Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen
dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve
gebeurtenissen.
Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die
toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te
druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar
innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan
de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl
zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets
anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van
haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst
die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde,
verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte
bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen
verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen
storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis.
Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane,
de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen
aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt," dacht het meisje; »een
kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar
vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en
schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen,
gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft."
Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het
vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de
hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische
vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te
plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband,
in welks edelgesteente zich de stralen der middagzon spiegelden. Zij
bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door
een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De
gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde
zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees
gegroet, schoone Mandane!"
De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen
zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm
meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn
gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te
hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen
daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid,
als een zwaan in de woestijn."
Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling
op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde,
terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard
voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest
te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt
uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje
voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult
kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!"
»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is;
en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken," antwoordde
zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!"
»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de
mannen, evenals de worm de visschen."
»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort."
»Waarachtig, ik geloof het gaarne!" hernam de eunuch al
grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard
tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze
aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?"
»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien
vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons
aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze
allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon
ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de
Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken
aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin
Cassandane, en niet aan u!"
»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer
zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?"
»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar....."
»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid
niet verdient."
»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt."
»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër,
en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg,
en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader
van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet
opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de
broeder van Oropastes, Gaumata [274]--nu, nu, gij behoeft niet zoo
rood te worden, Gaumata is een mooie naam,--op uwe fijne koontjes
verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde
hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook
schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest
mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten."
»Verschoon mij van uwe spotternijen!" riep het meisje, sterk blozende
en stampvoetende.
»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij
elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes,
die zijn jongeren broeder naar Rhagae [275] zond, en u een plaatsje
aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten."
»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou..."
»Mijne tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid
spreek! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij grootere
dingen met den schoonen Gaumata voorhad, dan een huwelijk met de
arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden
hem als schoonzusters beter aanstaan. Een arm meisje als gij, dat
alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige
ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij
zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met
de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard
zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden
verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aan nieuwe
vrouwen; maar zijn broeder is jong en schoon. Velen zeggen zelfs,
dat hij op prins Bartja gelijkt."
»Dat is zoo," riep de kamerjuffer. »Toen ik met u mijne tegenwoordige
meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op
het plein van het wachthuis voor het eerst in het gezicht kreeg. Zij
gelijken op elkaâr als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in
het gansche rijk!"
»Wat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de
gelijkenis niet. Toen ik hedenmorgen den broeder van den opperpriester
groette...."
»Is Gaumata dan hier?" viel de kamerjuffer den eunuch met
hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad gezien? Of
wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?"
»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust,
en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. Ja, ik wil
het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om
aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen,
zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft
niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik
zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet
meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft,
dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone, snibbige
landgenoote Mandane."
»Ik vertrouw u niet," hervatte het meisje. »Men heeft mij gewaarschuwd
voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe
belangstelling zou hebben verdiend."
»Kent gij dit?" vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende,
kunstig met gouden vlammetjes bestikt.
»Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!" riep
Mandane.
»Ik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet
zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn
bewaker bemint!"
»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want
zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt
avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest."
»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit
vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan,
dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oropastes te
fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen. In
spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult
ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata
worden. Morgenavond, na het opgaan der Tistar-ster [276] zal uw liefste
u bezoeken. Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat hij zonder
gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij,
bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal,
dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later
biedt zij de behulpzame hand, om uw huwelijk met Gaumata tot stand
te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen,
wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond," ging hij voort,
weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was,--»morgenavond,
wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw geluk
te schijnen.--Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid
houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn
duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt,
aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te
geven!--Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen,
dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht?--Gij
aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg
om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift
voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid.--Nog eens, Gaumata moet
overmorgen Babylon verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien,
en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae
terug te keeren.--Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den
armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken,
en het is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!"
Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich
zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood
haar, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en
voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde
zij den eunuch toeroepen: »Zeg hem dat ik hem niet kan wachten,"
toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den
schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige
droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos,
rezen plotseling voor haar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en
smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend
voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen
uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een
opgejaagd hert naar huis snelde: »Ik zal hem verwachten!"
