EERSTE HOOFDSTUK.

Zeven weken later bewoog zich op den grooten koningsweg [198], die

uit het westen naar Babylon voerde, een lange trein van allerlei

wagens en van ruiters van verschillenden rang naar de reuzenstad,

die reeds op verren afstand zichtbaar was.

Onder den door houten pijlers gedragen hemel van een kunstig

verguld, van binnen met goudbrocaat bekleed voertuig op vier

wielen, de zoogenaamde harmamaxa [199], die aan de vier zijden

door gordijnen kon worden gesloten, zat Nitetis, de dochter van den

koning van Egypte. Naast dezen wagen reden hare begeleiders, de ons

bekende Perzische edelen, en de onttroonde koning van Lydië met zijn

zoon. Hen volgden vijftig andere voertuigen en zeshonderd lastdieren,

terwijl eene afdeeling Perzische krijgslieden, op prachtige paarden,

den trein opende.

De weg volgde de kronkelingen van den Euphraat, door rijk

beladene tarwe-, gerst-, en sesamvelden [200], die tweehonderd-,

ja, dikwerf driehonderdvoudig vrucht droegen. Rijzige dadelpalmen,

vol goudgele vruchten, stonden allerwegen verspreid over de akkers,

die in alle richtingen door goed onderhouden slooten en kanalen

doorsneden werden. Niettegenstaande het in den wintertijd was,

schoot de zon uit den wolkenloozen hemel warme en heldere stralen

over de velden. De breede stroom wemelde van groote en kleine

vaartuigen, die de voortbrengselen van het Armenische hoogland

naar de vlakten van Mesopotamië vervoerden, en de meeste waren,

uit Griekenland en Klein-Azië afkomstig, van Thapsacus [201] naar

Babylon brachten. Pompwerktuigen en schepraderen besproeiden de akkers

en beplantingen langs de oevers, die met hunne talrijke dorpen een

levendig en vriendelijk landschap opleverden. Al wat zich aan het oog

voordeed bewees, dat men het middelpunt van een ouden, met groote zorg

bestuurden, hoofdzakelijk door den akkerbouw bloeienden staat naderde.

Voor een lang baksteenen huis, dat met zwart aardpek [202] was

bestreken, en aan welks zijden zich boschjes van platanen uitstrekten,

hield de wagen van Nitetis en haar gevolg stil. Cresus liet zich van

zijn paard helpen, naderde het voertuig der Egyptische koningsdochter,

en riep deze toe: »Wij zijn tot de laatste pleisterplaats genaderd. Die

hooge toren daarginds, die zich zoo scherp tegen den gezichteinder

afteekent, is de beroemde tempel van Bel, nevens uwe pyramiden

een der meest grootsche werken van menschenhanden. Eer nog de zon

ondergaat, zijn wij voor de metalen poorten van Babylon. Sta mij toe,

dat ik u uit den wagen help, en uwe dienstmaagden in dit huis tot

u zende. Thans moet gij u verkleeden, naar de wijze der Perzische

vorstinnen, opdat de oogen van Cambyzes een welgevallen in u mogen

hebben. Binnen weinige uren zult gij voor uw gemaal staan.--Wat ziet

gij bleek! Draag zorg, dat de vrouwen, door middel van blanketsel, aan

uwe wangen den blos der blijde ontroering geven. De eerste indruk is

dikwerf beslissend. Dit is voorzeker op niemand zoozeer van toepassing,

als op uw aanstaanden echtgenoot. Zoo gij hem, waaraan ik niet twijfel,

bij de eerste ontmoeting behaagt, kunt gij u verzekerd houden, zijn

hart voor altijd gewonnen te hebben; wanneer gij hem daarentegen heden

mishaagdet, zou hij u, tengevolge van zijn ruwe geaardheid, nimmer

weder met een blik verwaardigen.--Moed, mijne dochter, moed! Indien

gij slechts ter harte neemt, wat ik u gezegd heb, zal alles wel gaan!"

Nitetis pinkte een traan weg, dien zij niet vermocht te weerhouden,

en antwoordde: »Hoe zal ik u danken voor al uwe goedheid, Cresus,

mijn tweede vader, mijn beschermer en raadsman! O, verlaat mij ook

in het vervolg niet! Blijf mijn leidsman, gelijk op deze lange reis

over gevaarlijke bergpaden, wanneer mijn levensweg met smart en zorg

geplaveid mocht zijn. Dank, mijn vader, duizendwerf dank!"

Dit zeggende, sloeg de jonkvrouw hare mollige armen om den hals van

den grijsaard, en kuste zijn mond, als ware zij zijne eigene dochter

geweest.

Toen zij het voorhof van het donkere huis betrad, kwam haar

een man tegemoet, die door een aantal Aziatische dienstmaagden

werd gevolgd. Deze man, de overste der eunuchen [203], een der

aanzienlijkste Perzische hofbeambten, was hoog van gestalte en zeer

gezet. Een honigzoete lach speelde om zijn mond; op zijn aangezicht

was niet het geringste spoor van een baard te ontdekken; aan zijne

ooren bengelden kostbare sieraden; zijne armen en beenen, zijn hals

en zijne voor een man veel te lange kleederen waren overladen met

gouden ringen en kettingen; en zijne stijve, gefriseerde lokken,

die door een purperen band bijeen werden gehouden, waren doortrokken

van allerlei sterk riekende oliën.

De eunuch, Boges genaamd, boog zich eerbiedig voor de Egyptische

maagd neder en zeide, zijne vleezige, met ringen overladene hand

voor den mond houdende: »Cambyzes, de beheerscher der wereld,

zendt mij tot u, o koningin, opdat ik uw hart met den dauw van zijn

groet verkwikke. Hij zendt u verder door mij, zijn armsten knecht,

de kleederen der Perzische vrouwen, opdat gij, gelijk het der gade

van den grootsten aller koningen betaamt, in Medische dracht heden de

poort der Achaemeniden zoudt naderen. Deze vrouwen, uwe dienstmaagden,

wachten op uwe bevelen. Van een Egyptischen smaragd zullen zij u in

een Perzischen diamant veranderen."

Boges trad, na dit gezegd te hebben, terug, en veroorloofde den

waard van de herberg, met een teeken van nederbuigende goedheid,

de vorstin als welkomstgeschenk een korf aan te bieden, waarin de

keurigste vruchten bijzonder smaakvol waren geschikt.

Nitetis dankte de beide mannen op minzamen toon, trad daarop het

huis binnen, legde onder vele tranen den tooi van haar vaderland

af, en liet de dikke vlecht ter linkerzijde van het hoofd, het

onderscheidingsteeken van Egyptische vorstendochters [204], losmaken,

om zich volgens Medische wijze door vreemde handen te laten kleeden.

