ZESDE HOOFDSTUK.

Koning Amasis had zich, na het beschrevene gastmaal, nauwelijks drie

uren slaaps gegund. Gelijk alle andere dagen werd hij ook heden,

bij het eerste hanengekraai, door jonge priesters gewekt. Als altijd

geleidden zij hem naar het bad, tooiden hem vervolgens met zijn

koninklijk plechtgewaad, en voerden hem naar het altaar in den voorhof

van het paleis, alwaar hij voor de oogen des volks zijn offer bracht,

terwijl de opperpriester met luider stemme gebeden zong, de deugden

des konings opsomde en, om elke overtreding van het vorstelijk hoofd

af te weren, zijne slechte raadslieden voor alle vloek waardige,

in onwetendheid bedrevene zonden verantwoordelijk stelde. Als op

alle andere dagen vermaanden hem de priesters, terwijl zij zijne

voortreffelijke hoedanigheden ophemelden, tot het goede, lazen zij

hem de edele daden en ondernemingen van groote mannen uit de heilige

schriften voor, en geleidden hem dan naar zijne vertrekken, alwaar

brieven en berichten uit alle deelen van het land zijne aandacht

vereischten [132]. Aan deze iederen morgen wederkeerende ceremoniën

onderwierp Amasis zich zonder morren, en met de grootste nauwgezetheid

wijdde hij zich, gedurende de daartoe bestemde ochtenduren, aan den

arbeid en de belangen des rijks. Het overige van den dag gebruikte

hij naar hem goed dacht, en meestal bracht hij dit door in vroolijk

gezelschap. Daarom verweten de priesters hem, dat hij een onkoninklijk

leven leidde. Eens gaf hij echter den vertoornden opperpriester ten

antwoord: »Ziet gij dezen boog? Als gij dien onafgebroken gespannen

houdt, zal hij spoedig zijne kracht verloren hebben; gebruikt gij

hem echter den halven dag, om hem verder rust te gunnen, zoo blijft

hij sterk en bruikbaar, totdat de pees breekt."

Amasis had juist den laatsten brief gelezen, inhoudende het verzoek

van een nomarch [133] om gelden voor onderscheidene afdammingen [134],

die na de overstrooming noodzakelijk moesten gemaakt worden, en op

dat verzoek toestemmend beschikt, toen een der dienaren hem meldde,

dat de kroonprins Psamtik zijn vader voor eenige oogenblikken gehoor

verzocht. Amasis, die recht verheugd over de gunstige berichten uit

alle deelen des lands, den binnenkomende met een vergenoegden glimlach

had welkom geheeten, werd op eenmaal ernstig en afgetrokken. Na

lang aarzelen antwoordde hij evenwel: »Ga, en zeg den prins, dat hij

komen kan!"

Het gelaat van Psamtik was bleek en somber als altijd, toen hij den

drempel van zijn vaders vertrek overschreed, en zich diep en met

eerbied nederboog.

Amasis dankte hem zwijgend met een wenk; daarop vroeg hij hem kortaf

en op ijskouden toon. »Wat begeert gij van mij? Mijn tijd is beperkt."

»Vooral voor uw zoon," antwoordde de kroonprins met bittere

ironie. »Zevenmaal heb ik u om de groote gunst laten verzoeken,

die gij mij heden voor het eerst bewijst."

»Geene verwijten! Ik vermoedde de reden van uwe komst. Gij verlangt

zeker, dat ik uw twijfel zal ophelderen betreffende de afkomst van

Nitetis."

»Ik ben niet nieuwsgierig, en kom veeleer om u te waarschuwen en u te

herinneren, dat er buiten mij nog iemand leeft, die dit geheim kent."

»Bedoelt gij Phanes?"

»Wien anders? Hij, de uit Egypte en uit zijn eigen vaderland verbannene

zal binnen weinige dagen Naucratis verlaten. Welke waarborg, hebt gij,

dat hij ons niet aan de Persen zal verraden?"

»De goedheid en vriendschap die ik hem altijd bewezen heb."

»Zoo gelooft gij aan de dankbaarheid der menschen?"

»Neen! maar ik vertrouw op mijne bekwaamheid in het beoordeelen

van menschen. Phanes zal ons niet verraden! Ik herhaal het, hij is

mijn vriend!"

»Uw vriend;--maar mijn doodvijand!"

»Wees dan op uwe hoede voor hem! Ik heb niets van hem te vreezen."

»Gij niet, maar wel ons land! O, bedenk mijn vader, dat hoewel gij mij,

uw zoon, ook een bitteren haat toedraagt, ik u toch na aan het hart

moet liggen, omdat gij in mij Egypte's toekomst ziet. Bedenk toch,

dat na uw dood, waarvoor de goden ons nog lang mogen bewaren, ik,

gelijk gij thans zijt, het leven en de ziel van dit heerlijke land

moet worden, dat mijn val de val van uw huis, de ondergang van Egypte

zijn zal."

Het gelaat van Amasis werd hoe langer zoo ernstiger, terwijl Psamtik

steeds met meer aandrang vervolgde: »Gij zult, gij moet mij recht

laten wedervaren. Deze Phanes bezit de macht om ons land iederen

buitenlandschen vijand in handen te spelen, want hij kent het even

goed, als gij en ik. Voorts sluimert in zijne borst een geheim, welks

openbaarmaking onzen machtigsten vriend in onzen vreeselijksten vijand

kan verkeeren."

