TWEEDE HOOFDSTUK.

Cambyzes bracht een slapeloozen nacht door. De jaloezij, die hij tot

hiertoe niet in die mate gekend had, versterkte zijne begeerte naar het

bezit der Egyptische. Vooralsnog mocht hij haar niet zijne gemalinne

noemen, want de Perzische wet schreef voor, dat het den koning eerst

dan geoorloofd was eene vreemdelinge tot zijne gade te nemen [231],

wanneer zij zich met de Iranische gebruiken vertrouwd had gemaakt,

en den godsdienst van Zoroaster [232] had aangenomen. Volgens die

wet zou er een geheel jaar hebben moeten verloopen, eer Nitetis de

vrouw van een Perzischen vorst mocht worden.

Maar wat bekommerde Cambyzes zich om de wet? Hij beschouwde zichzelven

als de verpersoonlijking ervan, en was van oordeel, dat voor Nitetis

drie maanden voldoende zouden zijn, om alle leerstukken der Magiërs

te verstaan, en het feest van haar huwelijk met hem te vieren. Zijne

andere vrouwen schenen hem thans hatelijk, ja, hij had zelfs een

afkeer van haar gekregen. Reeds in zijne jeugd had men zijn huis

met vrouwen opgevuld. Zijn harem bevatte schoone meisjes uit alle

deelen van Azië. Zwartoogige maagden uit Armenië, schitterend

blanke jonkvrouwen van den Kaukasus, teedere maagdelijns van den

oever van den Ganges, weelderige dochteren Babylons, goudlokkige

Perzische meisjes en weekelijke kinderen uit de Medische vlakte,

ja, zelfs onderscheidene telgen van de edelste Achaemeniden hadden

den koningszoon als echte gemalinnen de hand gereikt. Phaedime, de

dochter van den edelen Otanes en nicht van zijne moeder Cassandane,

was tot heden zijne meest geliefde vrouw, of beter gezegd, de eenige

geweest, van wie men zeggen kon, dat zij hem nader aan 't hart lag

dan eene gekochte slavin. Maar ook deze kwam thans den gemelijken en

oververzadigden koning gering en verachtelijk voor.

De Egyptische scheen hem echter uit edeler en waardiger stof gevormd,

dan alle die andere. Zij waren maar vleiende deernen, maar Nitetis

was eene koningin. De andere bogen in het stof aan zijne voeten,

maar dacht hij aan Nitetis, dan zag hij haar rechtop staan, even

trotsch en hoog als hijzelf. Zij zou van nu aan niet alleen Phaedime's

plaats innemen; hij wilde haar veeleer zoo hoog verheffen, als weleer

zijn vader Cyrus zijne gemalin Cassandane. Nitetis alleen vermocht

met hare kennis en haren raad hem ter zijde te staan, terwijl de

andere, onwetend als kinderen, slechts voor opschik en kleeding,

voor verachtelijke samenzweringen en nietige twisten leefden. De

Egyptische moest hem liefhebben, want hij was haar steun, haar heer,

haar vader en haar broeder, in het land dat haar geheel vreemd was.

»Zij moet!" zeide hij in zichzelven, en zijn wil scheen den tyran

even voldoende, als de reeds volbrachte daad. »Laat Bartja slechts

wederkomen," mompelde hij; »hij zal ondervinden wat hem wacht, die

het waagt zich mij in den weg te stellen!"

Ook Nitetis had een onrustigen nacht. In de aan hare vertrekken

grenzende gemeenschappelijke zaal der vrouwen zong en joelde en

krakeelde men tot middernacht. Dikwijls herkende zij de krijschende

stem van Boges, die met de aan zijne hoede toevertrouwden schertste en

lachte. Als het eindelijk in de ruime zalen van het paleis rustig was

geworden, dacht zij zich weer terug in het afgelegene vaderland en bij

de arme Tachot, die naar haar en naar den schoonen Bartja smachtte;

naar Bartja, die, gelijk Cresus haar gezegd had, morgen ten strijde

zou trekken, en misschien wel zijn dood tegemoet ging. Dan sliep zij

in, afgemat door de vermoeienissen der reis, en van haar toekomstigen

gade droomende. Zij zag hem rijdende op zijn zwarten hengst. Het wilde

dier schrikte van Bartja's lijk, dat aan den weg lag, wierp den koning

uit het zadel en sleepte hem voort in den Nijl, die eensklaps met

bloedroode golven begon te stroomen. In haar angst riep zij om hulp;

haar geroep werd door de pyramiden weerkaatst, en het klonk steeds

luider en geweldiger, tot zij van de vreeselijke echo ontwaakte.

Maar wat was dat?--De klagende, galmende toon, dien zij in den droom

vernomen had, klonk nog voort nu zij ontwaakt was. Zij rukte de luiken

van een venster open en zag naar buiten. Een groote, prachtige tuin,

met springfonteinen en lange rijen boomen, door den frisschen dauw

bevochtigd, lag daar vóór haar [233]. Geen geluid werd vernomen,

behalve dien vreemden toon. Maar ook deze stierf eindelijk in het

ochtendkoeltje weg. Na weinige oogenblikken hoorde zij in de verte

schreeuwen en joelen. Daarop ontwaakte allengs het leven in de

reuzenstad. Ten laatste vernam zij nog slechts een dof bruisen,

als dat van de golven der zee.

