Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar
verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de
gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en
beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur,
onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden
te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen
de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal,
en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te
zien tot de godheid daarboven.
Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer
mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad
haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de
vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der
reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster,
tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote
behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn
feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel
niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa
lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met
de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische
slechts ijdele klanken waren.
Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen,
vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en
aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische
vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht;
zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de
heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen
hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig,
gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in
onze jeugd, als 't gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk,
als vereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen
konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd
was met de schoonste zangen van Hellas' dichters. Zij had zich nog
niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had
aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van
haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden
gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te
hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich
zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen
harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat
de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze
lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al
bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij
haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich
Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon?
Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en
Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar
ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde
zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel,
op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen,
dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch
gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend
lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing,
toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen
blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.
Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist
neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van
het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen
in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u
niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus
misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt,
voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op
zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien
Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest
bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen,
en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke
diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden
dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken--verzoeken,
heeft de bode gezegd, niet bevelen,--u met deze schoone en koninklijke
sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook
woedend zal zijn! Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten,
die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane,
de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en
diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt
hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u
voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en
koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden
te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen
afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar
bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede
meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden,
gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien,
hoe het u staan zal."
Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken
met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te
verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever
had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den
koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes
bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had
uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan
de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene
volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde
hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder
den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed
uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de
eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad
eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was
als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders
op af.--De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën,
toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste
aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.
Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied
aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende,
het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar
vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden
armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond
was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane
verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke
geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en
slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel
staanden elpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van
vreugdetranen: 't scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk
te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische
lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die
Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht
den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met
van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen
kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk,
zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon
zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang
ongelezen op den grond zou laten liggen!"
Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen;
maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek
van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen,
ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik
de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd,
dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op
de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen
en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de
trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.
De brief bevatte het navolgende:
»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan
hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.
»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit
uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De
triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen,
is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest
noemen, genomen en in de haven van Astypalaia [264] opgebracht.
»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt,
wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen
veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten
te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus
zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp
der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De
grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door
Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia [265] te schenken. Alle
vaartuigen, onverschillig tot welke natie zij behooren, worden
verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning
van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te
tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten
omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos
zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den
gelukkigen Kolaeus [266] naar het westen volgden, en de roofschepen,
die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates
tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk
uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen
mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.
»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde
zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van
datgene, waarvan het verlies hem 't meest zou bedroeven, en wel op
zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf
gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij
bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx
van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd,
en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig
gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee
[267]. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het
lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde
gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden,
schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren
wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden
dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten,
dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart
bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te
zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond
ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden,
met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven
aan u over Syrië gezonden worden.
»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker
niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichten uit
het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het
vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.
»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit
die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep?
»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen
uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van
het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten
en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte,
om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.
»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen
om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe
dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam
uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis [268] van
u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het
meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het
beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het
teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer
zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.
»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten
wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden
over ons huis hebben doen komen.
»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden
geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle
offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te
verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare
tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde
zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van
den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo
vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet
uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij,
die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw
vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan;
en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige
spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te
beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om
den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een
bijkans woeste drift het vlas van den haspel. Maar een halfuur later
lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik
opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den
grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het
een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond,
zonder zich met iets of met iemand in te laten.
»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen,
gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn
gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers
een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen
uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste
uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar
leven te Bubastis [269] het geheele volk, dat zich aan de meest
onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare
sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize
opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos,
brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.
»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo
iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken
eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer
geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid
was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een
licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad
of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren
hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor,
dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den
hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in
eene andere wereld zien.--Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig
heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam
doorliep ontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige
krankheden, uit Thebe naar Saïs.
»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde
het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene
zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet
meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken
innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden,
en trachtte de kwaal te bezweren [270]. De sterren en orakels
werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken
aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor
de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in
goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer
beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de
arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.
»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep
ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot's sterren weinig
hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De
priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er
groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag
heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat
de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van
Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst
wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van
vreemde goden op de zwarte aarde [271] gebouwde tempels vernield,
en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.
»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene
heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood
en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden,
en hand noch voet verroeren kan.
»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen,
hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is [272]. In plaats van zijne
oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij
voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te
arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij,
in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde
der dierbare.
»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!--De oogziekte nam van dag
tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het
bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis
blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een
in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood
van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de
ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis,
die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne
vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen,
berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch
is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren
achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te
offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene
woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal
het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te
bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat
van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.
»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost;
want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te
bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht
zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te
brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke
gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de
benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer
lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik
voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood
is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die
door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij
verleenen over de helft van ons leven.
»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep, de
groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve
kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te
verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood
zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer
onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten
wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een
rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om
te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen
om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet
waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren
rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal
zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven,
inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen
waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze
Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten
betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de
priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend,
om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en
aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van
eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd
is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk
lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls
aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek
bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen
Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar
was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen
verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de
jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.
»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij
zachtkens het minneliedje van Sappho:
'Wil niet treuren, lieve moeder!
Wijl mijn taak niet is volbracht.
Want de liefde bindt mijn handen.
Wie weerstaat toch Cypris macht?'
»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: 'Hebt gij
zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?'
'Neen,' antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent
vijftig jaren."
'Vóór vijftig jaren,' herhaalde Tachot peinzende.
'De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,' viel de dichter haar in
de rede; 'gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen
geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.'
»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van
dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje,
als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden
wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden
herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden
hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En
toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe
zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit,
en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak,
en met den blik ten hemel geslagen: 'Ik weet dat ik niet sterven zal,
voordat ik hem zal hebben wedergezien.'
»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig
verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening
was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen,
viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets
aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers
den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen.
'Wat zeidet ge daar?' vroeg ze aan het meisje.
'Ik vertelde van mijne oudste zuster.'
'Mag ik het ook weten?' vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de
kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon:
'Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht
uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster [273] opging, klom hij
eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij
bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.'
»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen
wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: 'Gij weet wel,
lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels
voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft,
dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede
zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd,
dat ik hem zal wederzien!'
»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggen had,
verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond,
en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou
zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.--Daar zendt
zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij
heeft het met veel moeite geschreven.
»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode
wacht er reeds lang op.
»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen
zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder
wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste,
en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in
de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat
Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij,
of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij
belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der
lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis
op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad
met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder
de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische
krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid
mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche
soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane
stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen
zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van
Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was
ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste
soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet
zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet
waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen
hoon niet zwaar aangetrokken naar 't schijnt, althans zich voor groote
sommen laten vinden om in Egypte te blijven.
»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende,
hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan
weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische
krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën,
hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur
onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men 't heeft met den nieuwen
rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid
verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band,
die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde,
te verbreken.
»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdende vriendin
en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u
deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid
voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die
wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand,
en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene
stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden,
dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten.
»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!"