Toen hij de vertrekken van zijn vader verlaten had, begaf Psamtik zich
onverwijld naar den tempel der godin Neith. Alvorens binnen te treden,
vroeg hij naar den opperpriester. De tempeldienaren verzochten hem
een oogenblik te toeven, daar de groote Neithotep zich juist in het
allerheiligste [140] van de verhevene koningin des hemels bevond. Kort
daarop verscheen een jong priester, en meldde dat zijn gebieder den
prins wachtte.
Psamtik verliet oogenblikkelijk het koele plekje, dat hij zich had
uitgekozen in het lommer der zilverpopulieren van het aan de godin
gewijde bosch, aan den oever van het aan de groote Neith geheiligde
meer [141]. Hij stak het met asphalt bevloerde eerste voorhof des
tempels over, waarop de verblindende zonnestralen als gloeiende pijlen
neerschoten, zooveel doenlijk in de schaduw blijvende van eene der
lange rijen van sphinxen, die tot de geheel op zichzelve staande
pylonen [142] van het grootsche huis der godin geleidden. Vervolgens
trad hij de ontzaglijk groote hoofdpoort binnen, die, evenals alle
Egyptische tempelpoorten, met de breedgevleugelde zonneschijf [143]
versierd was. Aan weerszijden van de wijdgeopende vleugeldeuren
verhieven zich schuinoploopende gebouwen, slanke obelisken en van hooge
staken wapperden vanen. Zoo kwam hij in het hof, dat aan de linker- en
rechterzijde door een zuilengang was afgesloten, in het midden waarvan
het offer aan de godheid werd gebracht. De geheele voorgevel van den
eigenlijken tempel, die als een vestingmuur in een stompen hoek voor
den steenen vloer van de ruime zuilengang oprees, was met veelkleurige
beelden en opschriften bedekt. Door de portiek kwam hij in een hooge
voorzaal en vervolgens in de groote ruimte, welker blauwe, met duizend
gouden sterren bezaaide zoldering door vier rijen reusachtige zuilen
gedragen werd. De schachten dezer zuilen en hare kapiteelen in den
vorm van lotusbloemen, de zijwanden en de nissen van deze ontzaglijke
zaal, kortom alles waarop het oog rustte, was met bonte kleuren en
hiëroglyphenteekens bedekt. De pijlers verhieven zich in kolossale
afmetingen en de ruimte was ontzagwekkend hoog en uitgestrekt. De
lucht, die de tempelbezoekers inademden, was geheel vervuld met
wierook en kyphigeuren, en van de dampen die voortkwamen uit het bij
den tempel behoorende laboratorium. Zonder ophouden liet zich eene
zachte muziek hooren, door onzichtbare kunstenaars voortgebracht, nu en
dan alleen afgebroken door het zwaar gebrul der heilige Isis-koeien of
het krassend geluid van de Horus-sperwers, die in eene bijzaal waren
gehuisvest. Zoodra het plechtstatig gebrul van eene koe, als van den
donder uit de verte, of de schrille zenuwschokkende kreet van eenen
sperwer, als van een bliksemstraal, die van de aarde opschiet naar den
hemel, werd gehoord, bogen zich alle aandachtigen, die op den grond
lagen neergehurkt, zoodat hun voorhoofd de steenen vloer van het met
zuilengangen omgeven voorhof raakte. Zij zagen allen met diep ontzag
naar het voor hen gesloten inwendig gedeelte des tempels, in welks
allerheiligste, uit éen enkel geweldig stuk graniet in den vorm van
eene kapel gehouwen, talrijke priesters stonden, van welke eenige
struisvederen op hunne glimmend kale hoofden, anderen panthervellen
over de schouders droegen. Onder zacht gebrom en luid gezang lagen zij
nu eens ter aarde, hieven zich dan weder op, slingerden wierookvaten
en sprenkelden voor de goden zuiver water uit gouden plengvaten. Hoe
nietig moest de mensch zich niet gevoelen in deze reuzenhal, waarin
echter alleen den meest bevoorrechte onder de Egyptenaren toegang werd
verleend. Zijn oog, zijn oor, ja zelfs zijne ademhalingswerktuigen
stonden hier enkel onder den invloed van indrukken, die hemelsbreed
verschilden van die in het dagelijksch leven, indrukken die de borst
beknelden en de zenuwen deden trillen. Als bedwelmd en geheel ontrukt
aan het werkelijke leven, moest de smeekeling wel een steunpunt buiten
zich zoeken. De stem van den priester wees hem op zulk een steun,
en de geheimzinnige muziek, zoowel als het geroep der heilige dieren,
waren voor hem teekenen van de nabijheid der godheid.
Nadat Psamtik voor een oogenblik eene biddende houding had aangenomen
op de voor hem bestemde gouden en met een kussen bedekte rustbank,
zonder evenwel te kunnen bidden, kwam hij bij de vermelde zaal, die
iets lager en kleiner was, in welke de heilige koeien van Isis-Neith
en de sperwers van Horus verpleegd werden. Een met gouddraad
rijkbestikt voorhangsel van de kostbaarste stof verborg deze zaal
voor de oogen der tempelbezoekers, want slechts zelden was het den
volke geoorloofd, zich te verheugen in de aanschouwing der dieren, die
eene goddelijke eer genoten. Juist toen Psamtik voorbijkwam werden in
melk geweekte koeken, zout en klaver in de gouden kribben der koeien,
en kleine vogels met bonte vederen in het sierlijk bewerkte huisje
van de sperwers gelegd. In de stemming waarin hij thans verkeerde,
had de prins geen oog voor dingen, die hem zoo goed bekend waren,
en zonder een oogenblik te verliezen, klom hij langs een verborgen
trap naar de naast de sterrenwacht gelegene vertrekken, alwaar zich
de opperpriester na het verrichten van den godsdienst, placht op te
houden en uit te rusten.