De koele morgenlucht had haar zoo geheel den slaap uit de oogen

gedreven, dat zij geen lust meer gevoelde om zich andermaal neder

te leggen. Zij keerde naar het venster terug. Zie, daar traden twee

menschen uit het door haar bewoonde huis in den tuin. Zij herkende den

eunuch Boges, die met eene schoone, slechts half gekleede Perzische

vrouw sprak. Zij naderden haar venster. Nitetis verborg zich achter

het half geopende luik en luisterde, want zij meende haren naam te

hebben hooren noemen.

»De Egyptische slaapt nog," zeide de eunuch. »Zij zal wel zeer vermoeid

zijn van de reis."

»Zoo antwoord spoedig," hernam de Perzische. »Gelooft gij werkelijk,

dat deze vreemdelinge mij gevaarlijk zou kunnen worden?"

»Zeer zeker, mijn popje."

»Wat brengt u tot dat vermoeden?"

»Deze nieuwe vrouw behoeft niet mijne, maar alleen de bevelen des

konings te gehoorzamen."

»Is dat alles?"

»Neen, mijn schatje. Maar ik ken den koning, en lees op zijn

aangezicht, gelijk een magiër in de heilige boeken."

»Dus moeten wij haar uit den weg ruimen."

»Dat is licht gezegd, maar moeielijk uit te voeren, mijn duifje."

»Laat mij los, onbeschaamde!"

»Kom, kom, men ziet ons niet, en gij zult mij noodig hebben."

»Nu dan, maar zeg mij spoedig, wat er gedaan moet worden."

»Dank, mijn zoet hartje Phaedime!--Om te beginnen, moeten wij ons

stilhouden en eene gelegenheid afwachten. Wanneer Cresus, die zich

de Egyptische bijzonder schijnt aan te trekken, weg is, dan moeten

wij een strik zien te spannen..."

Zij, die dit gesprek voerden, hadden zich zoover verwijderd, dat

Nitetis niets meer kon verstaan. In de hevigste ontroering sloot zij

het luik en riep hare dienstmaagden, om zich te laten kleeden. Zij

kende thans hare vijanden. Zij wist nu, dat duizend gevaren haar

bedreigden. Toch voelde zij zich sterk en trotsch, want zij moest

de echte vrouw van Cambyzes worden. Nooit had zij zulk een besef

van eigenwaarde gehad, als tegenover deze ellendige schepsels. De

ontwijfelbare zekerheid van te zullen overwinnen vervulde haar hart,

dat stellig geloofde aan de tooverkracht van het goede en van de deugd.

»Wat had dat akelig geluid, hedenmorgen vroeg, te beduiden?" vroeg zij

aan de eerste van hare Perzische kamerjuffers, die haar toilet maakte.

»Bedoelt gij het slaan op het koperen bekken, meesteres?"

»Nauwlijks twee uren geleden werd ik door een vreemdsoortig geluid

gewekt."

»O ja, meesteres, dat was het koperen bekken, hetwelk de zonen der

edelen, die aan de poort van het koninklijk paleis worden opgevoed,

iederen morgen wekt. Gij zult aan dat geluid spoedig gewoon zijn. Wij

hooren het reeds lang niet meer, wij ontwaken daarentegen juist door

de ongewone stilte, wanneer het op hooge feestdagen uitblijft. Op de

hangende tuinen zult gij iederen ochtend, onverschillig of het koud

dan of het warm is, die knapen naar het bad kunnen zien voeren. De

arme kleinen worden reeds op hun zesden geboortedag aan hunne moeders

ontnomen, om met de andere jongens van hun stand gemeenschappelijk,

onder de oogen des konings, te worden opgevoed."

»Moeten zij reeds zoo vroeg kennis maken met de weelderigheid van

dit hof?"

»O, volstrekt niet; die arme jongens hebben het heel kwaad. Zij moeten

op den harden grond slapen, en vóor het opgaan der zon weder op de been

zijn. Hun voedsel bestaat uit brood en een weinig vleesch; hun drank

is water. Wat wijn en toespijs is, weten zij niet eens. Menigmaal

moeten zij, zelfs dagen achtereen, zonder eenige noodzakelijkheid,

honger en dorst lijden, om hen aan ontberingen te gewennen, zoo men

zegt. Wonen wij te Pasargadae of te Ekbatana [234], dan kunnen zij

zich verzekerd houden, ook bij de grootste koude naar 't bad gebracht

te zullen worden. Zijn we daarentegen hier of te Susa, dan laat men

hen, hoe sterker de zon brandt, des te moeielijker marschen maken."

»En uit deze geharde, eenvoudig opgevoede knapen groeien zulke

weelderige mannen?"

»Ja, dat gaat zoo! Hoe langer men honger moet lijden, hoe beter de

maaltijd smaakt! Zulk een jong edelman ziet dagelijks al den glans

dezer omgeving, weet dat hij rijk is, en moet toch gebrek lijden. Is

het wonder dat hij, als men hem loslaat, alle genietingen van het

leven met tiendubbelen ijver najaagt? Gaat hij evenwel ten strijde

of op de jacht, dan klaagt hij ook niet als hij honger en dorst moet

lijden. Lachende doorwaadt hij dan de moerassen, met zijne dunne

laarzen en zijn purperen broek en slaapt op eene rots even goed,

als op zijn bed van zachte Arabische wol. Gij moest eens zien, welke

waagstukken die knapen ondernemen, vooral wanneer de koning bij hunne

oefeningen tegenwoordig is! Cambyzes zal u zeker wel eens met zich

nemen, als gij 't hem vraagt."