Met rassche schreden ging Boges door de bloeiende lanen der hangende
tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende
voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting
van een geheime trap, die de koninklijke bouwmeester waarschijnlijk
had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de
hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de
woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk
op hare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige
schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had,
zelfs voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef
zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen
beladene handen, en mompelde: »Thans moet het gelukken! Het meisje
loopt in het net. Haar beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap
is toegankelijk, Nitetis heeft op dezen feestdag bitter geweend,
de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet
gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen
in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges,
die u niets mag bevelen, heeft opgezet."
Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde het oog van
den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich
nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Neriglissar,
die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde.
»Hoe staat het met de blauwe lelie?" vroeg hij dezen.
»Zij ontwikkelt zich kostelijk!" antwoordde de tuinman, die
in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele
zorgen. »Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u
wel gezegd heb, in vollen bloei staan! Mijne Egyptische meesteres zal
zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u
ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver
is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij
vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle
schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen."
»Uw wensch zal vervuld worden," antwoordde Boges met een vroolijk
gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet
te rekenen, want ik geloof niet dat hij vóor zijn huwelijk met
de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der
Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo
groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame
schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus
hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar
daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is."
»Laat hem gerust komen," riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar
voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen,
die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den
kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop
gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene
hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem..."
De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner
kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te
hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee
wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden
menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf
brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf
des konings omgaf.
In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges
had bevolen, dat al de vrouwen van het hof vóor het groote feestmaal,
zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te
verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf,
zonder een oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis,
waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand
hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende
stemmen. In de uitgestrekte, bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich
meer dan driehonderd vrouwen [277], door eene dichte wolk van vochtigen
waterdamp omgeven.
Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen
dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden
kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren
vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen,
die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien
tot twintig der schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich
vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van
den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des konings als
bedorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel harer
buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend
op; eene andere lag, in vadsige rust, half droomend en bewegingloos
als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen
stonden naast elkaar, en zongen met schelle stemmen een ondeugend
minneliedje in de taal van haar land, terwijl een aantal blondlokkige
Perzische vrouwen vuur en vlam spuwden tegen de arme Nitetis, haar
belasterende op eene wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had
afgeluisterd, zou hebben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische
een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt.
Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen
druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare
meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur
der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed
moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij
herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de
sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan
dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends.
Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander
tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als
door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij
sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen,
die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het
welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren,
terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep
in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van
de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de
vermoeide schoonen uitgespreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, dat
geene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwenheer
verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als
heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was;
want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot
straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten.
Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht,
toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van
tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare
matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze
goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren
kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele
bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen
kleedingstukken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van
paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd,
en rijke gouden gordels om de heupen gegespt [278]. Alles te zamen
vertegenwoordigde wel de waarde van een geheel koninkrijk. Toen Boges
de zaal binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed.
Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal
vrouwen begonnen hand aan hand in een kring te dansen om haren
altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst
laf en vleiend loflied op zijne deugden. Op dezen gewichtigen dag
was het 's konings gewoonte, aan elke zijner vrouwen een billijken
wensch toe te staan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus
eene geheele schaar smeekelingen op Boges los, om hem, onder het
streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest
uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak
te vragen. De vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht,
en stiet de schoonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen,
al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische
Amytis, dat de Phoenicische Esther, en de Phoenicische Esther,
dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys
een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys [279]
een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem ten laatste
onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren,
bracht hij een gouden fluitje aan de lippen, welks schelle toon als
met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken
plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende
lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze
stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als:
»Stil in naam des konings!" niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd
houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het
schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met
groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwillenden
blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van
al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen,
en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdeelen. De
vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door
hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren.
Boges was over het algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich
nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder
te temperen, de haren hooger op te steken, de wenkbrauwen zwarter
te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering
verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte
vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke
vertrekken bewoonde.
De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter der Achaemeniden
verwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en
bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband,
zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier
van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het
blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed
herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al
te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van
het Oosten, na eenige jaren het vadsige haremleven geleid te hebben,
gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met zilveren
kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van
onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven,
tegen haar blanke slapen bevestigd.
Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe, wierp
nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch, en vroeg in
hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden? Zal ik
genade in zijne oogen vinden?"