Haar gevolg beval intusschen een maaltijd op te dragen. Rappe

knechten haalden stoelen, tafels en gouden vaatwerk van de wagens;

de koks begaven zich met den meesten spoed aan den arbeid, en allen

hielpen elkander zoo snel en gewillig, dat als in een oogwenk een

rijk voorziene disch, waarop zelfs de bloemen niet gemist werden,

de hongerige reizigers toelachte. Op dezelfde wijze hadden zij het

zich gedurende deze lange reis altijd draaglijk weten te maken. De

lastdieren, die hen volgden, waren met alle mogelijke voorwerpen

tot gemak beladen, van waterdichte met goud doorwerkte tenten, tot

zilveren voetschabellen toe. Voorts werd een heer van bakkers, koks,

schenkers, voorsnijders, zalfbereiders, kransvlechters en haarkrullers

op wagens medegevoerd.

Buitendien waren er langs den grooten weg, van vier tot vier mijlen,

goed ingerichte vreemdelinghuizen. Hier werden de vermoeide paarden

en die onderweg waren neergevallen tegen andere verwisseld, hier

verleenden schaduwrijke boschjes eene beschutting tegen de hitte van

den middag, terwijl men in de huizen op de bergen, bij een warmen

haard, eene schuilplaats vond tegen sneeuw en koude. Deze Perzische

herbergen, die groote overeenkomst hadden met onze poststations,

dankten haar bestaan en hare verfraaiing aan den grooten Cyrus,

die door goed onderhouden wegen de geweldig groote afstanden in

zijn wereldrijk had zoeken te verkorten. Dezelfde vorst had ook

eene geregelde postbodendienst ingevoerd. Op elk station vonden deze

boden een plaatsvervanger op een versch paard, die gereed stond om

aanstonds te vertrekken. Na de brieven ontvangen te hebben, rende

deze postillon weder met de snelheid van den wind voort, om bij de

eerstvolgende herberg zijn valies aan den daar wachtenden ruiter toe

te werpen. Deze koeriers werden Angaren geheeten, en voor de snelste

ruiters ter wereld gehouden [205].

Toen het gezelschap, waarbij zich ook Boges gevoegd had, van tafel

opstond, werd de deur van de herberg weder geopend. Een lang gerekt

»Ha!" ontsnapte den mond der Perzen toen zij Nitetis aanschouwden in

de kostbare Medische hofkleeding. Zij stond daar voor hen, het hoofd

met vorstelijke waardigheid omhoog geheven, in het bewustzijn harer

zegevierende schoonheid, en tegelijk met een maagdelijken blos over

de verrukking harer vrienden. Onwillekeurig vielen de knechten, naar

Aziatisch gebruik, voor haar neder; de edele Achaemeniden daarentegen

bogen diep en eerbiedig. Het was als had de koningsdochter, met de

meer eenvoudige kleeding van haar vaderland, ook alle schuchterheid

afgelegd, en met het van goud en edelgesteente flonkerende zijden

gewaad der Perzische vorstin, den trots en de waardigheid eener

koningin aangetogen.

Dit bewijs van eerbied scheen haar te streelen. Met eene soort van

nederbuigende minzaamheid wenkte zij met de hand, en dankte hare

vrienden voor deze hulde. Daarop wendde zij zich tot den overste der

eunuchen [206], en zeide vriendelijk, maar tegelijk uit de hoogte:

»Gij hebt uw plicht gedaan. Ik ben niet onvoldaan over de kleederen

en de slavinnen, die ge mij bezorgd hebt. Ik zal mijn gemaal een

loffelijke getuigenis geven van uw ijver. Ontvang intusschen deze

gouden keten, ten teeken mijner erkentelijkheid."

De alvermogende opzichter van de vrouwen des konings kuste haar

kleed, en nam het geschenk zwijgend aan. Met zulk een trots was hij

nog nooit door eene der aan zijne zorg toevertrouwden bejegend. Tot

nu toe waren al de vrouwen van Cambyzes Aziatische, en deze plachten

altijd, de onbeperkte macht van den overste der eunuchen kennende, al

het mogelijke in het werk te stellen, om zijne gunst door vleierijen

en onderworpenheid te winnen.

Ten tweeden male boog de eunuch zich voor Nitetis. Zij wendde zich

echter, zonder verder op hem acht te geven, tot Cresus, en zeide:

»U, mijn liefderijken vriend, kan ik noch door woorden, noch door

eenig geschenk vergelden, wat gij aan mij gedaan hebt; want u alleen

zal ik het dank weten, als mijn leven aan dit hof, zoo al niet een

gelukkig, dan toch een vreedzaam leven zijn mag.--Neem dezen ring,"

zeide zij nu met luider stem, zoodat zij ook door de overige leden van

het reisgezelschap kon worden verstaan, »die sinds mijn vertrek uit

Egypte mijne hand niet verlaten heeft. Zijne waarde is gering; doch

zijne beteekenis is schoon. Pythagoras, de edelste aller Hellenen,

gaf hem aan mijne moeder, toen hij in Egypte de wijsheid onzer

priesters kwam afluisteren. Mijne moeder schonk hem mij, toen ik van

mijn vaderland afscheid nam. Op den eenvoudigen turkoois staat eene

zeven [207]. Dit volstrekt ondeelbare getal is het zinnebeeld van de

gezondheid van lichaam en ziel; want niets is ondeelbaarder dan de

gezondheid. Wanneer ook maar het kleinste deeltje van het lichaam krank

is, zoo lijdt de geheele mensch; wanneer zich eene slechte gedachte in

ons hart nestelt, dan is de harmonie der geheele ziel verstoord. Deze

zeven moge, zoo dikwerf gij er het oog op vestigt, u toeroepen, wat

ik u wensch: het ongestoord en onverdeeld genot van eene lichamelijke

gezondheid, en de lange voortduring van de liefderijke zachtmoedigheid,

die u tot den deugdzaamste, en daarom tot den gezondste aller menschen

maakt. Geen dank, mijn vader, want ik zou uwe schuldenares blijven,

zelfs al vermocht ik Cresus de schatten van Cresus weer te geven.--Gij,

Gyges, ontvang deze elpenbeenen Lydische lier, en gedenk de geefster,

zoo dikwijls gij de snaren tokkelt.--U, Zopyrus, bied ik deze gouden

keten aan, want gij zijt, gelijk ik gezien heb, de trouwste vriend

van uwe vrienden; en wij, Egyptenaren, geven aan onze godin der

liefde en der vriendschap, de schoone Hathor, als zinnebeeld van

haar bindend vermogen, banden en strikken in de liefelijke handen

[208].--U, Darius, u beminnaar van de wijsheid der Egyptenaren en

van den helderen sterrenhemel, schenk ik tot aandenken dezen gouden

band, op welken gij den dierenriem ziet, door eene bekwame hand in

het metaal gegraveerd [209].--Gij, Bartja, mijn lieve schoonbroeder,

zult eindelijk het kostbaarst kleinood ontvangen, dat ik bezit. Neem

deze amulet van blauw steen [210]. Mijne zuster Tachot hing ze mij om

den hals, toen ik haar voor de laatste maal goeden nacht wenschte, en

mijne lippen op de hare drukte. Zij zeide: 'deze talisman verschaffe

allen, die hem dragen, onvermengd geluk op aarde.' Zij weende, terwijl

ze dat zeide, Bartja!--Ik weet niet aan wie de lieve dacht, maar ik

hoop in haar geest te handelen, als ik haar kleinood in uwe handen

leg. Houd het er voor, dat Tachot het u door mijne tusschenkomst

aanbiedt, en gedenk nog dikwijls onze spelen in de tuinen van Saïs."