»Ik ken die oefeningen. In Egypte moeten zoowel knapen als meisjes

hunne ledematen oefenen. Ook ik heb door loopen, moeielijke houdingen,

bal- en ringspel, vlugheid en buigzaamheid verkregen."

»Hoe vreemd! Hier te lande groeien de meisjes op, gelijk ze willen. Zij

leeren niets, dan een weinig weven en spinnen. Is het waar, dat

de meeste vrouwen in Egypte zelfs de kunst van lezen en schrijven

verstaan?"

»Bijna alle meisjes van aanzienlijke ouders worden daarin onderwezen."

»Bij Mithra, de Egyptenaren moeten een verstandig volk zijn. Behalve de

magiërs en schrijvers, beoefenen slechts weinige Perzen deze moeielijke

kunst. De zonen der aanzienlijken leert men niets dan waarheid spreken,

gehoorzaamheid en dapperheid, de goden te eeren, jagen, rijden, boomen

planten, en kruiden onderscheiden. Die wil leeren schrijven, mag zich

later, gelijk de edele Darius, tot de magiërs wenden. Aan de vrouwen

is het verboden, zich op zulke wetenschappen toe te leggen.--Maar

thans zijt gij gereed. Dit parelsnoer, dat de koning u hedenmorgen

gezonden heeft, staat prachtig bij uwe raafzwarte haren. Mag ik u

verzoeken op te staan? Waarlijk, deze schoenen zijn u te groot. Pas

dit paar eens!--Thans ziet gij er uit als eene godin, doch men kan

het u aanzien, dat gij niet gewoon zijt de wijde zijden beenkleederen

en laarzen met hooge hakken te dragen. Loop echter slechts een paar

maal op en neêr, dan zult gij zelfs in sierlijkheid van gang alle

Perzische vrouwen overtreffen."

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en trad de eunuch

Boges binnen, om Nitetis tot de blinde Cassandane te geleiden, bij

wie Cambyzes haar wachtte.

De eunuch nam de houding aan van een nederigen slaaf, en overstelpte

haar met een stroom van bloemrijke vleierijen, haar met de zon,

den sterrenhemel, eene reine bron van geluk en een rozengaard

vergelijkende. Nitetis verwaardigde zich niet, hem met een enkel

woord te antwoorden, en trad met een kloppend hart het vertrek van

de moeder des konings binnen. Voor de vensters hingen gordijnen van

groene Indische zijde, die de heldere stralen der middagzon temperden,

en in het vertrek een, voor de oogen der blinde weldadig schemerdonker

verspreidden. De vloer was met een zwaar Babylonisch tapijt bedekt,

waarin de voeten als in mos wegzonken. Het bekleedsel der muren

bestond uit een mozaïek van ivoor, schildpad, goud, zilver, malachiet,

lazuursteen, ebbenhout en barnsteen. De zittingen der gouden zetels

waren met leeuwenhuiden overtrokken, en de tafel, die naast de blinde

stond, was van zuiver zilver. Cassandane, gekleed in een vioolkleurig,

rijk met zilver bestikt gewaad, zat in een kostbaren leuningstoel. Over

hare sneeuwwitte haren hing een lange sluier van de fijnste Egyptische

kant, welks lange slippen om haren hals geslagen en onder de kin in

een grooten strik vereenigd waren [235]. Het door den kanten doek

omlijste gelaat der blinde, die tusschen de zestig en zeventig jaren

oud scheen te zijn, was bijzonder regelmatig gevormd, en getuigde

niet alleen van een verheven geest, maar ook van goedheid des harten

en van warme menschenliefde. De blinde oogen der grijze vrouw waren

gesloten, maar wie haar aanzag, stelde zich ongetwijfeld voor een

paar zachte en vriendelijke sterren te zullen zien lichten, indien

zij zich openden. Te oordeelen naar de houding en de grootte, terwijl

zij gezeten was, had zij eene rijzige gestalte. Haar geheele voorkomen

was de weduwe van den grooten en goeden Cyrus volkomen waardig.

Op eene lage bank, aan de voeten der oude koningin, zat hare jongste

telg, het kind van haar ouderdom, Atossa, spelende met de draden

van haar gouden spinrokken. Tegenover de blinde stond Cambyzes,

en op een afstand, ternauwernood zichtbaar in het schemerlicht,

dat in het vertrek heerschte, de Egyptische oogarts Nebenchari.

Toen Nitetis den drempel van dit vertrek overschreden had, trad de

koning haar tegemoet, en leidde haar tot zijne moeder.--De dochter

van Amasis zonk voor de eerbiedwaardige oude vrouw op de knieën,

en kuste haar met hartelijkheid de hand.

»Wees ons welkom!" sprak de blinde, hare hand al tastende op het

hoofd der jonkvrouw leggende. »Ik heb veel goeds van u vernomen en

hoop eene lieve dochter in u te winnen."