Neithotep, een grijsaard van zeventig jaren, zat in een prachtig
vertrek, waarvan de vloer met zware Babylonische tapijten was
belegd, op een vergulden leunstoel met een purperen kussen. Zijne
voeten rustten op eene kunstig gesnedene voetbank. Hij hield eene
met hiëroglyphen beschrevene rol in de hand. Achter hem stond een
knaap, die met eenen waaier van struisvederen de insekten van hem
verwijderd hield. Het aangezicht van den grijzen priester was vol
diepgegroefde rimpels, maar als jongeling moest hij eens zeer schoon
geweest zijn. Uit zijne groote blauwe oogen sprak nog altijd een
levendige geest en een krachtig zelfbewustzijn.
Neithotep had zijne valsche lokken afgelegd. Zijn gladde kale
schedel stak zeer scherp af bij het gerimpeld gelaat, en deed
het bij de Egyptenaren gewoonlijk vlakke voorhoofd ongemeen hoog
schijnen. Het bonte vertrek, waarvan de wanden met duizend spreuken
in hiëroglyphenschrift beschilderd waren, de verschillende gekleurde
standbeelden der godin, die hier en daar stonden, en de sneeuwwitte
kleeding des priesters moesten op den vreemdeling een even diepen
als vreemden indruk maken.
De grijsaard ontving den troonopvolger met groote hartelijkheid, en
vroeg hem: »Wat voert mijn doorluchtigen zoon tot den armen dienaar
der godheid?"
»Ik heb u zeer veel te berichten, mijn vader;" antwoordde Psamtik,
met zegevierenden glimlach, »want ik kom zoo even van Amasis!"
»Zoo, heeft hij u eindelijk gehoor verleend?"
»Eindelijk!"
»Uw gelaat zegt mij, dat gij door onzen heer, uw vader, met goedheid
ontvangen zijt geworden."
»Nadat ik den storm van zijn toorn had doorgestaan!--Toen ik het
verzoek, dat gij mij in den mond hebt gelegd, had voorgedragen,
ontvlamde hij in woede en verpletterde mij schier met de vreeselijkste
woorden."
»Gij zult hem getart hebben. Of zijt gij den koning, gelijk ik u
aanried, als een ootmoedig smeekeling en als een onderdanig zoon
genaderd?"
»Neen, mijn vader; ik was scherp en onwillig."
»Dan had ook Amasis het recht om toornig te worden, want het betaamt
den zoon nooit zijn vader tegen te treden met wrok en spijt in
't hart, en allerminst als hij hem iets te verzoeken heeft. Gij
kent de spreuk: Wie zijn vader eert, zal een lang leven ontvangen
[144]. Zie, mijn zoon, daarin dwaalt gij altijd, dat gij zaken,
die met goedheid en zachtheid gemakkelijk te verkrijgen zouden zijn,
met geweld en norschheid zoekt door te zetten.--Een goed woord vindt
eene goede plaats, en het komt er vooral op aan, hoe men zijn verzoek
inkleedt.--Hoort mij, ik wil u eene geschiedenis verhalen: Voor
vele jaren heerschte over Egypte koning Snefroe, die te Memphis zijn
verblijf hield. Deze droomde op zekeren dag, dat hem al de tanden uit
den mond vielen. Aanstonds ontbood hij een droomuitlegger en deelde
dezen zijn gezicht mede. En nu riep de uitlegger: 'Wee u, o koning,
al uwe bloedverwanten zullen voor u sterven!' De vertoornde Snefroe
liet den ongeluksbode geeselen, en riep een tweeden uitlegger. Deze
verklaarde den droom op de volgende wijze: 'Heil u, o groote koning,
want gij zult langer leven dan al uwe bloedverwanten!' De koning
glimlachte over deze woorden, en liet den tweeden uitlegger met
geschenken heengaan; want al zeide deze hem ook hetzelfde als de
eerste, hij had toch zijne verklaring in vrij wat lieflijker termen
weten in te kleeden.--Begrijpt gij den zin mijner geschiedenis? Zoo
laat het in de toekomst uw streven zijn, uwe wenschen in aangenamer
vormen voor te dragen, want voor het oor van een koning komt het
evenzeer aan op de wijze waarop men spreekt, als op hetgeen men zegt."
»Ach, mijn vader, hoe dikwerf hebt gij mij dit voorgehouden. Hoe
dikwerf heb ik ingezien, dat ik mij zelven met mijne ruwe woorden en
toornige gebaren schade berokken. Ik kan evenwel mijne natuur niet
veranderen, ik kan niet...."
»Zeg liever: ik wil niet; want wie in waarheid man is, moet, als hij
eenmaal iets gedaan heeft dat hem berouwde, dit niet meer doen. Maar
genoeg hiervan voor heden! Vertel mij, hoe gij den toorn van Amasis
bezworen hebt."
»Gij kent mijn vader. Toen hij zag dat zijne vreeselijke woorden mij
in het diepst mijner ziel gewond hadden, had hij berouw over zijne
opvliegendheid. Hij gevoelde dat hij te ver was gegaan, en wilde
zijne hardheid tot iederen prijs weder goedmaken."
»Hij heeft een edel hart, maar zijn geest is verblind en zijn gemoed
is verhard," riep de priester. »Wat zou Amasis voor Egypte niet kunnen
zijn, als hij acht wilde geven op onzen raad en op den wil der goden!"
»Ontroerd als hij was, stelde hij ten laatste het leven,--hoort gij
wel, mijn vader!--het leven van Phanes in mijne handen."
»Hoe vonkelen uwe oogen! Dat is niet zooals het behoort, Psamtik! De
Athener moet sterven, daar hij de goden beleedigd heeft. De rechter
behoort wel met strengheid oordeel te vellen, maar moet zich eer
bedroeven dan verblijden over het ongeluk van den veroordeelde. Spreek
uit: wat verkreegt gij verder van uw vader?"
»De koning deelde mij mede, aan wien Nitetis haar aanzijn verschuldigd
is."
»Anders niets?"
»Neen, mijn vader. Maar brandt gij niet van verlangen, om te
vernemen...."
»Nieuwsgierigheid is eene ondeugd van de vrouw; ook weet ik uw geheim
sinds lang."
»En gisteren hebt gij mij eerst opgedragen, het mijnen vader te
vragen."
