blikken zijner gasten, die onverholen te kennen

gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken.

Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde

den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop

durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den

geringsten argwaan jegens zijn broeder opgevat, zoo zou hij hem

gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze

zijne teleurstelling en smart. Maar hij was er toch de oorzaak van,

en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was

ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is dan de

eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger.

Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen,

hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haar dood bevredigde zijne

wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haar, met

smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden? O, neen! zij had

haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen

ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend,--want hij

was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen,--de trouwelooze

in een eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner

bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de

huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning,

een misdadig spel te spelen, tuchtigen en doen boeten.

Vervolgens zeide hij tot zichzelven: »Bartja moet van hier, want vuur

en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik,

beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten

deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen,

dat ik het ben."

Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige

grootheid door zijn verhit brein. Uit zijne droomerijen tot de

werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid

zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene

regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op

met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn,

naar de gewoonte der Perzen [289], krijgsraad houden, en overleggen,

welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes,

u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!"

De grijze vader van Darius antwoordde: »Het komt mij voor, dat de

gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte

steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger

nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust

hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren,

ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden te maken,

is de gemakkelijkste zaak die ik ken!"

De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de

stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide:

»Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte

Pers, denkt gij slechts op 't veld en in den strijd gelukkig te

kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid,

strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien

het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef

het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen

het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den

hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we

vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den

wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!--Laat ons geen

onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen,

die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons

onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak

het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven."

Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd

echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk,

laten wij een vijand zoeken!"

De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep

lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten

wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat

gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig

en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader

Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden

gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of

zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen,

Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons

niet liefheeft is onze vijand!"

»Niets van dat alles!" riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot

iederen prijs!"

»Ik stem voor Cresus!" riep Gobryas.

»Ik ook! riep de edele Artabazos.

»Wij zijn voor Hystaspes!" schreeuwden de held Araspes, de grijze

Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus.

»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog

tot elken prijs!" brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus,

met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen

elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.

»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve

gewroken is," zeide de opperpriester Oropastes.

»Strijd! Strijd!" schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.

Koel en rustig sloeg Cambyzes eenige oogenblikken de teugellooze

geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op,

en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!"

Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene

gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn

vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet

gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder

Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene

roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats

den Massageten zoudt antwoorden.--Acht gij de ziel van mijn vader,

van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam

gewroken?"

Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige

uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De

tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten

die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar

bezochte volk den vrede schenken?"--werd door alle aan wezenden met

een levendig »Ja!" beantwoord.

»Dat is het, wat ik weten wilde" vervolgde Cambyzes. »Morgen, als

wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in

onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik

verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen

vogel Parôdar [290] aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan."

Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil

zij den Koning!" deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn

gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van

den boomkweeker op de hangende tuinen.

»Wat zoekt gij hier?" vroeg hij hem.

»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen."

»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?"

De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon

half verbrand was.

»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?" vroeg Boges, die vermoedde

dat hier iets achter stak.

»Ja, eene andere heeft mij gezonden."

»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in 't geheim iets weten!"

»Wie heeft u dit verraden?"

»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja

aanstonds ter hand stellen."

»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven."

»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij."

»Ik mag niet."

»Gehoorzaam mij, of..."

Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle;

daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden

zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.

»Wat gebeurt hier?" vroeg Cambyzes.

»Deze vermetele knaap," antwoordde de eunuch, »is het paleis

binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis

over te brengen."

Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het

voorhoofd den grond aanrakende.

Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop

wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de

Egyptische van mijn broeder?"

»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag

overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft."

Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans

aan dezen een klein papyrus-rolletje over.

Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de

Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.

Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap,

terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde:

»Wie heeft u dit gegeven?"

»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter

van den magiër."

»Voor mijn broeder Bartja?"

»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins

moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen,

en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje

verklaren zou."

De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap

zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon

uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar

hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde

mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht."

»Dat hebt gij niet gedaan!" bulderde de, gelijk hij meende,

schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten,

grijpt den knaap!"

De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om

genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de

zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlings naar zijne

vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis

niet meer.

Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde,

en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.

Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning

hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk

moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten,

zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over

de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand

of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt

gij uw leven verbeurd!"

»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?"

»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om

Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan

zal beschouwen."

»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?"

»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen."

»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen

aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen...."

»Neen!--Verlaat mij!"

»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal

toe het bewustzijn verloren.--Indien op zulk een oogenblik eens

iemand...."

»Wie zou u dan kunnen vervangen?"

»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud,

en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne

gezondheid te herstellen. Wees genadig!"

»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag

morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat

de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.--Verlaat mij thans!"

»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende

tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan. Hystaspes,

Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars

der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor

enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg

dragen, dat zij de Egyptische niet naderen."

»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen

openhouden.--Ga!"

Boges groette eerbiedig, en verliet 's konings vertrek. Den slaven,

die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij

was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting,

want het lot van Nitetis scheen hem zoo goed als beslist, en het

leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg,

hield hij in zijne handen.

Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en

neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen,

Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar

dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te

plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden

voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene

provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van

broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij

in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden,

zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.

Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn

snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met

schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit,

om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend

honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen

uitgestrekt was [291].

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 20 / 38 题