Nogmaals kuste Nitetis de teedere hand der koningin, en antwoordde

met zachte stem: »Ik dank u voor dat woord. O, veroorloof mij, u,

gade van den grooten Cyrus, moeder te noemen. Mijne lippen, die zoo

lang gewoon waren dien zoeten naam uit te spreken, beven van zalige

verrukking, nu ze, na vele weken, weder voor het eerst mogen uitroepen:

'mijne moeder!' Ja, met al mijne krachten wil ik er naar streven

uwe goedheid waardig te worden. Maar houdt gij dan ook de belofte,

die uw vriendelijk gelaat mij schijnt te doen. Sta mij in dit vreemde

land met raad en onderricht ter zijde. Laat mij aan uwe voeten een

toevlucht vinden, als het verlangen naar het land mijner vaderen mij

overweldigt, en mijn hart te zwak blijkt om de smart of het geluk

alleen te dragen. Wees, met dit éene woord is alles gezegd, wees, o,

wees mijne moeder!"

De blinde voelde warme tranen vallen op hare hand; zij drukte hare

lippen op het voorhoofd der weenende, en zeide: »Ik gevoel wat er in

u omgaat. Mijn hart en mijne vertrekken zullen ten allen tijde voor u

geopend zijn, en, gelijk ik u met mijne geheele ziel 'dochter' heet,

kunt gij mij met vol vertrouwen uwe moeder noemen. Binnen weinige

maanden zult gij de gemalin van mijn zoon worden, en later gunnen

de goden u wellicht een geluk, waarbij gij de moeder kunt ontberen,

als ge u zelve moeder gevoelt."

»Daartoe geve Aoeramazda zijn zegen!" riep Cambyzes. »Het verheugt

mij, moeder, dat mijne gemalin ook aan uw hart welgevallig is. Wees

overtuigd dat zij zich bij ons gelukkig zal gevoelen, zoodra zij

slechts eerst alle Perzische zeden en gebruiken kent. Als zij

nauwlettend acht geeft op hetgeen haar zal worden voorgehouden,

kan binnen vier maanden ons huwelijksfeest gevierd worden!"

»Maar de wet," wilde de moeder hier tegen inbrengen.

»Ik beveel: binnen vier maanden!" riep de koning, »en zou wel eens

willen weten, wie daar tegen op zou durven komen. En thans, vaarwel,

vrouwen! Denk aan de oogen der koningin, Nebenchari, en wanneer

mijne gemalin het u toestaat, moogt gij, als haar landgenoot, haar

morgen bezoeken. Vaarwel! Bartja laat u groeten. Hij is op weg naar

de Tapoeren."

Atossa wischte zwijgend een traan uit het oog. Cassandane zeide: »Gij

hadt den knaap toch nog wel eenige maanden bij ons kunnen laten. Uw

veldheer Megabyzus zal het kleine volk der Tapoeren alleen wel tot

zijn plicht weten te brengen."

»Daar twijfel ik niet aan," antwoordde de koning; »maar Bartja zelf

was verlangend naar eene gelegenheid, om zijne heldhaftigheid te

toonen. Ik vond dus goed hem aanstonds in het veld te zenden."

»Zou hij niet liever gewacht hebben op den grooten krijg tegen de

Massageten, waarin meer roem te behalen zal zijn!" vroeg de blinde.

»En als hij nu eens door een Tapoerischen pijl getroffen werd," riep

Atossa, »dan zoudt gij hem belet hebben zich van den heiligsten plicht,

die op een man kan rusten te kwijten; dan zoudt gij oorzaak zijn,

dat hij de ziel van onzen vader niet had kunnen wreken!"

»Zwijg," snauwde Cambyzes zijne zuster toe, »opdat ik u niet leere,

wat de plicht van vrouwen en kinderen is. Het gelukskind Bartja zal

in leven blijven, en zich, zoo ik hoop, de liefde waardig maken,

die men hem thans als eene aalmoes in den schoot werpt."

»Hoe kunt gij zoo spreken? Bezit uw broeder niet al de deugden van

den man? Is het zijne schuld, dat hij nog niet in de gelegenheid is

geweest, zich, evenals gij, in den krijg te onderscheiden?" vroeg

Cassandane. »Gij zijt de koning, wiens bevelen ik eerbiedig; mijn

zoon zou ik echter kunnen berispen, omdat hij zijne blinde moeder,

ik weet niet op welken grond, van de schoonste vreugde van haren

ouderdom berooft. Bartja ware gaarne tot aan den Massageten-krijg

bij ons gebleven, doch mijn stijfhoofdigen eerstgeborene behaagde

het anders..."

»En wat ik wil, is goed!" zeide Cambyzes, wiens wangen bleek waren

geworden, zijne moeder in de rede vallende. »Ik verlang niets meer

over deze zaak te hooren!"

Dit zeggende verliet hij ijlings het vertrek, en begaf zich, vergezeld

door zijn groot gevolg, dat altijd in zijne nabijheid bleef, waarheen

hij ook zijne schreden richtte, naar de gehoorzaal.