»Dat deed ik om u op de proef te stellen, om mij te overtuigen, of
gij de bevelen der goden gehoorzaam genoeg waart, om waardig te zijn
toegelaten te worden tot den hoogsten graad van het weten. Ik hoor nu,
dat gij ons eerlijk verslag geeft van alles wat gij vernomen hebt, en
zie dat gij de eerste priesterdeugd, de gehoorzaamheid, in beoefening
weet te brengen."
»Alzoo weet gij, wie de vader van Nitetis was?"
»Ik zelf heb het gebed bij het graf van koning Hophra uitgesproken."
»Maar wie heeft u dit geheim verraden?"
»De eeuwige sterren, mijn zoon, en mijne kunst om in dit boek des
hemels te lezen."
»En bedriegen deze sterren nooit?"
»Hen, die de taal der sterren waarlijk verstaan, bedriegen zij nooit."
Psamtik verbleekte. De droom van zijn vader en zijn eigen vreeselijk
horoscoop kwamen hem als ontzettende schrikbeelden voor den geest. De
priester bespeurde aanstonds de verandering op het gelaat van den
prins, en voegde hem nu met zachter stem toe: »Gij denkt aan de
booze hemelteekenen, bij gelegenheid uwer geboorte, en acht u zelven
reddeloos verloren;--wees echter getroost, Psamtik, de sterrenkundigen
hebben toen éen sterrenbeeld over het hoofd gezien, dat aan mijn
blik niet ontgaan is. Uw horoscoop was zeer onrustbarend, voorzeker,
maar kan ten goede verkeeren, het kan..."
»O, spreek, mijn vader, spreek!"
»Het moet ten goede verkeeren, als gij alle andere dingen wilt
vergeten, en alleen voor de goden leven; als gij u voorneemt naar hunne
stem, die wij alleen in het allerheiligste verstaan, te luisteren,
en onvoorwaardelijk op te volgen wat zij u gebieden."
»Geef slechts een wenk, mijn vader, en ik zal gehoorzamen."
»Dat geve de godin van Saïs, de groote Neith!" riep de priester
op plechtigen toon.--»Laat mij thans echter alleen, mijn zoon,"
vervolgde hij minzaam, »ik ben zeer vermoeid van het langdurig
bidden, want ik gevoel dagelijks meer den last mijner jaren. Stel
het ombrengen van Phanes zoo lang uit, als het u mogelijk is, ik zou
hem gaarne spreken voor hij sterft.--Toch nog iets! Gisteren is er
eene bende Ethiopiërs hier binnengetrokken. Deze lieden verstaan geen
woord Egyptisch of Grieksch. Onder de leiding van een vertrouwd man,
die den Athener en de plaatselijke gesteldheid kent, zullen zij de
meest geschikte werktuigen zijn, om den veroordeelde uit de wereld te
helpen, daar hunne onbekendheid met de taal en met de toedracht der
zaak alle verraad of geklap onmogelijk maakt. Vóor hun vertrek naar
Naucratis mag deze lieden niets omtrent het doel van den tocht ter
ooren komen. Is de zaak afgeloopen, dan zenden wij hen naar Koesch
[145] terug. Een geheim, merk dit wel op, dat meer dan éen weet,
is reeds voor de helft verraden. Vaarwel!"
Psamtik verliet het vertrek van den grijsaard. Weinige oogenblikken
later trad een jong priester, een der dienaren des konings, binnen,
en vroeg den priester: »Heb ik goed toegeluisterd, vader?"
»Voortreffelijk, mijn zoon. Niets is u ontgaan van hetgeen Amasis
met Psamtik gesproken heeft. Moge Isis [146] u lang uw gehoor laten!"
»Och, vader, een doove had heden in het aangrenzende vertrek ieder
woord kunnen verstaan, want de koning brulde als een stier."
»De groote Neith heeft hem met onvoorzichtigheid geslagen. Ga thans,
houd de oogen wijd open, en breng mij dadelijk bericht, ingeval Amasis,
wat zeer wel mogelijk is, den aanslag tegen Phanes mocht zoeken te
verijdelen. Gij vindt mij altijd te huis. Beveel den dienaren, dat zij
allen moeten afwijzen, die mij mochten komen bezoeken, met te zeggen
dat ik in het allerheiligste bid. De Onnoembare geleide uwe schreden!"
Terwijl Psamtik alle noodige maatregelen nam tot de inhechtenisneming
van Phanes, ging Cresus met zijn gevolg scheep in een koninklijk
Nijlvaartuig, om naar Naucratis te varen, en dien avond bij Rhodopis
door te brengen. Zijn zoon Gyges en de drie jonge Persen bleven te
Saïs, alwaar zij den tijd zeer genoeglijk sleten.
Amasis overlaadde hen met vriendelijkheid, veroorloofde hun,
volgens het Egyptisch gebruik, met zijne vrouw en de zoogenaamde
tweeling-zuster te verkeeren, en onderwees Gyges in het damspel
[147]. Hij was vroolijk en onuitputtelijk in geestigheden, wanneer
hij zag, hoe de krachtige en behendige jonge helden zich vermaakten,
door met zijne dochters ballen en ringen te werpen, een lievelingsspel
der Egyptische jonge dochters [148].
»Waarlijk," riep Bartja, nadat Nitetis den fijnen, met bonte linten
versierden ring, zonder een enkele maal te missen, minstens voor
den honderdsten keer met haar dun ivoren staafje had opgevangen,
»dit spel moeten wij ook in ons land invoeren. Wij, Persen, denken
geheel anders dan gij, Egyptenaars. Al wat nieuw en vreemd heet,
is ons even welkom, als het bij ulieden gehaat schijnt te zijn. Ik
zal er onze moeder Cassandane van verhalen, en zij zal gaarne aan de
vrouwen mijns broeders verlof geven, zich met dit spel te vermaken."
»O, doe dat, doe dat!" riep de blonde Tachot, terwijl zij bloosde
tot achter de ooren. »Nitetis zal dan medespelen, en zich verbeelden
weder in het vaderland bij hare geliefde betrekkingen te zijn. Gij
echter, Bartja," vervolgde zij zachter, »moet ook aan dit uur denken,
zoo dikwerf gij de ringen ziet vliegen."