Tot hiertoe had zij Grieksch gesproken. Thans richtte zij in gebroken

Perzisch het woord tot de op eerbiedigen afstand wachtende dienaren:

»Ontvangt ook gijlieden mijn dank! Te Babylon zal ik u duizend gouden

staters [211] doen uitbetalen. Ik beveel u, Boges," vervolgde zij,

zich tot den eunuch wendende, »uiterlijk overmorgen deze som onder

de lieden te doen verdeelen.--Leid mij thans naar mijn wagen, Cresus!"

De grijsaard haastte zich aan dit verzoek te voldoen. Terwijl hij

Nitetis naar het voertuig geleidde, fluisterde zij hem toe, zijn arm

aan hare borst drukkende: »Zijt gij over mij tevreden, mijn vader?"

»Ik zeg u, meisje," antwoordde de grijsaard, »gij zult aan dit hof

de eerste worden, na de moeder van den koning, want op uw voorhoofd

zetelt de ware trots der koningin, en gij verstaat de kunst met weinig

veel te doen. Geloof mij, dat een klein geschenk, gelijk gij het weet

te kiezen en aan te bieden, den edele grooter vreugde verschaft, dan

een hoop goud, dien men hem voor de voeten werpt. Kostbare geschenken

te geven en te ontvangen is de gewoonte der Perzen. Zij verstaan de

kunst elkander te verrijken. Gij zult hun leeren, elkaar gelukkiger

te maken.--Wat zijt gij schoon!--Zit gij zóó goed, of verlangt gij

hooger kussens?--Maar wat is dat? Ziet gij, in de richting van de

stad, geene stofwolken oprijzen? Dat zal Cambyzes zijn die u tegemoet

trekt. Het hoofd omhoog, mijne dochter! Beproef toch vooral den

blik van uw gemaal te doorstaan en te beantwoorden. Slechts weinigen

kunnen het bliksemen van dat oog verdragen. Gelukt het u hem vrij en

onbedeesd in het gelaat te zien, zoo is uw spel gewonnen. Moed, moed,

mijne dochter! Aphrodite siere u met hare schoonste bevalligheid!--Te

paard mijne vrienden, ik geloof dat de koning ons te gemoet trekt!"

Nitetis zat in den gouden wagen met opgeheven hoofd, en drukte

de handen op haar hart. De stofwolken kwamen intusschen al nader

en nader. Reeds zag men de zonnestralen flikkeren op de blinkende

wapenen der naderende ruiterschaar, als bliksemstralen aan een

donkeren hemel. Nu eens verdeelde zich de wolk, om enkele afzonderlijke

gedaanten te laten zien, dan weer was de trein achter dicht geboomte,

bij eene kromming van den weg, verborgen. Maar op eens vertoonden zich

de ruiters zeer dicht in de nabijheid, nauwelijks honderd schreden

van haar verwijderd, volkomen duidelijk aan haar starenden blik.

De geheele stoet geleek eene bonte massa van paarden, mannen, purper,

goud, zilver en edelgesteenten. Meer dan tweehonderd personen, allen

op sneeuwwitte Nisaeische rossen gezeten, welker tuig en schabrakken

met gouden klokjes en gespen, vederen, kwasten en stikwerk waren

gemonteerd, volgden den man, die aanstonds te onderkennen was aan

den raafzwarten hengst dien hij bereed [212]. Telkens werd hij door

het edele dier in dolle vaart meegevoerd, doch even dikwijls deed

hij den vurigen, schuimenden viervoeter met reuzenkracht voelen,

dat hij juist de man was, om zijn overmoed te temmen. Deze ruiter,

wiens gespierde dijbeenen den hengst zoo krachtig omklemden, dat het

dier beefde en hijgde, droeg een kleed van scharlakenrood en wit,

bedekt met schier ontelbare zilveren arenden en valken van stikwerk

[213]. Zijne onderkleederen waren van purper en zijne laarzen

van geel leder. Om zijne heupen was een gouden gordel gegespt,

waarin een korte dolkvormige sabel stak, welker greep en scheede met

edelgesteenten bezaaid waren. Evenals de tulband van Bartja, was ook de

zijne met blauwe en witte banden der Achaemeniden omwoeld. Van onder

dit hoofdsieraad kwamen dichte gitzwarte lokken te voorschijn. Een

ontzaglijke baard van dezelfde kleur bedekte geheel het benedendeel

van zijn aangezicht. Zijn gelaat was bleek en strak; zijne oogen

daarentegen waren nog zwarter dan haar en baard, en daaruit straalde

geen verwarmend, maar een verzengend vuur. Een vuurrood litteeken,

het gevolg van den sabelhouw van een Massagetischen krijger, vormde

een diepe groef over zijn hooggewelfd voorhoofd, zijn grooten gebogen

neus en zijne smalle lippen. Geheel zijn uiterlijk droeg den stempel

van groote kracht en mateloozen trots.

Het was Nitetis niet mogelijk, ook maar voor éene seconde haar

blik van dezen man af te wenden. Zijn evenbeeld had zij nog

nooit aanschouwd. Als door toovermacht voelde zij zich tot hem

getrokken. Zij meende in dit onbedwingbaar trotsch gelaat het kort

begrip van alle mannelijke deugden te lezen. Het scheen haar, als

was de gansche wereld, en in de eerste plaats zijzelve, geschapen

om dezen man te dienen. Zij vreesde hem, en toch verlangde haar

hart met vrouwelijke onderworpenheid vurig, zich als de wijnrank

om den olmboom aan dezen sterken man te mogen vastklemmen. Zij wist

niet recht, of zij zich den vreeselijken Seth [214], den vader van

al wat boos is, of wel den gever van al wat licht en goed is, den

grooten Ra, dus had voorgesteld. Op haar gelaat wisselden hoogrood en

vaalbleek elkander af, gelijk licht en schaduw op den middag, wanneer

de hemel met wolken overtogen wordt. Zij vergat de raadgevingen van

haar vaderlijken vriend, en toch staarde zij, toen Cambyzes zijn

woest snuivend ros ter zijde van haren wagen tot stilstaan dwong,

met ingehouden adem in de vlammende oogen van den man, in wien zij

den koning zou hebben erkend, al had niemand het haar gezegd.

