Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie
uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden,
bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd
geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn
koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof
van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht,
terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden
des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd
af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige,
in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op
alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne
voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij
hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige
schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar
brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht
vereischten [132]. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën
onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid
wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den
arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte
hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk
gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk
leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten
antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen
houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij
hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft
hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt."
Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek
van een nomarch [133] om gelden voor onderscheidene afdammingen [134],
die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op
dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde,
dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor
verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit
alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach
had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na
lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij
komen kan!"
Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den
drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met
eerbied nederboog.
Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf
en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt."
»Vooral voor uw zoon," antwoordde de kroonprins met bittere
ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken,
die gij mij heden voor het eerst bewijst."
»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt
zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van
Nitetis."
»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te
herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent."
»Bedoelt gij Phanes?"
»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene
zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij,
dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?"
»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb."
»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?"
»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelen
van menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is
mijn vriend!"
»Uw vriend;--maar mijn doodvijand!"
»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen."
»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij,
uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart
moet liggen, omdat gij in mij Egypte's toekomst ziet. Bedenk toch,
dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik,
gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land
moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte
zijn zal."
Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik
steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht
laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen
buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even
goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks
openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand
kan verkeeren."
»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter,
en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen."
»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij
het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet,
dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad [135], en bedrogen
te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den
hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal
een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle
listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester
zoeken te verwerven?"
»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan
haat en wraak?" vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan
waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle
omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat
Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet,
wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en
Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij
beiden noemen Nitetis onze dochter; wie zal durven beweren dat zij
het niet is?--Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de
zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees
niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig
ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te
ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat
ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen
uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken."
»Vader!"
»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u
verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit
te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb,
aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had
getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij
mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat
stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar
is, vaster aan mij te verbinden."
»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus
betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt
vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet
liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om
groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij
het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder
uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene
beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten
van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen
geweest, hoe Ramses de groote [136] met onze zegevierende wapenen de
verst verwijderde volken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen,
hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste
land der aarde noemde.--En wat zijn wij thans? Door uw, door 's konings
eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren
van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden,
om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de
vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden
behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin,
thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!"
»Bedwing uwe tong!" riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte
zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeft onze wapenen
in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik
echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de
verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed,
schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen
stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn
naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn
land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en
dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize
voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend
volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte
wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van
recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid
onttrekken.--Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen,
welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken [137] ons door
de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn,
behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste
soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo
is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde
Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van
waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne
voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!"
»En toch zeg ik u," riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks
merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten,
naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid
van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den
doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men
zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden,
met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden
en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks
komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche
en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde
bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den
andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja,
vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet
eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl
gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste
steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich
de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naar het westen
uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij
iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van
de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk
uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor
hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand
onmogelijk bleek, toen Perzië de halve wereld onderworpen had, en
in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde,
toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot
redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij,
die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer
te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en
spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling,
die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en
Egypte's ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger
door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!"
Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste
bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer
zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal
weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het
leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte
vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet
gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige
verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij,
Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de
menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap,
wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!--Gij
hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de
vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt
treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het
toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik
had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij
zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een
jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder
te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik
voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:
»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de
borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart
opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en
zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een
koude siddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief
zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en
omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom
hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier
lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs
de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke
lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl
heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de
droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht
te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon
mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld
brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw
zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal
een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken,
en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken."
Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde:
»Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van
de zonen Typhons [138], omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een
somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde
vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van
Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, de sterrekundigen
hebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth
[139]. Gij..."
Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd
door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer
kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede
vader, en verzwijg ten minste, dat ik de eenige zoon in Egypte ben,
dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!"
Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in
de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was
gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij
moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij
door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had
getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene
moeder van den ongelukkige.--Na langen tijd zag hij thans weder
voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op
dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten
zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het
eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog
van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze
gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem
op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:
»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u
zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij
door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang
door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid
vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging,
daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar
thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te
uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen
samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze
handelingen en toegevend jegens elkander zijn."
Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn
vader. »Niet alzoo," riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet
het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen
droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht
op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden
ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen
onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker
dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader...."
»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd
is," viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken
en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot
een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende."
»Ga zoo niet voort," hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk
op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla, bezit ik ook de
macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw
hart; ik zal hem inwilligen."
Psamtik's oogen helderden op; 't scheen dat zijne vale wangen een
oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene
krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de
laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!"
De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij:
»Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien,
dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend
stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat
mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij,
voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij
handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis
mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de
grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste
van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman,
een dischgenoot vinden, als hij was?--maar ik zie hem nog niet in uwe
macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook
zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij
uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis' kleindochter te
zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer
dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard
dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u,
dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te
beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters
en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.--En nu zoudt gij
nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis' afkomst? Welnu,
luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen."
Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders
aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een
krachtigen handdruk.
»Vaarwel thans!" zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn
zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u,
vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets
van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne
willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert
thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden
te hebben."
Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog
langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem,
en reeds zag hij in zijne verbeelding den vermoorden Phanes, nevens de
schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het
is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;" alzoo poogde
hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten
laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich
afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een
glimlach om de lippen zijn kabinet.
Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn
beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij
sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?