De jonge Pers antwoordde glimlachend: »Ik zal ze nimmer
vergeten!" Daarop riep hij luide en opgeruimd, zich tot zijne
aanstaande schoonzuster wendende: »Heb goeden moed, Nitetis, het
zal u bij ons beter bevallen, dan gij wel denkt. De Aziaten weten de
schoonheid te eeren; dit bewijzen wij reeds daardoor, dat wij vele
vrouwen nemen."
Nitetis zuchtte, en Ladice, de koningin, riep: »Juist daardoor toont
gijlieden, dat gij het karakter der vrouw volstrekt niet weet te
waardeeren. Gij kunt zelfs niet vermoeden Bartja, wat eene vrouw
gevoelt, als zij bemerkt dat de man, die haar dierbaarder is dan het
leven, om wiens wille zij alles wat haar lief en heilig is ten offer
wil brengen, op haar neerziet als op een schoon stuk speelgoed, een
edel ros, een kunstig bewerkt mengvat. En het is nog duizendmaal
smartelijker de liefde, die men zoo gaarne alleen zou bezitten,
met honderd andere te moeten deelen."
»Hoor me nu die jaloersche vrouw eens!" riep Amasis. »Spreekt zij niet,
als had zij zich reeds over mijne ontrouw te beklagen gehad?"
»O, neen, mijn beste," hervatte Ladice, »daarin staat gij,
Egyptenaars, boven alle andere mannen, dat gij trouw en standvastig
zijt in uwe liefde, en dat gij u tevreden stelt met hen, die u eens
dierbaar zijn geworden. Ja, ik durf tegen iedereen vol te houden,
dat geene vrouw ter wereld zoo gelukkig is, als de gade van een
Egyptenaar [149]. Zelfs de Grieken, die ons anders in vele dingen
tot voorbeeld kunnen strekken, weten de vrouw niet naar waarde te
schatten. In bedompte vertrekken, onafgebroken door de moeders of door
huishoudsters aangezet tot den arbeid aan weefstoel en spinrokken,
verkwijnen de meeste Helleensche meisjes reeds in hare kindsheid,
om wanneer zij eenmaal huwbaar zijn, in het stille huis van een haar
onbekenden echtgenoot te worden verplaatst, wiens vele staatkundige
en maatschappelijke werkzaamheden hem slechts zelden veroorloven
den voet in het vrouwenvertrek te zetten. Alleen dan, wanneer de
naaste vrienden en verwanten bij den heer des huizes te gast zijn,
mag zij, maar ook dan nog altijd schuchter en zwijgend, in den kring
der mannen verschijnen, om iets te vernemen van wat er in de wereld
omgaat en wat te leeren. Ach, ook in ons woont de zucht naar kennis,
en aan ons geslacht behoorde men allerminst de wetenschap van sommige
dingen te onthouden, daar wij als moeders wel het eerst geroepen zijn,
onze kinderen te onderwijzen. Wat zal eene Helleensche moeder, die
zelve niets weet, omdat zij nooit iets geleerd heeft, hare dochters
leeren? Daarom kan zich de Griek ook maar zelden met zijne, door het
huwelijk aan hem verbondene, doch in geest en verstand ver bij hem
achterstaande vrouw tevreden stellen. Hij gaat naar de huizen der
hetaeren, die gestadig met het mannelijk geslacht verkeeren, die de
mannen hunne kennis weten af te luisteren, en die de dus verkregene
wetenschap met de bloemen van vrouwelijke bevalligheid weten te tooien
en met het zout van haar fijneren zachteren geest te kruiden.
»In Egypte is het geheel anders. Hier mag de bloeiende maagd deelnemen
aan het ongedwongen gezellige verkeer met de edelsten en besten
der mannen. De jongeling en de jongedochter leeren elkaar op de
vele feesten kennen en beminnen. De vrouw is hier te lande niet de
slavin, maar de vriendin van den man. Zij vullen elkander aan. Geldt
het levensvragen, zoo beslist de sterkere; de geringere zorgen des
levens worden aan de vrouw overgelaten, die juist in het kleine
grooter is. De dochters groeien op onder hare uitmuntende leiding,
want de moeder is geene vrouw zonder kennis of ervaring. Het wordt
de vrouw gemakkelijk gemaakt, deugdzaam en huiselijk te blijven,
want juist door hare deugd en huiselijkheid verhoogt zij het geluk
van hem, die haar alleen toebehoort, wiens liefste bezitting te zijn
haar eenige roem is. Wij, vrouwen, zijn nu eens gewoon te doen wat
ons behaagt, doch de Egyptenaren verstaan de kunst ons zóo te leiden,
dat ons alleen behagen kan wat goed is.--Hier aan den Nijl zouden
Phocylides van Mylete en Hipponax van Ephesus nooit den moed gehad
hebben, hunne smaadliederen op ons te dichten; hier zou nooit de
legende van Pandora [150] in eenig menschelijk brein zijn opgekomen."
»Inderdaad, gij spreekt voortreffelijk!" riep Bartja. »Het heeft
mij ontzaglijk veel moeite en inspanning gekost Grieksch te leeren;
thans echter verheugt het mij, dat ik den moed niet verloor, en van
het onderwijs van Cresus zooveel mogelijk partij heb getrokken."
»Maar wie zijn die booze mannen, die het waagden van de vrouwen kwaad
te spreken?" vroeg Darius.
»Een paar Grieksche dichters," antwoordde Amasis, »de stoutste menschen
die ik ooit heb gekend. Want eer zou ik het wagen eene leeuwin, dan
eene vrouw boos te maken. Maar die Grieken deinzen voor niets ter
wereld terug. Verneem slechts dit staaltje van de poëzie van Hipponax:
Tweemaal in 't leven kan ons een' vrouw behagen,
Wanneer zij trouwt en--als zij grafwaarts wordt gedragen."