Het strenge gelaat van den beheerscher der halve wereld werd

steeds vriendelijker, hoe langer zij, tengevolge van eene soort van

aantrekkingskracht, zijn doordringenden blik doorstond. Eindelijk

wenkte hij haar met de hand een welkomstgroet toe, en reed dan naar

hare geleiders, die van hunne paarden waren gesprongen, en zich deels

voor den koning in het stof hadden geworpen, deels diep gebogen en,

volgens Perzisch gebruik, met de handen in de mouwen van hun gewaad

hun vorst ontvingen.

Thans sprong hij zelf van zijn hengst. Al de met hem gekomen ruiters

volgden zijn voorbeeld. Reeds hadden 's konings tapijtenleggers, snel

als de gedachte, een zwaar purperen dekkleed op den weg uitgespreid,

opdat de voet van den vorst het stof niet beroeren zou, en weinige

oogenblikken later begroette Cambyzes zijne vrienden en bloedverwanten,

terwijl hij hun zijn mond tot kussen bood. Vervolgens schudde hij

Cresus de rechterhand, gebood hem zijn paard weder te bestijgen,

en hem als tolk naar den wagen van Nitetis te volgen.

De aanzienlijkste hovelingen snelden toe, en hieven den koning

op zijn ros. Deze wenkte nu, en de trein stelde zich opnieuw in

beweging. Cresus draafde nevens Cambyzes aan de zijde van den gouden

wagen.

»Zij is schoon en mijn hart welgevallig," riep de Perzische vorst den

Lydischen grijsaard toe. »Breng mij nu getrouw over, wat zij op mijne

vragen zal antwoorden, want ik versta geen andere dan de Perzische,

de Assyrische en de Medische taal."

Nitetis had deze woorden verstaan. Eene zalige vreugde vervulde

haar hart, en nog voordat Cresus den koning had kunnen antwoorden,

sprak zij met zachte stem en sterk blozende, in gebroken Perzisch:

»Hoe zal ik de goden danken, dat zij mij genade in uwe oogen hebben

laten vinden! Ik ben niet geheel vreemdelinge in de taal van mijn

heer, want deze edele grijsaard heeft mij op onze lange reize in

het Perzisch onderricht. Vergeef mij, dat ik u slechts in gebroken

volzinnen vermag te antwoorden. Mijn leertijd toch was kort, en mijne

bevatting is slechts die eener eenvoudige, ongeleerde maagd [215]."

Om den anders zoo ernstigen mond van Cambyzes speelde een

glimlach. Zijne ijdelheid voelde zich gestreeld door den ijver van

Nitetis om hem aangenaam te zijn, en de volhardende vlijt van eene

vrouw kwam den Pers, die gewoon was de vrouwen te zien opgroeien in

onwetendheid en traagheid, terwijl zij zich slechts met opschik en het

smeden van listen bezighielden, even verwonderlijk als prijzenswaardig

voor. Daarom antwoordde hij met blijkbaar welgevallen: »Het verheugt

mij, dat ik zonder tolk met u kan spreken. Ga voort u toe te leggen

op het aanleeren van de schoone taal mijner vaderen. Mijn dischgenoot

Cresus zal ook in het vervolg uw leermeester zijn."

»Gij maakt mij zeer gelukkig door dit bevel," antwoordde de grijsaard,

»want ik zou mij geene dankbaarder en ijveriger leerling kunnen

wenschen, dan de dochter van Amasis."

»Zij bevestigt den ouden roem der Egyptische wijsheid," hervatte de

koning, »en ik vertrouw, dat zij ook het onderwijs der magiërs, die

haar in onzen godsdienst zullen onderrichten, zeer spoedig verstaan

en in hare ziel opnemen zal."

Nitetis sloeg de oogen neder. Wat zij zoozeer gevreesd had was

aanstaande. In plaats van de Egyptische, zou zij voortaan vreemde

goden moeten dienen.

Cambyzes bemerkte hare innerlijke ontroering niet, en vervolgde:

»Mijne moeder Cassandane zal u de verplichtingen, die op u als

mijne gemalin rusten, leeren kennen. Ik zelf zal u morgen tot haar

geleiden. Wat gij toevallig afluisterdet, herhaal ik u: Gij zijt mijn

hart welgevallig. Zorg dat dit zoo blijve! Wij willen beproeven uwe

liefde voor ons land te winnen. En als uw vriend geef ik u den raad,

Boges, dien ik u tegemoet heb gezonden, met minzaamheid te bejegenen,

want gij zult in vele dingen hem te gehoorzamen hebben, daar hij de

bestuurder is van het vrouwenverblijf."

»Al is hij de bestuurder van het vrouwenverblijf," antwoordde Nitetis,

»zoo denk ik toch, dat over uwe gemalin zelve geen sterveling dan

gij alleen te bevelen heeft. Wenk, en ik zal gehoorzamen; bedenk

evenwel, dat ik eene koningsdochter ben en uit een land afkomstig,

waar de zwakke vrouw in de rechten van den sterken man deelt;

dat ook mijne borst doordrongen is van den trots, dien ik uit uwe

oogen zie lichten, mijn gebieder!--U, den grooten man, mijn gemaal

en heer, wil ik als eene slavin gehoorzamen; maar om de gunst van

den onmannelijkste aller mannen, van een omkoopbaren knecht bedelen,

dat kan ik evenmin, als ik de wetten zou kunnen gehoorzamen, die hij

mij mocht willen voorschrijven."

De verbazing en het welgevallen van Cambyzes namen steeds toe. Zoo had

hij nog nooit eene vrouw, behalve zijne moeder, hooren spreken, en de

behendige wijze waarop Nitetis, zonder het zelve te vermoeden, zijne

macht over haar geheele bestaan erkende en op den voorgrond stelde,

bevredigde zijne eigenliefde. De trots behaagde den hoogmoedigen

man. Hij knikte de jonkvrouw goedkeurend toe en zeide: »Gij hebt

gelijk. Ik zal u eene eigene woning doen aanwijzen. Ik alleen zal u

bevelen, hoe gij u te gedragen hebt. Het vriendelijke huis boven op

de hangende tuinen zal nog heden voor u in orde worden gebracht."

»Dank, duizendwerf dank!" riep Nitetis. »O, zoo gij wist, hoe gelukkig

gij mij met dit geschenk maakt! Van de hangende tuinen heeft uw waarde

broeder, Bartja, mij veel moeten verhalen; en geene der heerlijkheden

van uw groot rijk behaagde ons zoozeer als de liefde van dien koning,

die dezen schoonen berg liet opwerpen."