Een vol uur verliep, nadat Cambyzes zijne moeder verliet, en nog

altijd zat Nitetis naast de bekoorlijke Atossa, aan de voeten

der edele vrouw. De Perzische vrouwen luisterden naar de verhalen

der nieuwe vriendin, en hielden niet op onderzoek te doen naar de

merkwaardigheden van Egypte.

»O, hoe gaarne zou ik uw vaderland eens zien," riep Atossa. »Uw Egypte

moet zoo heel, heel anders zijn dan Perzië, en alles wat ik tot nog

toe gezien heb. De vruchtbare oevers van den verbazenden stroom, nog

grooter en grootscher dan onze Euphraat, de godentempels met hunne

vele bonte zuilen, de kunstmatige bergen, die men pyramiden noemt,

waarin koningen uit de hooge oudheid begraven liggen, dat alles moet

recht schoon en treffend zijn om te aanschouwen. Maar het schoonste van

alles zijn toch, dunkt me, uwe gastmalen, op welke mannen en vrouwen

vertrouwelijk met elkander kouten, zooveel hun lust. Wij Perzische,

mogen ook, bij gelegenheid van het nieuwjaars- en het geboortefeest

des konings, met de mannen samen spijzen, maar het is ons dan verboden

te spreken, en het zou zelfs zeer onbetamelijk zijn als wij de oogen

opsloegen. Hoe geheel anders is het bij u!--Bij Mithra, moeder, ik

zou een Egyptische willen zijn, want wij, arme vrouwen, zijn niets

dan ellendige slavinnen. En toch gevoel ik, dat ook ik een kind van

den grooten Cyrus, en niet slechter ben dan een man. Spreek ik niet

de waarheid, kan ik niet bevelen en gehoorzamen, smacht ik niet

naar roem, zou ik niet te paard kunnen stijgen, den boog spannen,

vechten en zwemmen, als men ook mij in de gelegenheid had gesteld,

mij te oefenen en mijne krachten te sterken?"

De oogen van het meisje tintelden. Zij was van hare zitplaats

opgesprongen, en zwaaide met het spinrokken, niet bemerkende, hoe

het vlas in de war raakte en de draad brak.

»Verlies toch de betamelijkheid niet uit het oog," vermaande

Cassandane. »De vrouw behoort zich nederig en stil in haar lot te

schikken, en vermete zich niet naar de daden van den man te streven."

»Maar er zijn toch vrouwen, die even als de mannen leven," riep

Atossa. »Aan den Thermodon in Themiscyra, en aan den Iris-stroom te

Komana, wonen immers de Amazonen [236], die groote oorlogen gevoerd

hebben, en thans nog even als de mannen gewapend en gekleed gaan."

»Van wie weet gij dat?"

»Mijne dienstmaagd, de oude Stephanion uit Sinope, door vader als

krijgsgevangene naar Pasargadae gevoerd, heeft het mij verhaald."

»Ik kan u echter dienaangaande beter onderrichten," zeide Nitetis. Te

Themiscyra en te Komana leven werkelijk eene menigte vrouwen, die

als strijdbare mannen zijn uitgedost. Dit zijn priesteressen, die

zich, even als de krijgsgodin die zij dienen, plegen te kleeden,

om de aanbidders in hare eigene gestalte het beeld der godheid

te toonen. Cresus zegt, dat er nooit een heer van Amazonen bestaan

heeft. De Grieken evenwel, die uit alles ras eene schoone sage wisten

samen te stellen, hebben ook, nadat zij deze priesteressen gezien

hadden, van een stoet gewapende jonkvrouwen van die godin een geheel

volk van strijdbare vrouwen gemaakt."

»Maar dan zijn zij leugenaars!" riep het verbaasde kind.

»Voorzeker," antwoordde Nitetis, »is den Hellenen de waarheid niet

zoo heilig als uw volk, maar zulke sprookjes op te stellen, en den

opgetogen hoorderen in schoone verzen voor te zingen, noemen zij niet

liegen, maar dichten."

»Juist als bij ons;" hernam Cassandane. »Zoo hebben de zangers, den

roem van mijn echtgenoot verkondigende, de geschiedenis van zijne

jeugd allerwonderlijkst verdraaid en opgesierd, zonder daarom toch

den naam van leugenaars te verdienen.--Maar zeg mij, mijne dochter,

is het waar, dat deze Hellenen schooner zijn dan de andere menschen,

en alle kunsten beter verstaan, dan zelfs de Egyptenaren?"

»Daarover durf ik geen oordeel vellen. De voortbrengselen van onze

kunst zijn zoo geheel verschillend van die der Helleensche. Als ik

onze reusachtige tempelgebouwen binnentrad om te bidden, was het me

altijd, alsof ik mij voor de grootheid der goden in 't stof moest

werpen, en hun bidden mij, kleinen worm, niet te verpletteren. Maar

te Samos, in het heiligdom aan Hera gewijd, voelde ik mij gedrongen

de handen op te heffen en de goden te danken, dat zij de aarde zoo

schoon hadden gemaakt. In Egypte dacht ik altijd, gelijk men mij

geleerd had: 'Het leven is een slaap; in de ure van onzen dood zullen

we eerst tot het rechte leven ontwaken, in het rijk van Osiris.' In

Griekenland fluisterde alles mij toe: »Gij zijt geboren voor dit

leven en de genietingen dezer wereld, die u zoo vroolijk toelacht,

en zoo liefelijk bloeit en geurt."