»Houd op, houd op, ondeugd!" riep Ladice, de ooren dicht
houdende. »Ziet, Persen, zoo is deze Amasis altijd. Als hij spotten
en gekscheren kan, dan doet hij het, ook al is hij het volkomen eens
met het voorwerp van zijn spot. Er is voorzeker geen beter echtgenoot
dan hij..."
»En geene slechtere vrouw dan gij," hernam Amasis lachend; »want gij
laadt waarachtig den schijn op mij, dat ik een maar al te gehoorzaam
gemaal ben.--Vaarwel kinderen; de jonge lieden verlangen van naderbij
met ons Saïs kennis te maken. Maar eerst wil ik hun nog laten hooren,
wat de booze Simonides van de beste vrouw zingt:
Één is der bij verwant. Gelukkig hij,
Wien zulk een vrouw haar hart en hand mocht geven:
Ze is trouw en teer; zij siert en kroont zijn leven,
En grijst, bemind en minnend, aan zijn zij.
Een wakker kroost, uit haren schoot gesproten,
Vlecht om haar kruin een nieuwen stralenkrans
Zij prijkt aan 't hoofd van haar geslachtsgenooten
In reinen, meer dan sterfelijken glans.
Zij zit niet neer bij wufte gezellinnen,
Die ijdle scherts en dartle taal beminnen,
Geen schooner lot schonk Zeus dan aan den man,
Die zulk een vrouw de zijne noemen kan.
»Een zulke is nu ook mijne Ladice. Vaarwel!"
»Nog niet!" riep Bartja. »Ik moet eerst mijn arm Perzië rechtvaardigen,
om mijne aanstaande schoonzuster met nieuwen moed te bezielen. Maar
neen! Darius, spreek gij voor mij, want gij verstaat de kunst van
spreken evengoed, als die van het rekenen en het hanteeren van het
zwaard!"
»Gij spreekt, als ware ik een zwetser en een kramer [151]," antwoordde
de zoon van Hystaspes. »Maar dat doet niets ter zake; ik brand reeds
lang van begeerte, om de zeden van ons vaderland te verdedigen. Weet
dan Ladice, dat uwe dochter in geenen deele de slavin, maar de vriendin
van onzen koning zal worden, wanneer slechts Aoeramazda [152] zijn hart
ten haren gunste neigt. Weet, dat ook in Perzië, hoewel alleen op hooge
feesten, de vrouwen des konings aan de tafel der mannen aanzitten,
en dat wij gewoon zijn onze vrouwen en moeders de hoogste achting te
bewijzen. Oordeelt gijlieden zelven, of de Egyptenaren hunne vrouwen
een schooner en grooter geschenk kunnen vereeren, dan zekere koning
van Babylon, die eene Perzische tot vrouw nam. Gewoon aan de bergen
van haar vaderland, gevoelde deze zich in de uitgestrekte vlakten
van den Euphraat diep ongelukkig, en kwijnde weg van hartzeer en
heimwee. En wat deed nu de koning? Op hooge gewelven liet hij een
reusachtig groot gebouw optrekken, en het bovenste gedeelte ervan met
eene zware laag vruchtbaren tuingrond bedekken. Hierin deed hij de
schoonste bloemen en boomen planten, terwijl door een zeer kunstig
samengesteld werktuig het onmisbare water werd opgepompt, om ze te
besproeien. Als het grootsche ontwerp geheel ten uitvoer was gelegd,
voerde hij zijne Perzische vrouw naar dezen toovertuin, en gaf haar
den kunstberg, van welks top zij als van de kruin van den Rachmed in
de vlakte kon nederzien, ten geschenke [153]."
»En werd de Perzische gezond?" vroeg Nitetis, met neergeslagene oogen.
»Zij herstelde en werd vroolijk, gelijk ook gij u binnen korten tijd
in ons land gezond en gelukkig zult gevoelen."
Ladice glimlachte en vroeg: »Wat zou wel het meeste hebben bijgedragen
tot de genezing der jonge koningin, de kunstige berg, of de liefde
van den echtgenoot, die zulk een reuzenwerk tot stand bracht om haar
op te beuren?"
»De liefde van haar gemaal!" riepen de meisjes.
»Maar Nitetis zal toch zeker den berg niet versmaden?" vroeg
Bartja. »Ik zal er ten minste zorg voor dragen, dat zij op de hangende
tuinen komt te wonen, telkens wanneer zich het hof te Babylon bevindt."
»Maar komt thans!" riep Amasis; »anders zult gij de stad nog in het
donker moeten bezien. Ginds staan reeds een uur lang twee schrijvers
op mij te wachten. Hola, Sachons, beveel den hoofdman der lijfwacht
onze hooge gasten met honderd man te volgen!"
»Maar waartoe dit? Eén gids bijvoorbeeld, éen Grieksch onderbevelhebber
is meer dan voldoende."
»Zoo is het beter, vrienden. Als vreemdeling kan men in Egypte nooit
te voorzichtig zijn. Neemt dit wel in acht; en zorgt ook vooral, dat
gij den spot niet drijft met de heilige dieren.--Vaartwel, mijne jonge
helden; heden avond hoop ik u bij den vroolijken beker weder te zien!"
De Persen verlieten het koninklijke paleis, voorafgegaan door hun
tolk, een Griek, die in Egypte was opgevoed, en beide talen [154]
even gemakkelijk sprak.
De straten van Saïs, in de nabijheid van het verblijf des vorsten,
zagen er zeer fraai en vriendelijk uit. De huizen, waaronder vele van
vijf verdiepingen hoog, waren meerendeels met beelden en hiëroglyphen
bedekt. Ook hadden de meesten aan de tuinzijde houten balkons
met balustraden van bontgekleurd beeldhouwwerk, door beschilderde
pijlers ondersteund. Op sommige der goed geslotene huisdeuren stond
de naam en de stand van de bewoners te lezen. Op de platte daken
zag men bloemen en boompjes, te midden van welke de Egyptenaren
des avonds vertoefden; als hen ten minste de nood niet drong om het
muggentorentje te bestijgen, dat op weinige woningen gemist werd, en
waar men de lastige insecten, door den Nijl in menigte aangekweekt,
doch die alleen in de laagte zweven, ontvluchten kon [155].