»Morgen zult gij uwe nieuwe woning kunnen betrekken; zeg mij thans,

hoe mijne boden u en den Egyptenaren bevallen zijn?"

»Hoe kunt gij dit vragen? Wie zou dezen edelen grijsaard kunnen

leeren kennen, zonder hem te beminnen? Wie zou niet de schoonheid

der jonge helden, uwe vrienden, bewonderen? Zij allen zijn ons huis

dierbaar geworden. Maar vooral uw schoone broeder heeft aller harten

gewonnen. De Egyptenaren haten de vreemdelingen, doch zoodra Bartja

zich vertoonde, doorliep een gemompel van bewondering de menigte,

die zich rondom hem verdrong."

Terwijl de koningsdochter deze laatste woorden sprak, trok er eene

wolk over 's konings gelaat. Eensklaps gaf hij zijn paard een harden

slag, zoodat het steigerde, wendde het om, stelde zich aan de spits

van zijn gevolg, en bereikte na eenige minuten de muren van Babylon.

Nitetis, die als eene Egyptische van jongs af in de gelegenheid was

geweest, de stoutste gewrochten der bouwkunst te leeren kennen, was

desniettemin ten hoogste verwonderd over de verbazende uitgestrektheid

en de grootschheid dezer reuzenstad. Zij scheen haar volstrekt

onneembaar. De muren toch waren vijftig el hoog, en zóo breed, dat twee

wagens met het grootste gemak elkaar konden voorbijrijden. Tweehonderd

vijftig hooge torens kroonden en versterkten dezen reuzenwal, en dit

aantal zou nog niet voldoende zijn geweest, zoo Babylon niet aan éene

zijde door ondoorwaadbare moerassen ware beschermd geworden. De stad

was op de beide oevers van den Euphraat gebouwd. Haar omtrek was meer

dan negen mijlen, en binnen den steenen gordel harer muren verhieven

zich gebouwen, die in grootte zelfs de pyramiden en de tempels van

Thebe en Memphis overtroffen [216].

De poort door welke de koninklijke stoet de stad binnentrok, had

voor de aanzienlijke personages hare vijftig el hooge metalen deuren

wijd geopend. Deze toegang werd aan weerszijden bestreken door een

vesting-toren, voor welken zich als schildwacht een reusachtige

gevleugelde stier van steen, met een ernstig, baardig menschelijk

aangezicht, in liggende houding, verhief [217]. Deze monsters waren

eene zinnebeeldige voorstelling van de almacht der goden. De hoogste

kracht was uitgedrukt door de gestalte van den stier, het hoogste

verstand door het menschelijk hoofd, de grootste snelheid door

adelaarsvleugels. Met verbazing zag Nitetis tot deze reuzenpoort op;

met blijde ontroering dwaalden hare oogen door de straten der groote

stad, die haar ter eere haar schoonste feestgewaad had aangetogen.

Zoodra de koning en de gouden wagen zichtbaar werden, barstte de

saamgevloeide menigte in luide vreugdekreten los. Maar het gejuich

klom tot een onafgebroken en donderend gejubel, toen het volk den

terugkeerenden Bartja, zijn lieveling, opmerkte. De menigte had ook

Cambyzes in langen tijd niet gezien, want de koning vertoonde zich,

overeenkomstig Medisch gebruik, slechts zelden in het openbaar. Hij

behoorde onzichtbaar te regeeren, evenals de godheid, en zijne

verschijning voor de oogen des volks moest, als het grootste feest,

door allen steeds met smachtend verlangen verbeid worden. Zoo had

zich dan ook heden geheel Babylon opgemaakt, om den gevreesden

gebieder en den geliefden jongsten zoon van Cyrus te zien en te

begroeten. Alle vensters waren door nieuwsgierige vrouwen bezet, die

de voorbijtrekkende bloemen voor de voeten wierpen, en welriekende

wateren over het hoofd uitstortten. De geheele weg was met myrten- en

palmtakken bestrooid; allerlei groene boomen stonden voor de deuren;

uit de vensters hingen tapijten en stukken doek; van huis tot huis

waren bloemguirlanden opgehangen; de geuren van wierook en sandelhout

vervulden de lucht, en dicht op elkander gepakt stonden, aan beide

zijden van den weg, duizenden gapende Babyloniërs, in witte linnen

hemden, veelkleurige wollen rokken en korte manteltjes, die lange

stokken, op wier punten gouden, zilveren en ivoren granaatappels,

vogels of rozen bevestigd waren, in de handen hielden [218].

Al de straten, waardoor de stoet voorttrok, waren breed en recht; de

van gebakken steen gebouwde huizen deftig en hoog [219]. Maar boven

alle huizen en torens verhief zich de reuzentempel van den god Bel,

met zijn verbazende trap, die zich buiten om het ronde, torenvormige

gebouw, dat uit acht verdiepingen bestond, gelijk eene monsterslang

omhoog slingerde, naar de spits, die het eigenlijk heiligdom droeg

[220].

Nu naderde de trein den burcht des konings [221], welks

afmetingen geheel evenredig waren aan den grootschen aanleg

van de gansche stad. De muren die het paleis omgaven, waren met

verglaasde veelkleurige beeldwerken bedekt, die in eene bonte

mengeling menschen, vogels, zoogdieren en visschen, jachtpartijen,

krijgstooneelen en feestelijke optochten voorstelden. Noordwaarts,

langs den rivieroever, verrezen de hangende tuinen [222], oostwaarts,

op den tegenovergestelden oever, lag de tweede, kleinere koningsburcht,

met den eersten door eene vaste steenen brug verbonden.

De stoet trok de metalen poorten der drie het paleis omgevende

muren binnen. De paarden van den wagen van Nitetis stonden stil;

voetbankdragers hielpen haar uitstappen. Zij was nu in haar nieuw

vaderland, en kort daarop in de haar voorloopig tot woning aangewezene

vertrekken van het vrouwenhuis aangekomen.

Cambyzes, Bartja en de ons bekende vrienden stonden nog, door honderd

aanzienlijke waardigheidbekleeders omgeven, op het slotplein, dat

met veelkleurige tapijten belegd was, toen men luide vrouwenstemmen

vernam, en eene bij uitnemendheid schoone jonge Perzische maagd,

in kostbare kleeding, wier volle blonde haren met rijke parelsnoeren

waren omwonden, door verscheidene andere vrouwen gevolgd, het plein op

en de mannen tegemoet snelde. Cambyzes stelde zich het driftige meisje

glimlachend in den weg; zij wist hem echter met eene vlugge wending

voorbij te komen, en hing een oogenblik later, nu eens lachende dan

weer weenende aan Bartja's hals.

