Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen,
en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel
overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in
een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De
blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde
moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der
Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster
Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen,
dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist
te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van
hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint
aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl
de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme
beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene
vroolijkheid.
Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne
nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning
dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der
jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en
zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer
hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle
dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste
gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor
gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene
plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte
gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter,
die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.
Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds
een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen
voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf, te ontdooien. Uren
achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog
niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens,
toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks
zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet
een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze
ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den
druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger,
anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!" Tegelijkertijd nam
hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals,
en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik,
die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat
haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.
Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den
koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den
oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht
ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij
uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in
zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom
zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel
en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij
verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs
de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij
was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan
de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde,
dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen
van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.
Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen
blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem,
het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had,
ondeugend voorzong:
"Men brandde 's meesters naam voorheen
De heupen in van 't paard
En aan den tulband kent elkeen
Den Parther, trotsch van aard;
Maar ik ontdek op 't eerst gezicht,
Wie zich der min verpandt;
Want ieder werd door 't minnewicht
Een merk in 't hart geplant."
Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt
voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder
liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier
gelukkig zijn!" werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamische lente
[243], welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt,
verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening
het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen
de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde
Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat
de jonge Egyptische, Phaedime de dochter van Otanes, uit de gunst
van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde,
de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.
Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want
men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht,
en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die,
wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en
vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad
de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime,
over de middelen die den ondergang der Egyptische zouden kunnen
bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het
meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote
liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.
Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw,
porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende
handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte
tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst
van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote,
en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure
gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker
in het verderf zal storten, als ik Boges heet."
Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte
vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware
hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op
Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen,
en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde
ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het
oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel,
dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare
gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht
geduldig af wat de toekomst u brengt."
Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen,
en vermeed allen omgang met de Perzen, onder wie zijn somber, in
zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde
aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een
Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des
konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield
met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van
Athothes [244] noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof
van den koning en van Tritantaechmes, den satraap [245] van Babylon,
eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.
De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde,
hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den
grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald
aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend
van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den
beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete
ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij,
met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der
Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds,
voordat gij nog wist wat een uur is" [246].
Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij
bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te
ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij
op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?" gaf hij haar ten antwoord:
»Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen
liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar
land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?"
Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen
met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in
het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken. Doch Nebenchari wees
zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met
vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed,
met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te
hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger
tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met
het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht,
en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.
Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de
nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich
wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja
dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan
de borst zijner moeder.
Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem
met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich
bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem
beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield
zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was
geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener
van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam
gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was
ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger
schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke
gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.
De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien,
naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze
klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en
Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat
en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes
gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de
stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze
Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke
Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield,
een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van
moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes, Aspatines,
Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus [247], de vader van Zopyrus,
de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom,
de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan
het hof van den koning.
Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen
of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle
steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag [248]
van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders
en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad,
om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en
deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden
van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht
werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk
mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd
werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst
onthaald.
Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na
zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks
zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van
Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de
beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle
huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van
tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden,
droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te
vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart,
het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in
zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij
zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde,
maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.
De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de
heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de
jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden,
noemde hen »broeders" en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem
mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou
zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de
jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn
verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden,
hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij
iets buitengewoons zal vragen, daarom moet hij nog maar wat geduld
hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn
hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft
uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch
ook al mijne vrienden gelukkig te zien."
Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans
voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en
tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde
vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus
had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid,
en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en
bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven,
dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren
gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand
te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.
»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!" riep
de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?--Hoe
zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?"
»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje," hervatte
Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd,
als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis
zal zijn."
»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald,
en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar
eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef
ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer
Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes
geene mannelijke nakomelingen mocht hebben."
»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar
buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene
minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet
zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik
hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb."
»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief,
als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop
zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft
zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon
gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos
durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar
opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene
zedige jonkvrouw herschapen!--Roep nu de meisjes, die beneden in den
tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst
eene nieuwe vriendin rijker zullen worden."
»Vergeef mij, moeder," hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak
voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming
van den koning hebben verkregen."
»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog
onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene
mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone
hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet
te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u
geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige
stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!"