De jonge Persen maakten zich vroolijk over de groote, bijkans
overdrevene zindelijkheid van ieder huis in het bijzonder en zelfs
van de straten. De schilden op de deuren en de kloppers schitterden
in het zonlicht; de schilderingen op de muren, balkons en kolommen
waren zoo frisch en helder, als had men er zooeven de laatste hand
aan gelegd. Zelfs het plaveisel der straat wekte het vermoeden op,
dat men gewoon was het te schrobben. Naarmate de Persen zich verder
van den Nijl verwijderden, werden de straten onaanzienlijker. De stad
was tegen de helling van een tamelijk hoogen heuvel gebouwd, en had
zich, sinds voor derdehalve eeuw de residentie der pharao's, hierheen
was verlegd, in betrekkelijk korten tijd uit hare onbeduidendheid en
armoede tot eene machtige en groote stad ontwikkeld. In het gedeelte
der stad, dat zich langs den Nijl uitstrekte, waren de straten fraai
en zindelijk. Daarentegen lagen aan de andere zijde van den heuvel,
slechts zeldzaam door betere huizen afgewisseld, de uit Nijlslib en
acaciatakken samengestelde woningen der armen. In het noordwesten
der stad verhief zich de versterkte burg van den koning.
»Laat ons hier omkeeren," riep Gyges, de zoon van Cresus zijn jongere
makkers toe, over wie hij bij afwezigheid zijns vaders het toezicht
had, daar hij zag dat de menigte der nieuwsgierigen, die hen volgden,
bij iedere schrede grooter en lastiger werd.
»Gij hebt slechts te bevelen," gaf de tolk ten antwoord. »Anders,
daar beneden in het dal, aan den voet van gindschen heuvel, ligt
de doodenstad der Saïten, en deze is, zoo ik meen, wel waardig door
vreemdelingen bezocht te worden."
»Ga gij ons dan maar voor," riep Bartja. »Wij zijn toch immers
Prexaspes alleen gevolgd, om de merkwaardigheden van het buitenland
te zien."
Toen zij eindelijk nabij de doodenstad op een open, door de kramen
der handwerkslieden [156] omgeven plein waren gekomen, hoorde men
op eens door de nog steeds volgende menigte een luid geschreeuw
aanheffen. De kinderen juichten, de vrouwen gilden, en eene stem die
boven alle andere hoorbaar was brulde: »Komt herwaarts in het voorhof
des tempels, om de werken van den grooten toovenaar te zien, die
uit de oasen in het westen van Libyë geboortig is, en door Choensoe,
den uitdeeler van goede vindingen, en de groote godin Hekt met alle
wonderkrachten is toegerust!" [157]
»Volgt mij naar den kleinen tempel daarginds," zeide de tolk, »dan
zult gij zoo aanstonds eene zonderlinge vertooning zien."
Hierop baande hij zich met de Persen een weg door de menigte, nu eens
een naakt kind, dan weer eene taankleurige vrouw op zijde duwende,
en keerde spoedig terug met een priester, die de vreemdelingen in
het voorhof des tempels voerde. Hier stond een man in priestergewaad,
tusschen onderscheidene kisten en kasten. Twee Mooren knielden naast
hem op den grond. Deze Libyër [158], een reusachtige kerel, met zeer
buigzame ledematen en vurige zwarte oogen, hield een blaasinstrument
in den vorm onzer klarinet in de hand; om zijne borst en zijne armen
kronkelden zich ettelijke, in Egypte als vergiftig bekende slangen.
Toen hij de Persen gewaarwerd, boog hij zich, en noodigde hen met een
plechtig gebaar uit, om goed toe te zien. Daarop legde hij zijn wit
gewaad af, en begon toen allerlei kunststukken met zijne slangen te
verrichten. Nu eens liet hij zich door dezen bijten, dat het bloed
van zijne wang droop, dan weer dwong hij ze door de vreemde tonen
zijner fluit zich op te richten en bewegingen te maken, die op een
dans moesten gelijken, een andermaal deed hij ze, door ze in den bek
te spuwen, in onbeweeglijke staven veranderen. Eindelijk wierp hij
al de slangen op den grond en voerde in haar midden een wilden dans
uit, zonder een der dieren met de voeten te raken. Als een razende
draaide en kromde de toovenaar zijne slappe ledematen, tot hem de oogen
uitpuilden en bloedig schuim op zijne lippen stond. Eensklaps wierp hij
zich als dood ter aarde. Niets bewoog zich aan zijn lichaam, uitgenomen
de lippen, die een schel gesis deden hooren. Op dit teeken kropen de
slangen op hem toe, en legden zich als levende ringen om zijn hals,
zijne beenen en zijne armen. Eindelijk stond hij op en zong een lied
ter eere van de wonderbare macht der godheid, die hem, zichzelve ter
eere, tot toovenaar had gemaakt. Hierop opende hij een der kasten, en
borg daarin het meerendeel der slangen, slechts eenige, waarschijnlijk
zijne lievelingen, behield hij als hals- en armsieraden bij zich.
De tweede afdeeling zijner voorstelling bestond uit eenige goed
uitgevoerde proeven zijner goochelkunst. Hij at brandend vlas, hield
al dansende zwaarden, die met de spits in zijne oogholten rustten,
in evenwicht, haalde lange linten en strikken uit de neuzen van de om
hem heen staande Egyptische kinderen, vertoonde het bekende ballen- en
bekerspel, en deed de verbazing der toeschouwers ten toppunt stijgen,
door uit vijf struiseieren even zoo vele levende jonge konijnen te
voorschijn te goochelen.
De Persen waren op verre na niet de ondankbaarsten zijner toeschouwers;
op hen toch maakte dit nooit te voren door hen geziene schouwspel een
verbazenden indruk. Het was hun, als bevonden zij zich in het rijk der
wonderen. Van al de zeldzaamheden, die zij in Egypte al hadden gezien,
geloofden zij thans wel de allermerkwaardigste aanschouwd te hebben.