De vrouwen die haar volgden, wierpen zich op eerbiedigen afstand

ter aarde. Toen het meisje inmiddels voortging den wedergekeerde met

liefkoozingen te overladen, riep Cambyzes: »Schaam u, Atossa! Bedenk

dat gij, sedert gij de oorringen draagt [223], opgehouden hebt,

een kind te zijn. Ik heb er niets tegen, dat gij u verblijdt over de

behoudene wederkomst van uw broeder; maar zelfs te midden der vreugde

mag eene koninklijke jonkvrouw de betamelijkheid niet uit het oog

verliezen. Maak thans, dat gij weder bij uwe moeder komt! Daar ginds

zie ik uwe dienstmaagden. Ga, en zeg haar, dat ik u ter wille van dezen

vreugdedag ongestraft zal laten. Waagt gij 't echter andermaal tot deze

plaats door te dringen, die voor iederen ongeroepene gesloten is, zoo

zal ik Boges last geven u twaalf dagen lang op te sluiten. Onthoud dit,

gij wildzang, en zeg aan onze moeder, dat ik haar aanstonds met Bartja

een bezoek zal brengen. Geef mij nu een kus!--Gij wilt niet? Zijt ge

boos? Wacht maar, stijfhoofd!"

Bij deze woorden sprong de koning op het meisje toe, hield hare beide

handen met zijne linker zoo vast te zamen, dat zij kermde van pijn,

boog met de rechter het lieve hoofdje achterwaarts, en kuste zijne

weerstrevende zuster, die daarop weenende hare dienstmaagden tegemoet

liep, en ijlings naar hare woning terugkeerde.

Toen Atossa verdwenen was, zeide Bartja: »Gij hebt de arme kleine te

hart aangegrepen, Cambyzes; zij kreet van pijn."

Het gelaat van den koning betrok. Hij hield echter het barsche antwoord

terug, dat hem op de lippen zweefde en zeide, zich naar het huis

keerende: »Kom thans mede naar onze moeder; zij heeft mij verzocht

u tot haar te leiden, zoodra gij zoudt zijn aangekomen. De vrouwen

hebben geen rust, vóor dat zij haren aangebeden lieveling weder bij

zich hebben. Nitetis zeide mij, dat gij ook de Egyptische vrouwen met

uwe blonde lokken en rooskleurige wangen betooverd hebt. Bid Mithra

[224] toch gedurig, dat hij u eene eeuwige jeugd schenke, en u de

rimpels van den ouderdom spare!"

»Wilt gij daarmede zeggen," vroeg Bartja, »dat ik geene deugd bezit,

die ook den ouderdom ten sieraad kan verstrekken?"

»Ik ben aan niemand verklaring schuldig van den zin mijner

woorden. Kom!"

»Ik zal u echter verzoeken, mij in de gelegenheid te stellen u

te bewijzen, dat ik in mannelijke deugden bij geen enkelen Pers

achtersta."

»Het gejubel der Babyloniërs had u anders kunnen leeren, dat gij

geene daden behoeft te doen, om liefde en achting te verwerven."

»Cambyzes!"

»Kom nu! De oorlog met de Massageten staat voor de deur. Alsdan zult

gij gelegenheid te over hebben, om te toonen wat gij kunt, en wie

gij zijt!"

Weinige oogenblikken later rustte Bartja aan den boezem zijner blinde

moeder, die met een kloppend hart den lieveling, die zoolang van haar

gescheiden was geweest, verbeid had. En thans, nu zij eindelijk het

geluid zijner stem vernam, en hare handen het dierbare hoofd betastten,

vergat zij alle anderen om haar heen, ja, sloeg zij zelfs geen acht op

haren eerstgeboren zoon, den machtigen koning, die het met verkropte

spijt aanzag, hoe zich een volle stroom van moederliefde over zijn

jongeren broeder ontlastte.

Van Cambyzes' vroegste jeugd was elke zijner wenschen vervuld geworden,

iedere zijner oogwenken als een bevel gehoorzaamd. Vandaar dat hij

geene tegenspraak kon dulden, en zich geheel aan zijn snel opbruisenden

toorn overgaf, wanneer een zijner onderdanen, en hij kende geene andere

menschen dan dezulken, het waagde hem tegen te spreken. Cyrus, zijn

vader, de machtige veroveraar der halve wereld, wiens groote geest

het kleine volk der Perzen tot het toppunt van aardsche macht had

gebracht; die zoo goed had begrepen, hoe hij aan tallooze ten onder

gebrachte stammen ontzag moest inboezemen, deze Cyrus had niet geweten,

hoe hij in den kleinen kring van zijn gezin het opvoedingswerk moest

volbrengen, waarin hij ten opzichte van groote staten zoo uitstekend

geslaagd was. Reeds in den knaap Cambyzes zag hij den toekomstigen

koning. Hij vergde van zijne onderdanen, dat zij het kind blindelings

zouden gehoorzamen, ofschoon hij daarbij vergat, dat hij die eenmaal

bevelen wil, eerst moet geleerd hebben zelf te gehoorzamen.

De vrouw zijns harten en de beminde zijner jeugd, Cassandane, had

hem eerst Cambyzes, toen drie dochters en eindelijk, vijftien jaren

later, Bartja geschonken. De eerstgeboren zoon had zich sinds lang

aan de ouderlijke liefkoozingen onttrokken, toen de jongere broeder

het levenslicht aanschouwde, en al de zorgen en de teederheid der

moeder voor zich alleen vorderde. De schoone, gevoelige, aanvallige

Bartja werd de oogappel van beide ouders; hem wijdden zij hunne

koesterende liefde, terwijl Cambyzes zich slechts over de groote

toegevendheid van vader en moeder te verblijden had. De toekomstige

koning onderscheidde zich in menigen oorlog door moed en dapperheid,

maar zijn heerschzuchtig en trotsch karakter deed hem slechts

sidderende slaven vinden, terwijl de minzame, hartelijke Bartja de

hem omringenden met volle recht zijne vrienden mocht heeten. Het volk

eindelijk vreesde Cambyzes, en beefde als hij naderde, in spijt van de

rijke geschenken, die hij gewoon was met kwistige hand uit te strooien;

terwijl het den vriendelijken Bartja liefhad, en in dezen het evenbeeld

van den gestorven Cyrus, »den vader zijns volks," aanschouwde.

Cambyzes gevoelde zeer goed, dat hij de liefde, die men zijn broeder

van alle zijden geheel vrijwillig schonk, niet koopen kon. Hij

haatte Bartja niet, maar het verdroot hem dat een knaap, die zich

door geene daden had doen kennen, door alle Perzen als een held en

een weldoener vereerd en bemind werd. Alles wat hem niet behaagde,

hield hij voor onrecht, wat hij onrecht heette moest hij bestraffen,

en een bestraffend woord uit zijn mond was sedert zijne kindsheid

zelfs door de aanzienlijksten altijd gevreesd geworden. De opgewondene

vreugdekreten van het volk, de welsprekende uitingen van de liefde

zijner moeder en zuster, maar vooral de warme loftuitingen van Nitetis,

ontstaken thans eene ijverzucht in hem, die zijn trotsch hart tot op

dien dag niet gekend had.