Als altijd glimlachte Boges, terwijl hij antwoordde: »In mijne oogen
vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt
gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen
gij mij zoo even toeriept: »Zal ik genade in zijne oogen vinden?" toen
waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen
zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok
uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw
van den Demawend."
Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid
gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien,
en riep: »Laat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u,
Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden
nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal
zien op de plaats, die haar niet toekomt."
»Zij kan die niet lang meer behouden."
»Uw plan gelukt dus? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat
gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen...."
»Ik kan en mag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij
dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen,
dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven
is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden
Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk
weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt."
»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid."
»Goed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne bevelen, en alles zal
goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner
om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebben geen oogenblik meer te
verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en behoud alleen
de keten, die de koning u bij de huwelijksplechtigheid schonk. In
plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig
gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Cassandane, de moeder des
konings, nedergeworpen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!"
»Onmogelijk!"
»Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek
u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen
wij van den goeden uitslag zeker zijn. De blankste hals eener Peri
is donker in vergelijking met de uwe!"
»Maar...."
»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt
gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar
licht onthoudt."
»Goed."
»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge."
»Ik zal weenen."
»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen.""
»Welk een vernedering!"
»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de
hoogte verheven te worden. Wisch snel het blanketsel van uwe wangen,
en verf ze bleek, doodelijk bleek."
»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt
vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij
mij slechts éen reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt."
»Kamerjuffer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer
meesteres!"
»Ik zal eene slavin gelijken!"
»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld."
»De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!"
»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen
meten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als
deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had?
»Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen."
»Gij moet!"
»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen."
»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen
moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok
zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoe toornig moet uw grootvader
Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien
neêrbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal hen tot
onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij het
noemen, om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als
ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als
de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij
althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe
belangeloosheid herinneren. De Achaemeniden en zelfs de magiërs zullen
hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te
verheffen. En welke vrouw in Perzië kan zich op eene hoogere geboorte
beroemen dan gij; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte
paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime? Gelijk men niet bang
moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden,
zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt
den hoogsten prijs te winnen."
»Ik zal gehoorzamen!" riep de vorstendochter.
»Dan moeten wij overwinnen!" antwoordde de eunuch. »Zie, nu schitteren
uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne,
mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en
vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem
voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw
slaapvertrek ontsluit.--Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen,
dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga
vooruit om haar heure plaatsen te wijzen."
De groote feestzaal was helder verlicht door duizenden lampen welker
vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed
waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel,
die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers,
borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het
was inderdaad prachtig om aan te zien.
»De koning zal zoo dadelijk verschijnen," zeide de overste der
tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker
des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken
gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken
die Polycrates gezonden heeft geledigd?"
»Alles is gereed!" antwoordde de schenker. »Die wijn van Chios
overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedronken heb,
en stelt zelfs den lievelingsdrank van Nebucadnezar, het druivensap
van Chelbon, in de schaduw [280]. Proef maar!"
Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje,
met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in
de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den
edelen drank met een grooten boog zoo behendig in de nauwe opening
van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte
hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer
veel gratie aan den tafeldekker [281].
Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde het zeer nauwkeurig,
en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele
drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt
aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen
hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de
geheele wereld noemen."
»Ik dank u," antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij
kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk, ik ben
trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden
opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babylon bijna een
last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of
Pasargadae betrekken?"
»Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het
oog op den Massageten-krijg, wilde hij nog niet van verblijfplaats
verwisselen, maar van Babylon uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht
echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is,
vrede met dat volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het
huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken."
»Naar Susa?" vroeg de schenker. »Daar is het weinig frisscher dan hier,
en buitendien wordt de oude Memnonsburcht [282] verbouwd.
»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe
paleis gereed is, en in schoonheid en pracht alles overtreft,
wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden." Nauw had Cambyzes
dit woord vernomen, of hij riep uit: »Dan trekken we drie dagen na
het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter
toonen, dat wij Perzen niet minder bedreven zijn in het bouwen,
dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af,
aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer
op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te
hebben voor deze vrouw."
»Zoodat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar
weldra tot koningin zal verheffen."
»Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en
betere rechten."
»Voorzeker; maar wat de koning wil is goed."
»De wil van den vorst is de wil der godheid."
»Goed gesproken! De echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester
te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind."
»Cambyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat
hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders
ontnamen.--Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want
de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken!--Houd
u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!"