»Ach, verhaal ons meer van Griekenland!" riep Atossa. »Maar eerst

zal Nebenchari de oogen van moeder opnieuw verbinden."

De oogarts, een lange man met een ernstig gelaat, in het witte

Egyptische priestergewaad gehuld, kweet zich van zijne taak, en

trad dan, nadat Nitetis hem hartelijk begroet had, zwijgend op den

achtergrond terug, toen een eunuch verscheen, en voor Cresus verlof

vroeg, om de moeder des konings zijn eerbiedigen groet te mogen

komen brengen.

Kort daarop trad de grijsaard binnen. Als een trouw vriend van

het Perzische koningshuis, werd hij met de grootste hartelijkheid

ontvangen. De onstuimige Atossa viel den ouden vriend, dien zij

zoolang gemist had, om den hals, de koningin reikte hem de hand,

en Nitetis begroette hem als ware hij haar vader geweest.

»Ik dank de goden, dat zij mij de vreugde gunnen u weder te zien,"

zeide de wakkere grijsaard. »Op mijn leeftijd moet men ieder nieuw

jaar als een onverdiend geschenk der goden dankbaar aannemen,

terwijl de jeugd het leven als iets, dat zoo vanzelf spreekt, als

een onbetwistbaar eigendom beschouwt."

»Hoezeer benijd ik u om uwen moed en levenslust," hernam Cassandane

met een zucht. »Ik ben jonger dan gij; en toch komt mij iedere dag,

voor welks licht de goden mijne oogen gesloten hebben, als een

vernieuwde straf der onsterfelijken voor."

»Hoor ik de gade van den grooten Cyrus spreken?" vroeg Cresus. »Sedert

wanneer is het krachtig gemoed van Cassandane zonder moed en zonder

hope? Gij zult weder ziende worden, zeg ik u, en evenals ik de goden

voor uw schoonen en hoogen ouderdom danken. Hij, die ernstig ziek

geweest is, weet den schat der gezondheid beter dan iemand anders te

waardeeren. Wie eens blind was en het licht der oogen terugkrijgt,

moet, meer dan iemand anders, een vriend der eeuwige goden zijn. Stel

u slechts een oogenblik de zalige vreugde voor, die gij smaken zult

in de ure, als gij na lange jaren voor de eerste maal het heldere

licht der zon, de aangezichten uwer geliefden en de schoonheid van

al het geschapene weder zult aanschouwen, en zeg mij dan, of de

heerlijkheid van dat uur niet tegen een geheel leven van duisternis

en blindheid kan opwegen. Wanneer gij genezen zult zijn, begint

voor u in uw ouderdom een nieuw en verjongd leven, en het is mij,

als hoorde ik u reeds Solons woorden tot de uwe maken."

»Wat zeide Solon dan?" vroeg Atossa.

»Hij wenschte, dat Mimnermus van Colophon, die in een zijner gedichten

gezegd had, dat een schoon leven met het zestigste jaar moest eindigen,

zijn vers mocht verbeteren, en van de zestig tachtig maken."

»O neen," riep Cassandane, »zulk een lang leven zou mij, zelfs wanneer

Mithra mij het gezicht mocht willen wedergeven, een last zijn. Sedert

mijn Cyrus is gestorven, beschouw ik mijzelve als eene zwervelinge,

die zonder doel en gids in de woestijn omdoolt."

»Vergeet gij dan geheel uwe kinderen en dit rijk, dat gij hebt zien

ontstaan en groot worden?"

»O, neen! Maar de kinderen hebben mij niet meer van noode, en de

beheerscher van dit rijk is te trotsch om acht te geven op den raad

van eene oude vrouw."

Nu vatte Atossa de rechter-, Nitetis de linkerhand der blinde moeder,

en de Egyptische riep: »Om den wil uwer dochters en van haar geluk,

moet gij voor u zelve een lang leven wenschen. Wat werd er van ons

zonder uwe bescherming en hulp?"

Cassandane lachte, en prevelde nauw hoorbaar: »Gij hebt gelijk,

gij zult de moeder nog noodig hebben."

»Aan deze woorden herken ik de gade van Cyrus," riep Cresus, het

kleed der blinde kussende. »Ik zeg u, Cassandane, dat men u noodig zal

hebben; wie weet hoe spoedig! Cambyzes is gelijk aan het harde staal,

dat vonken wekt waar het treft. Uw plicht is het te maken, dat deze

vonken geen brand stichten binnen den kring van hen, die uw hart het

dierbaarste zijn. Gij zijt de eenige, die de opwellingen van 's konings

toorn met een woord van terechtwijzing durft bezweren. U alleen acht

hij zijns gelijke. Het oordeel der menschen is hem onverschillig,

maar een bestraffend woord van zijne moeder doet hem leed. Zoo is het

dus uw plicht, als bemiddelaarster tusschen den koning, zijn volk en

de uwen, op uw plaats te blijven en te verhoeden, dat de trots van

uw zoon, in plaats van door uwe wenken en vermaningen, door de straf

der goden vernederd worde."

»O, als ik eens zulk een invloed op hem had!" antwoordde de blinde,

»doch hoe zelden luistert mijn trotsche zoon naar den raad van zijne

moeder."