Nitetis behaagde hem ongemeen. Deze vorstentelg, die zich aan zijne

grootheid volkomen onderwierp, en evenals hij al het geringere

met zekeren trots verachtte; deze dochter van een machtig koning,

die, om zijne gunst te winnen, zich groote moeite had getroost

tot het aanleren der Perzische taal; deze aanzienlijke jonkvrouw,

wier eigenaardige, half Egyptische, half Grieksche schoonheid (hare

moeder was eene Helleensche geweest), als iets nieuws, als iets dat

hij te voren nooit aanschouwd had, zijne bewondering in de hoogste

mate had gewekt,--had een diepen indruk op hem gemaakt. Daarom was

hij ontstemd geworden door hare, zoo geheel uit eigen beweging over

Bartja uitgesprokene lofuitingen, en hadden deze slechts gestrekt,

om zijn hart voor de ijverzucht te ontsluiten.

Toen hij met zijn broeder de vertrekken der vrouwen verliet, nam hij

een kort besluit, en riep hem toe, alvorens van hem te scheiden: »Gij

hebt mij verzocht u in de gelegenheid te stellen, uwe dapperheid door

daden te toonen. Ik wil u hierin ter wille zijn. De Tapoeren [225] zijn

opgestaan. Ik heb een leger naar hunne grenzen gezonden. Begeef u naar

Rhagae, neem het opperbevel over, en toon wat gij zijt en vermoogt!"

»Ik dank u, mijn broeder," riep Bartja; »mogen mijne vrienden Darius,

Gyges en Zopyrus mij vergezellen?"

»Ook deze gunst wil ik niet afslaan. Gedraag u als een held en talm

niet, opdat gij binnen drie maanden weder bij het groote leger moogt

zijn, dat in het voorjaar ter wraakoefening tegen de Massageten [226]

zal optrekken."

»Morgen reeds vertrek ik!"

»Het ga u goed!"

»Wanneer Aoeramazda mijn leven spaart, en ik als overwinnaar terugkeer,

wilt gij mij dan ééne bede toestaan?"

»Dat wil ik."

»O, thans zult gij zien dat ik de zege behaal, ook al stond ik met

duizend man tegenover tienduizend Tapoeren!"--'s Jongelings oogen

fonkelden. Hij dacht aan Sappho.

»Het zal mij verheugen, als gij uwe schoone woorden

verwezenlijkt. Maar, wacht even, ik heb u nog iets te zeggen. Gij

zijt twintig jaar oud en moet trouwen. Roxane, de dochter van den

edelen Hydarnes, is huwbaar geworden. Zij moet schoon zijn, en is

uwer waardig, wat hare afkomst betreft."

»O, mijn broeder, spreek mij niet van trouwen, ik..."

»Gij moet eene vrouw nemen, want ik ben kinderloos."

»Maar gij zijt jong, en zult niet zonder nakomelingen blijven. Ook zeg

ik niet, dat ik in het geheel niet wil huwen. Wees niet boos op mij,

maar juist thans, nu ik bewijzen zal man te zijn, wil ik niets van

trouwen weten!"

»Dan moet gij Roxane trouwen, wanneer gij uit het Noorden zult zijn

teruggekeerd. Maar ik raad u de schoone met u in het veld te nemen. De

Pers vecht gewoonlijk veel beter, wanneer hij, behalve zijne schatten,

ook eene schoone vrouw in zijne legerplaats te verdedigen heeft."

»Verschoon mij hiervan, mijn broeder. Bij de ziel van onzen vader

bezweer ik u, straf mij niet met eene vrouw, die ik niet ken en niet

mag kennen. Geef Roxane aan Zopyrus, die de vrouwen bemint, geef haar

aan Darius of Bessus, beiden verwanten van Hydarnes. Ik kan haar niet

beminnen, en gij zoudt mij dus slechts ongelukkig maken..."

Cambyzes lachte en riep, zijn broeder in de rede vallende: »Het is

als hadt gij opgehouden een Pers te zijn; als waart gij geheel een

Egyptenaar geworden. Voorwaar, het berouwt mij reeds, dat ik een knaap

als gij zijt in den vreemde heb gezonden! Maar ik ben niet gewoon mij

te laten weerstreven, en na afloop van dezen krijg neem ik dus geene

verontschuldigingen aan. Thans kunt gij mijnentwege zonder vrouw ten

strijde gaan, want ik wil u niet iets opdringen, dat, naar gij meent,

slechts gevaarlijk zou zijn voor uwe dapperheid. Overigens komt het

mij voor, dat gij nog andere geheime gronden hebt, om geen genoegen

te nemen in mijn broederlijken voorslag. Dat zou mij om uwentwil leed

doen. Trek nu met het leger op. Na den krijg laat ik geen tegenspraak

gelden. Gij kent mij!"

»Misschien kom ik zelf u na den krijg om datgene vragen, wat ik

thans niet van u mag aannemen. Even slecht als het is, iemand in zijn

ongeluk te storten, even onverstandig is het, een mensch te willen

dwingen om gelukkig te worden. Ik dank u voor uwe toegevendheid."

»Stel die maar niet te dikwijls op de proef!--Hoe gelukkig ziet gij er

uit! Ik geloof vast dat gij verliefd zijt, en ter wille uwer schoone

alle andere vrouwen veracht."

Bartja bloosde tot achter de ooren, terwijl hij de hand van zijn

broeder greep, en riep: »Onderzoek thans niet verder. Ontvang nogmaals

mijn dank, en vaarwel! Veroorlooft gij mij, nadat ik van onze moeder

en van Atossa afscheid genomen heb, ook Nitetis vaarwel te zeggen?"

Cambyzes beet zich op de lippen, en zag Bartja doordringend aan. Toen

hij bemerkte dat zijn broeder zijn bliksemend oog niet verdragen kon,

riep hij scherp en dreigend: »Maak gij maar dat ge bij de Tapoeren

komt! Mijne gemalin heeft uwe bescherming niet meer van noode. Zij

heeft thans anderen die haar bewaken."

Dit zeggende, keerde hij Bartja den rug toe, en begaf zich naar

de met goud, purper en edelgesteenten rijk versierde voorzaal,

waar veldheeren, satrapen, rechters, schatmeesters, schrijvers,

raadsheeren, eunuchen, deurwachters, beambten, wier roeping was

de vreemdelingen voor den koning te geleiden, kamerdienaars, uit-

en aankleeders, schenkers, stalmeesters, jachtoversten, lijfartsen,

oogen en ooren des konings [227] en boden van allerlei soort hem

verbeidden. Herauten met staven in de handen traden voor hem uit,

terwijl hij gevolgd werd door een gansch heir van waaier-, draagstoel-

en voetbankdragers, tapijtleggers en schrijvers, welke laatsten

ieder bevel huns heeren, iedere met een wenk gedane inwilliging,

elke uitgeloofde belooning of gevelde straf aanstonds opteekenden,

en aan de bevoegde ambtenaren ter uitvoering overbrachten.