In den vroegen morgen van 's konings geboortedag brachten de Perzen
aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg
stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot
vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In
het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk
gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen
met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden
band omgeven, de Paiti-dhana [249], welks uiteinden den mond bedekten,
en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op
eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het
vleesch in stukken gesneden [250], met zout bestrooid en op een zacht
tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat
niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda,
de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.
Nu trad Oropastes, de opper-Destoer [251], voor het vuur, en wierp
er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen
op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat
de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens
nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en
stengels van het heilige haomakruid [252], kneusde deze, en goot het
roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.
Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere
priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een
lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de
zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles
over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht,
van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende
aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende
metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden
geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de
menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn,
van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt,
van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den
vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste
vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed:
»Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!" [253]
Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de
offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den
met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die
als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen
en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen,
om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te
ontvangen.--Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten
de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit,
en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het
overschot mede naar huis te nemen. Want de Perzische goden versmaadden
het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte
dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven
met het vleesch der rijke koningsoffers.
Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden. Hun
godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen
geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen,
maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts
een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het
bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk
uitstortten. Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van
alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen
grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk
te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als
de verpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht
niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in
het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den
menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters
stelden de pharao's als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden
hunne vorsten slechts zonen der goden [254]. En toch heerschten dezen
inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te
vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds
zagen, de pharao's, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige
aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.
Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere
dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in
Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs
mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren
tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten,
kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen,
hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan
ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren
der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden
uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun
land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en
het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een
afstand op een reusachtigen smeltoven gelijken.
Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten
zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte
straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle
wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver-
en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en
laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de
lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het
juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst
sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar
Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang
zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,--overstemde
de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der
Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der
Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs, de Syrische pauken en
bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus,
en de heldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die
verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren
van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat
juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de
harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.
Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een
span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en
potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten
behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische
kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens
aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels,
zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame
gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde
dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra's, vreemde apen en
vogelsoorten [255] opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend
waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk
schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van
de onderworpene stammen.--Nadat zij aan den koning vertoond waren,
werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht,
en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste
geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen [256].
Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis,
hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers
en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende
schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.
Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig
was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd
rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet
minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de
groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel
aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes
treden, waarvan ieder twee gouden honden als schildwachten droeg, de
vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten
bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven,
de Feruers [257] des konings, torste. Achter den troon stonden
dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan
weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des
konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste
priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal
waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met
purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als
schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis
stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren
appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden
pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende
scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel
aanstonds de schaar der Onsterfelijken [258] in het oog, die altijd
bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.
Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte
elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal
binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde,
als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen
van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden,
werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden,
opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen
zou.
Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de
geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie,
met de aanzienlijksten van ieder gezantschap. Toen het laatste, dat
der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee
deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan,
een vriendelijk »halt" toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze
als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen
stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door
een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden,
en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de
heilige loten [259], dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten,
waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een
witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte
het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.
»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar," riep de koning
den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van
mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!"
Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De
genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de
zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet
gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar
het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard
aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren
weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw
goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn,
en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden."
»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt," riep de koning. »Heb ik ongelijk,
priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op
de herbouwing van uw tempel?"
»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven," antwoordde de priester,
diep buigende. »Uwe knechten te Jeruzalem verlangen zeer het aangezicht
van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen
tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw,
waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne
toestemming verleende, voort te zetten."
De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen
met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het
rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans
geene enkele bede afslaan. Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is,
de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken."
»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden," hervatte de
priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering
schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u
te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel
verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer...."
»Halt, priester, niet verder!" riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal,
gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester
ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met
zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds
verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog
over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?"
»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien,"
antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner
vaderen een huis te bouwen."
»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!" riep Cambyzes. »Men
heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft,
die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een
geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode
heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn,
als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting
tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de
onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt
haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd
houden overal door haar gehoord te zullen worden."
»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen," riep de
hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons
land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij
hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos
uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn
gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen
knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf
verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te
zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk
hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade
onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken."
»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!" bad ook
Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren
achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en
dikwijls om raad gevraagd had.
»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor
gaf?" vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen,
en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en
gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge
aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze
verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend,
bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen
staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden,
de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk
te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij
wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming
niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en
oneenigheid onder uw volk sticht."