»Maar hij zal toch moeten aanhooren, wat gij hem voorhoudt," hervatte

Cresus; »en daarmede is reeds veel gewonnen. Want al volgt hij ook

uwe raadgevingen niet, deze zullen toch als stemmen der goden tot

zijn geweten blijven spreken, en hem van veel kwaads terughouden. En

ik wil u een bondgenoot blijven. Zijn stervende vader vermaande mij,

hem met raad en daad bij te staan. Vandaar dat ik meermalen den moed

heb, zijne uitbarstingen met een krachtig woord te trotseeren. Wij

beiden zijn de eenige menschen aan dit hof, wier afkeuring hij

vreest. Omgorden we ons met de noodige koenheid, om onze roeping als

vermaners en raadgevers getrouw te vervullen; doe gij het uit liefde

voor uw zoon en voor Perzië, ik zal het doen uit dankbaarheid jegens

den grooten man, die mij het leven en de vrijheid schonk. Ik weet,

dat het u leed doet, Cambyzes niet anders te hebben opgevoed; maar

het berouw moet men vlieden als een doodend vergif. Herstelling,

niet berouw, is het geneesmiddel voor de gebreken der wijzen; want

berouw verteert het hart, herstelling daarentegen vervult het met

edelen trots en doet het vrijer en ruimer kloppen."

»Bij ons in Egypte," zeide Nitetis, »rekent men het berouw zelfs

onder de twee-en-veertig doodzonden. 'Gij moogt niet dulden, dat uw

hart verteerd worde,' luidt een onzer eerste geboden [237]."

»Gij brengt mij met deze woorden te binnen," sprak de grijsaard,

»dat ik op mij genomen heb uw tijd te verdeelen, tot het onderricht

in de Perzische gebruiken, godsdienst en taal. Gaarne zou ik mij naar

Barene, de stad door Cyrus mij afgestaan, hebben begeven, om daar,

in het stilste en liefelijkste van alle dalen, uit te rusten van

de vele vermoeienissen der laatste maanden. Om uwent en des konings

wil blijf ik echter hier en zal ik voortgaan met u in de Perzische

taal te onderwijzen. Cassandane zelve zal u inwijden in de zeden

van de vrouwen aan dit hof. Oropastes, de opperpriester, zal u,

overeenkomstig 's konings bevel, met de Iranische godenleer bekend

maken. Hij zal uw geestelijke, ik uw wereldlijke voogd zijn [238]."

Nitetis, om wier lippen tot op dit oogenblik een opgeruimde glimlach

had gespeeld, sloeg nu de oogen neder, en vroeg met doffe stem:

»Moet ik den goden van mijn land, die ik tot hiertoe heb aangebeden,

en die mijne smeekingen nooit onverhoord lieten, ontrouw worden? Kan

ik, mag ik hen wel vergeten?"

»Gij kunt, moogt en moet," zeide Cassandane met nadruk, »want de

vrouw zal geene andere vrienden hebben dan haar man. De goden zijn

de machtigste, trouwste en eerste vrienden van den man, daarom is

het uw plicht als vrouw hen te eerbiedigen; en gelijk gij eenmaal

gehuwd zijnde voor alle minnaars de deur sluit, zoo moet ge ook uw

hart voor de goden en het bijgeloof van uw vroeger vaderland sluiten."

»En dan," zeide Cresus, »is men ook niet van meening u de godheid te

ontnemen; men stelt ze u slechts onder een anderen naam voor. Want

evenals de waarheid zichzelve eeuwig gelijk blijft, of gij ze als

de Egyptenaren 'Maa,' dan wel als de Hellenen 'Aletheia' noemt, zoo

verandert ook het wezen der waarheid nooit en nergens.--Zie, mijne

dochter, ik zelf heb, toen ik nog koning was, met ongeveinsden eerbied

aan den Helleenschen Apollo geofferd, en begreep met deze godsdienstige

hulde den Lydischen zonnegod Sandon niet te beleedigen. De Joniërs

aanbidden met geheel hun hart de Aziatische Cybele [239]. En thans,

nu ik een Pers ben geworden, hef ik mijne handen op tot Mithra,

Aoeramazda en de schoone Anâhita [240]. Pythagoras, wiens leeringen

ook u niet vreemd zijn, aanbidt slechts éene godheid. Hij noemt haar

Apollo, daar zij, evenals de Helleensche zonnegod, de oorsprong is

van het reine licht en van al wat schoon is en wel luidt. Xenophanes

van Colophon [241] eindelijk spot met het veelgodendom van Homerus, en

erkent ook slechts éene godheid, namelijk: de rusteloos voortbrengende

natuurkracht, wier wezen de gedachte, het verstand en de eeuwigheid

is. Uit haar is alles voortgekomen. Zij is de kracht, die zich

zelve eeuwig gelijk blijft, terwijl de stoffelijke schepping onder

bestendige afwisseling zich volmaakt en vernieuwt. Dat onweerstaanbaar

en smachtend verlangen in onzen boezem naar een hooger wezen boven ons,

dat ons steunen kan, wanneer onze eigene krachten ontoereikend blijken;

dat onverklaarbare gedreven worden naar een stilzwijgenden vertrouwde,

wien wij van het lijden en al de zaligheid van ons hart deelgenoot

kunnen maken; de dankbaarheid, die wij ondervinden bij de aanschouwing

dezer schoone wereld, en van al het goede dat ons deel is, noemen wij

vroomheid.--Laat dat gevoel in u blijven leven, maar vergeet niet,

dat niet de Egyptische, niet de Grieksche, niet de Perzische goden,

allen op zichzelve staande, de wereld regeeren, maar dat zij allen éen

zijn; dat eene ondeelbare godheid, hoe onderscheiden men haar ook moge

noemen en voorstellen, het lot aller volkeren en menschen bestuurt."