In het midden der helder verlichte zaal stond eene vergulde tafel,

die bijkans bezweek onder den last van gouden en zilveren vaatwerk,

borden, bekers en schalen, die in de keurigste orde waren geschikt. In

een door purperen gordijnen afgesloten zijvertrek zag men eene

kleine tafel, bezet met eetgereedschappen, welker waarde vele

millioenen moet hebben bedragen. Hier placht de koning den maaltijd

te gebruiken. Het voorhangsel verborg hem voor de blikken der andere

spijzenden, terwijl hij de geheele zaal kon overzien, en de minste

beweging zijner dischgenooten waarnemen [228]. Tot het getal dezer

dischgenooten te behooren was, ook voor den meest eerzuchtige, de

grootste onderscheiding die men zich denken kon, ja, reeds hij mocht

zich beroemen een bijzonder bewijs van gunst te hebben ontvangen,

aan wien slechts een deel van de tafel des konings was toegezonden.

Toen hij de zaal binnentrad, wierpen zich bijna al de aanwezigen

voor hem neder; alleen zijne bloedverwanten, kenbaar aan de blauwe

en witte strepen op hunne tulbanden, vergenoegden zich met eene

eerbiedige buiging.

Nadat de koning in zijn vertrek had plaats genomen, zetten zich ook

zijne gasten, en nu begon men op eene verbazende wijze den disch

eere aan te doen. Gebradene dieren werden in hun geheel opgebracht,

en toen de eetlust bevredigd was, werd door een tal van dienaren eene

ontzaglijke massa van de vreemdsoortigste snoeperijen opgedragen,

die later, als »Perzisch nagerecht," zelfs bij de Grieken groote

vermaardheid verkregen [229]. Daarop verschenen slaven, die de tafel

van de overblijfselen van het maal zuiverden, terwijl andere dienaren

reusachtige wijnkruiken brachten. De koning verliet zijn vertrek, om

zich aan het hoogereinde der tafel in de groote zaal te plaatsen. Een

tal van schenkers vulden op de sierlijkste wijze de gouden bekers en

proefden den wijn, ten bewijze dat deze geen vergif bevatte. Weldra

was een dier drinkgelagen in vollen gang, waarbij later Alexander de

groote de matigheid, ja zelfs de vriendschap vergat [230].

Cambyzes was dien dag buitengewoon stil. In zijne ziel had zich het

vermoeden genesteld, dat Bartja zijne nieuwe gemalin beminde. Waarom

had de jongeling zich, tegen alle gebruiken in, zoo bepaald afkeerig

getoond van een huwelijk met eene aanzienlijke schoone maagd, terwijl

hem dit zoo vaak als een plicht was voorgehouden, omdat zijn broeder

kinderloos was? Waarom wilde hij Nitetis, vóor zijn vertrek naar

de Tapoeren, nog eenmaal zien? Waarom bloosde hij zoo, toen hij dit

verzoek deed? Waarom had die Egyptische hem zoo geroemd? »Het is goed,

dat hij van hier gaat, want hij mocht mij anders ook eens de liefde van

deze vrouw ontrooven," dacht de koning. »Ware hij niet mijn broeder,

ik zond hem daarheen, van waar niemand ooit terugkeert."

Na middernacht maakte hij een einde aan het zwelgen. Boges, de overste

der eunuchen, verscheen, om hem naar het vrouwenverblijf te geleiden,

waarheen hij zich op dit uur als zijne dronkenschap namelijk niet te

groot was, placht te begeven.

»Phaedime wacht u met ongeduld," zeide de eunuch.

»Laat haar wachten!" antwoordde de koning. »Hebt gij maatregelen

genomen tot het in gereedheid brengen van het paleis op de hangende

tuinen."

»Morgen kan het betrokken worden."

»Welke vertrekken hebt gij voor de Egyptische bestemd?"

»De vroegere woning van de tweede gemalin van uw vader Cyrus, de

gestorvene Amytis."

»Het is goed. Nitetis moet met den grootsten eerbied behandeld

worden. Gij zelf hebt haar geene andere bevelen te geven, dan die ik

u aan haar zal opdragen."

De eunuch boog zich zwijgend.

»Zorg er voor, dat niemand, zelfs Cresus niet, met haar spreke,

alvorens mijn .... zoo lang ik u geene andere bevelen geef."

»Cresus was hedenavond bij haar."

»Wat wilde hij van mijne gemalin?"

»Ik weet het niet, want ik versta geen Grieksch; maar ik hoorde

meermalen den naam Bartja uitspreken, en houd het er voor, dat de

Egyptische eenig treurig bericht heeft ontvangen. Haar gelaat stond

droevig, toen ik, nadat Cresus vertrokken was, kwam vernemen, of zij

nog iets te bevelen had."

»Angramainjus doe uwe tong verlammen!" bromde de koning, Boges den

rug toekeerende, en de fakkeldragers en uitkleeders volgende, die

hem naar zijne vertrekken geleidden.

Den volgenden dag, omstreeks den middag, vertrok Bartja met zijne

vrienden en een grooten stoet van dienaren, naar de Tapoerische

grenzen. Cresus verzelde de jonge helden tot aan de poort van

Babylon. Toen Bartja zijn grijzen vriend voor het laatst omarmde,

fluisterde hij hem toe: »Mocht de bode uit Egypte ook voor mij een

schrijven in zijn valies hebben, zoo zend mij dit achterna."

»Zoudt gij dan de Grieksche schrijfteekens kunnen ontcijferen?"

»Gyges en Eros zullen mij helpen!"

»Nitetis, wie ik van uwe afreize kennis heb gegeven, laat u groeten,

en u zeggen, dat gij toch vooral de Egyptische vrienden niet moet

vergeten."

»Voorzeker niet!"

»Zoo mogen de goden u behoeden, mijn zoon. Wees gelijk uw vader,

jegens de opstandelingen zachtmoedig, die niet uit woelzucht maar

ter verkrijging van het schoonste, dat de mensch bezit, de vrijheid,

aan het muiten zijn geraakt. Bedenk ook, dat weldaden bewijzen beter

is dan bloed vergieten. Want het zwaard doodt, maar de goedheid en de

zachtmoedigheid van den heerscher maken de menschen gelukkig. Staak

den strijd, zoodra gij kunt, want hij verandert den loop der

natuur. Gedurende den vrede toch overleven de zonen hunne vaders,

als 't oorlog is de vaders hunne zonen. Vaarwel, jonge helden, de

overwinning zij met u!"

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 15 / 38 题