Denkende over hetgeen zij gezien hadden, waren zij weder tot de meer
aanzienlijke straten teruggekeerd, zonder op te merken hoe velen der
hen omringende Egyptenaars daar henen liepen zonder handen, neuzen of
ooren. Het was voor de Aziaten niet vreemd zulke ongelukkigen te zien,
want ook bij hen werden vele misdrijven met het afsnijden van eenig
lichaamsdeel gestraft. Hadden zij naar de redenen dier verminking
onderzoek gedaan, zij zouden vernomen hebben, dat in Egypte de van
zijne hand beroofde een op heeterdaad betrapte bedrieger, de vrouw
zonder neus eene overspelige, iemand zonder tong een landverrader
of een lasteraar, een man zonder ooren een verspieder was. De bleeke
vrouw, zou men hun gezegd hebben, die er uitziet als eene zinnelooze,
is de moordenares van haar kind. Tot straf voor deze misdaad, heeft zij
het lijkje van den verworgden zuigeling drie dagen en drie nachten op
hare armen moeten houden. Welke vrouw zou, na het einde van zulk eene
marteling, nog het verstand hebben behouden? De meeste strafwetten der
Egyptenaars hadden evenzeer de strekking om de misdaad te straffen,
als om den misdadiger buiten de mogelijkheid te stellen, zijn eerste
vergrijp te herhalen.
Eensklaps werden de vreemdelingen verhinderd verder te gaan. Eene
massa menschen had zich namelijk verzameld voor een der schoonste
huizen in de straat naar den Neith-tempel, welks weinige vensters--de
meeste bevonden zich aan de zijde van het voorhof en den tuin--met
luiken gesloten waren. In de geopende huisdeur stond een grijsaard,
gekleed in een eenvoudig wit gewaad, dat in hem den dienaar van
een priester deed herkennen. Onder luid geschreeuw trachtte hij een
aantal lieden van zijn eigen stand te beletten, eene groote kist uit
het huis te verwijderen.
»Wie geeft u het recht, mijn heer te bestelen?" riep hij met woedende
gebaren. »Ik ben de bewaarder van dit huis, en mijn heer heeft mij,
toen hij door den koning naar Perzië gezonden werd,--dat de Goden
mogen verdelgen!--bevolen vooral acht te geven op deze kist, in welke
zijne geschriften liggen!"
»Stel u gerust, oude Hib!" riep de tempeldienaar, dien wij bij de
aankomst van het Perzische gezantschap hebben leeren kennen. »De
opperpriester van de groote Neith, de heer van uw heer, heeft ons
herwaarts gezonden. In deze kist moeten al zeer zeldzame stukken
verborgen zijn, anders zou Neithotep ons niet vereerd hebben met het
bevel ze te halen."
»Maar ik zal niet gedoogen, dat het eigendom van mijn heer, den grooten
arts Nebenchari, weggevoerd worde!" schreeuwde de oude man. »Ik zal
mij aanstonds recht verschaffen, en des noods tot den koning gaan."
»Voorzichtig, mannen!" riep de tempeldienaar tot zijne
onderhoorigen. »Zóo is het goed. Maakt nu maar voort en brengt de kist
dadelijk naar den opperpriester. En gij, oude, zoudt wijzer handelen,
als gij uwe tong in toom hieldt, en bedacht dat ook gij een dienaar
van mijn heer den opperpriester zijt. Kom, maak maar dat gij in huis
komt, anders sleepen wij morgen uzelven nog weg, gelijk wij heden
de kist doen!"--Bij deze woorden sloeg hij de zware huisdeur dicht,
zoodat de oude man in het voorhuis teruggeworpen en aan de blikken
der steeds aangroeiende menigte onttrokken werd.
De Persen hadden dit vreemde tooneel aangezien, en lieten het zich
door hun tolk verklaren. Zopyrus lachte, toen hij vernam, dat de
eigenaar der door den oppermachtigen opperpriester in beslag genomene
kist de oogarts was, die zich ter behandeling van de oogziekte der
koningin-moeder in Perzië ophield, en zich door zijn ernstig, norsch
karakter aan het hof van Cambyzes niet zeer bemind had gemaakt. Bartja
wilde aan Amasis vragen, wat deze zonderlinge diefstal te beduiden
kon hebben; doch Gyges verzocht hem dringend zich niet te mengen in
zaken, die hem volstrekt niet aangingen.
De duisternis, die in Egypte snel op den dag volgt, begon zich reeds
over de stad uit te breiden. Toen de stoet bijna het paleis bereikt
had, werd Gyges plotseling staande gehouden door iemand, die hem
bij zijn kleed greep. Hij keek om en zag een hem onbekenden man,
die hem te kennen gaf dat hij zwijgen moest, door den vinger op de
lippen te leggen.
»Wanneer kan ik u alleen en onopgemerkt spreken?" fluisterde hij den
zoon van Cresus in het oor.
»Wat wilt ge van mij?"
»Vraag niets, maar antwoord schielijk. Bij Mithra [159], ik heb u
belangrijke dingen mede te deelen!"
»Gij spreekt Perzisch? Zijt gij dan geen Egyptenaar, gelijk ik uit
uwe kleeding zou opmaken?"
»Ik ben een Pers; maar antwoord spoedig, opdat wij niet te zamen
gezien worden. Wanneer kan ik u alleen vinden?"
»Morgenochtend vroeg."
»Dan is het te laat!"
»Welnu, dan binnen een kwartier, wanneer het volkomen donker is,
aan deze poort van het Paleis."
»Ik zal u wachten."
Met deze woorden verdween de man. Zoodra de stoet het paleis was
binnengegaan, verwijderde Gyges zich van Bartja en Zopyrus, stak zijn
zwaard in den gordel, verzocht Darius hetzelfde te doen en hem te
volgen. Weldra stond hij in het stikdonker aan de groote poort van
het paleis tegenover den vreemdeling.
»Aoeramazda zij geloofd, dat gij daar zijt!" fluisterde hij den jongen
Lydiër in het Perzisch toe. »Maar wie hebt gij bij u?"
»Mijn vriend, een Achaemenide [160], Darius, de zoon van Hystaspes!"