»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons
in een koninklijken brief heeft gedaan?" vroeg Beltsazar.
»Een brief?"
»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden
van uw rijk [260]."
»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont," hervatte de koning, »wil
ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u
zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig
voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel
van de goden!"
»Is het mij dus toegestaan." vroeg Beltsazar, »het archief van
Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers
te laten doorzoeken?"
»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden
zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de
uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht
tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt
hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de
oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert,
niet teleurstellen!--U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn
huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden
Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen,
dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht."
»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!" sprak Beltsazar,
terwijl hij diep ter aarde boog.
»Dezen wensch neem ik aan," riep de koning, »want ik acht uw
grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voor
geheel machteloos.--Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in
den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze
gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het
maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed,
omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware
godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met
wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt
u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen,
uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat
uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!--Vaarwel
en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!"
De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel
zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op
den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van
Ekbatana voorhanden moest zijn.
Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het
laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden
gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden,
boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid,
doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden
sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht,
wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde,
als de mannen die hem volgden [261].
De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon
naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende,
die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van
mij?--Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten,
die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat
een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat,
om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!"
De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen,
tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon
binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat
men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat
ik hun nog heden de gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht
te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne
landslieden naar uwe poorte zijn gezonden."
De wolk op 's konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met
scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden
en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren,
welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen."
Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad,
door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den
troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te
spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene
van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning,
volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.
»Wij weten," ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en
wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd
tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden,
gevallen is."
»Mijn vader had reden te over om u te straffen," viel de koning
den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet,
hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong."
»Vertoorn u niet, o koning," antwoordde de Massageet; »maar weet, dat
ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind
moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom
onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen,
wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar
nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land
hoopte machtig te worden."
Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan
over den Araxes [262], onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze;
daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug
te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons
land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten
overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.
»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van
krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koning van
Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door
list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van
zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen,
en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot
bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en
hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd
door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog
nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos
nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer
beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de
heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze
hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten,
op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld,
bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men
voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak
zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!"
»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen
jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder
uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en
grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij
uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk
hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een
treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn
lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den
doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar
bloed kunnen lesschen!" De edele schaar, die gij de onsterfelijken
noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot
van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en
uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard,
dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken
nu nog uw mannelijk gelaat siert!"
De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het
leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte
hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken
u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden
sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook
in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit
zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt
u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle
dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijand openbaart
[263].--Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug
te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan
uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u
te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan
zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar
blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan
de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens
doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn."
De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten
zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De
Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon
te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en
groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen
als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen
strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder
dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger
dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de
huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak
zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood."
»Tomyris leeft niet meer!?" riep Cambyzes, den spreker in de rede
vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe
koningin overkomen? Spreek!"
»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien
maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen,
dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de
ziel uws vaders viel."
»Zij was eene groote vrouw," zeide Cambyzes zacht, als tot
zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk,
Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen
hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook
schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten
kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning,
en allerminst tegen die van een Cyrus!"
»Bij ons te lande," antwoordde de gezant, »is in den dood alles
gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van
een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk
veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik
u nog al de rampen niet heb opgesomd, die sedert dien ongelukkigen
krijg over ons land zijn uitgestort.--Na den dood van Tomyris werden
de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die
beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk
splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds
gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte,
dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om
ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en
daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen."
»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?" vroeg Cambyzes. »De
sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is,
kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb
gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus
mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom
als nieuwe onderdanen van mijn rijk."
Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den
Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o
koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben,
of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten,
dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde
landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet
is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden
wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen
blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen
satraap wetten en voorschriften te ontvangen.--Gij ziet mij toornig
aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen."
»Gij hebt slechts te kiezen," antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn
schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie
bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap,
als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne
vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde
dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid
aanbied.--Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen;
later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien
komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!"
»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen," hernam de
krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan
den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.
»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden en raden. Wij
Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van
zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië
te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt
uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de
vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen
beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u
zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht
den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken,
en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden,
in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te
zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud
zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote
schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de
plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid,
u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons
vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult
gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een
onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van
de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat
gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het
goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens
hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren
mocht worden bedreigd."
De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich
op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende:
»Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen,
en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te
brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend
den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb,
een deel der gerechten van mijne eigene tafel."