De Perzische vrouwen hoorden den grijsaard met de hoogste verbazing

aan. Haar weinig geoefend verstand vermocht den gedachtenloop van

den grijsaard niet te volgen. Nitetis echter had hem begrepen en

antwoordde: »Mijne moeder Ladice, ook eene leerlinge van Pythagoras,

heeft mij hetzelfde geleerd. Maar de Egyptische priesters noemen zulke

begrippen misdadig, en hen die ze aanhangen godenverzakers. Daarom

heb ik altijd mijn best gedaan, om zulke gedachten uit mijn hart

te verbannen. Maar van nu aan geef ik dien strijd op. Wat de goede,

deugdzame en wijze Cresus gelooft, kan niet slecht, niet goddeloos

zijn. Oropastes kan komen! Ik ben bereid zijn onderricht te ontvangen,

en voor onzen Amon, den God van Thebe, Aoeramazda, voor Isis of

Hathor, Anâhita in de plaats te stellen. Eerbiedig zal ik opzien

tot de godheid, die de gansche wereld omvat, die ook hier alles laat

groeien en bloeien, en die ook verkwikking en troost doet nederdalen

in de harten der Perzen, die zich tot hem wenden."

Cresus glimlachte. Hij had zich voorgesteld, dat het vrij wat meer

moeite zou kosten, Nitetis te bewegen afstand te doen van de goden van

haar land, daar hij de halsstarrige ingenomenheid der Egyptenaren met

hunne oude overleveringen en eenmaal opgevatte meeningen kende. Maar

hij had niet bedacht, dat de moeder dezer jonkvrouw eene Helleensche,

en de leer van Pythagoras aan de dochter van Amasis niet vreemd

gebleven was. Bovendien wist hij ook niet, met welk eene vurige

begeerte het hart dezer maagd vervuld was, om haar trotschen

heer en gemaal welgevallig te zijn. Amasis zelf zou, hoe hoog hij

den Samischen wijze ook achtte, hoezeer hij zich ook dikwijls door

Griekschen invloed liet beheerschen, en met volle recht een vrijdenkend

Egyptenaar mocht worden geheeten, liever zijn leven hebben afgelegd,

dan zijn veelgodendom met het begrip van eene 'godheid' te verwisselen.

»Gij zijt eene zeer ontvankelijke leerling," zeide Cresus, terwijl

hij de hand op het hoofd zijner beschermeling legde. »Tot belooning

daarvoor zal u worden toegestaan, uwe ochtenden en namiddagen, tot

aan het ondergaan der zon, bij Cassandane door te brengen, of op de

hangende tuinen te slijten, in gezelschap van Atossa."

Deze blijde tijding werd door de Perzische maagd met een jubelkreet,

door de Egyptische met een dankbaren blik beantwoord.

»Eindelijk," vervolgde Cresus, »heb ik u een bal- en ringspel uit

Saïs medegebracht, opdat gij u zoudt kunnen vermaken, gelijk gij dat

in Egypte placht te doen."

»Ballen?" vroeg Atossa verwonderd. »Wat zullen wij met die zware

houten kogels [242] beginnen?"

»Maak u niet ongerust," zeide Cresus, lachende. »De ballen, waarvan

hier sprake is, zijn zeer fijn en licht, en van eene opgeblazene

vischhuid of van leder gemaakt. Een kind van twee jaar zou ze kunnen

opwerpen, terwijl gij zulk een houten kogel, waarmede de Perzische

knapen en jongelingen spelen, bezwaarlijk zoudt kunnen tillen. Zijt

gij over mij tevreden, Nitetis?"

»Hoe zal ik u genoeg danken, mijn vader!"

»Laat mij u nu nog eens de verdeeling van uw dag herhalen: 's

morgens bezoekt gij Cassandane, keuvelt ge met Atossa, of leent ge

een luisterend oor aan het onderricht uwer verhevene moeder."

De blinde boog toestemmend het hoofd.

»Tegen den middag kom ik bij u, en onderwijs u in het Perzisch,

terwijl ik daarbij niet verzuimen zal u over Egypte en de uwen te

spreken. Als gij er ten minste niet tegen hebt."

Nitetis glimlachte.

»Om den anderen dag zal Oropastes bij u zijne opwachting maken,

om u in den godsdienst der Perzen in te wijden."

»Ik zal mij alle moeite geven, om hem spoedig te verstaan."

»'s Namiddags zult gij, zoo lang gij verkiest, met Atossa samenzijn. Is

het zoo goed?"

»O Cresus, mijn vader!" riep het meisje, terwijl zij de hand van den

grijsaard kuste.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 16 / 38 题