De vreemdeling boog zich diep, en zeide: »Goed, ik vreesde reeds dat
gij een Egyptenaar hadt medegebracht."
»Neen, wij zijn alleen en willen u hooren. Maar, maak het kort! Wie
zijt gij, en wat verlangt gij?"
»Ik heet Bubares, en was onder den grooten Cyrus een arm hoofdman. Toen
wij Sardes, de stad uws vaders, ingenomen hadden, kregen wij verlof
om te plunderen. Maar uw wijze vader bad Cyrus, dat hij bevelen zou
de plundering te staken, dewijl hij, nu Sardes in zijne macht was,
niet den voormaligen koning maar zichzelven plunderde. Alzoo werd op
straffe des doods bevolen, al het buitgemaakte aan de hoofdlieden uit
te leveren, en dezen vervolgens opgedragen alle kostbaarheden, die hun
gebracht zouden worden, op de markt bijeen te vergaderen. Daar lagen
geheele hoopen gouden en zilveren vaatwerk, vrouwen- en manssieraden,
die van edelgesteenten fonkelden...."
»Maak wat voort, wij hebben weinig tijd!" viel Gyges den spreker in
de rede.
»Gij hebt gelijk, ik mag geen woorden verspillen. Ik verbeurde
mijn leven, doordien ik een gouden, rijk met edelgesteenten
bezette zalfdoos, uit het paleis uws vaders afkomstig, voor mij had
behouden. Cyrus wilde mij ter dood doen brengen; Cresus redde evenwel
mijn leven, door mijn voorspraak te zijn bij zijn overwinnaar. Cyrus
gaf mij de vrijheid, doch verklaarde mij voor eerloos. Alzoo dank
ik uw vader het leven. Maar in Perzië kon ik niet blijven, daar
de eerloosheid al te zwaar op mij drukte. Een Smyrnaasch schip
bracht mij naar Cyprus. Daar trad ik weder in den krijgsdienst,
leerde Grieksch en Egyptisch, streed tegen Amasis, en werd door
Phanes als krijgsgevangene hierheen gebracht. Ik had altijd als
ruiter gediend; ik werd dus gevoegd bij de slaven, die voor de
paarden van den koning zorg dragen. Ik paste goed op, en werd na zes
jaren opzichter van den stal. Nooit heb ik uw vader en wat ik hem
verschuldigd ben vergeten. Heden is de beurt aan mij gekomen hem een
dienst te bewijzen."
»Betreft het mijn vader?--Zoo spreek! Zeg mij dadelijk wat er is!"
»Aanstonds. Heeft Cresus den prins Psamtik beleedigd?"
»Dat ik weet, niet."
»Uw vader is hedenavond de gast van Rhodopis, te Naucratis."
»Hoe weet gij dat?"
»Uit zijn eigen mond, want hedenmorgen, toen hij naar de bark ging,
volgde ik hem, om mij aan zijne voeten te werpen."
»En hebt gij uw doel bereikt?"
»Ja. Hij sprak mij minzaam toe; doch hij kon mij niet lang aanhooren,
daar zijne metgezellen reeds in de bark plaats hadden genomen, toen
hij aankwam. In haast deelde zijn slaaf Sandon, dien ik ken, mij nog
mede, dat zij naar Naucratis zouden gaan, naar de Helleensche vrouw,
die zij Rhodopis noemen."
»Hij zeide de waarheid."
»Dan moeten wij aanstonds alles in het werk stellen om hem te
redden. Toen de markt vol was [161] zijn er tien wagens en twee barken
met Ethiopische soldaten, onder aanvoering van een Egyptisch hoofdman,
heimelijk naar Naucratis getogen, om dezen nacht het huis van Rhodopis
te omsingelen en hare gasten gevangen te nemen."
»Die verraders!" riep Gyges.
»Maar wat zouden zij uw vader durven aandoen?" vroeg Darius. »Zij
weten toch dat de wraak van Cambyzes......"
»Ik weet niets anders," herhaalde Bubares, »dan dat het huis van
Rhodopis, waarin thans ook uw vader is, hedennacht door Ethiopische
soldaten zal worden omsingeld. Ik zelf heb de wagens ingespannen en
goed verstaan, hoe de waaierdrager van den kroonprins den hoofdman
Pentaoer toeriep: »Houd ooren en oogen open. Laat het huis van Rhodopis
omsingelen, opdat hij niet door de achterpoort ontsnappe. Spaar zijn
leven, indien het mogelijk is, en dood hem alleen wanneer hij zich
mocht willen verzetten. Zoo gij hem levend te Saïs brengt, zult gij
twintig gouden ringen ontvangen [162]!"
»Zou dit werkelijk mijn vader gelden?"
»Onmogelijk!" riep Darius.
»Men kan niet weten," mompelde Bubares. »In dit land is alles
mogelijk!"
»In hoeveel tijds kan een goed paard den weg van hier naar Naucratis
afleggen?"
»In drie uren, als het tot het einde toe flink doordraaft, en de Nijl
den weg niet te hoog onder water heeft gezet."
»Binnen twee uren ben ik te Naucratis!"
»Ik vergezel u," riep Darius.
»Neen, gij moet met Zopyrus hier blijven, ter bescherming van
Bartja. Geef onzen dienaren de noodige bevelen, zoodat zij op alles
voorbereid zijn."
»Maar, Gyges....."
»Gij blijft hier en verontschuldigt mij bij Amasis. Gij zegt, dat ik
wegens hoofd-, of maag-, of tandpijn geen deel aan het drinkgelag kan
nemen, hoort gij? Ik zal het Nisaeische ros van Bartja bestijgen. Gij,
Bubares, volgt mij op dat van Darius. Gij wilt het mij toch zeker
wel leenen, broeder?"
»Had ik er tienduizend, gij kondt er over beschikken."
»Kent gij den weg naar Naucratis, Bubares?"
»Als mijne oogen!"
»Ga dan, Darius, en gelast, dat men uw en Bartja's paard
gereedhoude. De minste vertraging is hier eene misdaad. Vaarwel Darius,
wellicht voor immer! Bescherm Bartja! Vaarwel!"