»Gij dwaalt! Nitetis is wel niet mijne, maar toch eens konings dochter,

en zij zal het hart van haren gemaal zeker weten te winnen."

»Al ware zij de dochter van een god, toch zou Cambyzes, als hij

het geheim te weten kwam, uw vijand worden. Weet gij dan niet,

dat bij de Persen de leugen de ergste misdaad [135], en bedrogen

te worden de grootste schande wordt geacht? En toch hebt gij den

hoogmoedigsten, den machtigsten hunner om den tuin geleid. Wat zal

een enkel onervaren meisje op hem vermogen, terwijl honderd in alle

listen en streken volleerde vrouwen de gunst van haren heer en meester

zoeken te verwerven?"

»Zouden er wel betere leermeesters in de welsprekendheid zijn, dan

haat en wraak?" vroeg Amasis scherp. »Dwaze zoon, meent gij dan

waarlijk, dat ik zulk een gevaarlijk spel zou wagen, zonder alle

omstandigheden rijpelijk overwogen te hebben? Wat mij betreft, laat

Phanes nog heden aan de Persen vertellen, wat hij niet eens weet,

wat hij slechts vermoeden doch nimmer bewijzen kan. Ik, de vader, en

Ladice, de moeder, moeten wel het best weten, wie ons kind is. Wij

beiden noemen Nitetis onze dochter; wie zal durven beweren dat zij

het niet is?--Wil Phanes aan een anderen vijand dan de Persen de

zwakke punten van ons land verraden, laat hem zijn gang gaan; ik vrees

niemand. Wilt gij mij bewegen een man, wien ik grooten dank schuldig

ben, een vriend, die mij tien jaren lang trouw diende, uit den weg te

ruimen, omdat hij mij misschien zou kunnen benadeelen, zoo weet dat

ik hem, in plaats van hem een haar te krenken, zal beveiligen tegen

uwe wraakzucht, waarvan ik de onzuivere bron al te goed ken."

»Vader!"

»Gij zoudt dezen man gaarne in het ongeluk storten, daar hij u

verhinderde de kleindochter van Rhodopis met geweld in uw bezit

te krijgen; omdat ik hem in uwe plaats tot veldheer benoemd heb,

aangezien gij u tot het vervullen dier betrekking onbekwaam had

getoond. Gij verbleekt? Welnu, ik ben Phanes zeer dankbaar, dat hij

mij uwe roekelooze ontwerpen mededeelde, en mij zoodoende in staat

stelde, de steunpilaren van mijn troon aan wie Rhodopis zoo dierbaar

is, vaster aan mij te verbinden."

»O, vader! hoe is het mogelijk, dat gij de vreemdelingen aldus

betitelt, dat gij den ouden roem van Egypte zoo geheel kunt

vergeten! Beleedig mij zooveel gij wilt; ik weet dat gij mij niet

liefhebt. Maar zeg niet, dat wij die vreemdelingen noodig hebben om

groot te zijn. Wees indachtig aan ons verleden! Wanneer waren wij

het grootst? In de dagen, toen wij voor alle vreemdelingen zonder

uitzondering de poorten van ons land gesloten hielden, en op eigene

beenen staande, op eigene kracht vertrouwende, naar de aloude wetten

van onze vaderen en onze goden leefden. Die tijden zijn getuigen

geweest, hoe Ramses de groote [136] met onze zegevierende wapenen de

verst verwijderde volken ten onder bracht. Die tijden hebben vernomen,

hoe de gansche wereld Egypte het eerste, het grootste, het schoonste

land der aarde noemde.--En wat zijn wij thans? Door uw, door 's konings

eigen mond hoor ik vreemde bedelaars en gelukzoekers de steunpilaren

van het rijk noemen. U, den koning, zie ik eene armzalige list smeden,

om de vriendschap van een volksstam te winnen, waarop wij, eer de

vreemdelingen naar den Nijl kwamen, groote overwinningen konden

behalen. Egypte was weleer eene rijkgetooide, machtige koningin,

thans is het eene geblankette met klatergoud versierde deerne!"

»Bedwing uwe tong!" riep Amasis stampvoetende. »Nooit was Egypte

zoo machtig en groot als juist thans! Ja, Ramses heeft onze wapenen

in ver verwijderde landen gedragen en er bloed mede verworven; ik

echter heb het zoover gebracht, dat de werken onzer handen tot de

verste einden der aarde worden gevoerd, en ons, in plaats van bloed,

schatten en zegen aanbrengen. Ja, Ramses liet zijne onderdanen

stroomen bloeds en zweets verspillen, alleen om den roem van zijn

naam te verbreiden; ik echter heb weten te bewerken, dat in mijn

land slechts weinig bloed wordt vergoten, weinig zweet afgeperst, en

dat ieder burger in veiligheid, in geluk en vrede zijne levensreize

voleinden kan. Aan de boorden van den Nijl verrijzen thans tienduizend

volkrijke steden. Geen voet gronds is onbebouwd. Geen kind in Egypte

wordt uitgesloten van den zegen, die de vrucht is der handhaving van

recht en wet. Geen boosdoener kan zich aan het wakend oog der overheid

onttrekken.--Mocht de een of andere vijand ons willen overvallen,

welnu, zoo staan, naast onze vestingen, de bolwerken [137] ons door

de goden geschonken, namelijk: de watervallen, de zee en de woestijn,

behalve de Egyptische krijgslieden, dertig duizend Hellenen, de beste

soldaten die ooit de wapens droegen, tot onze verdediging gereed. Zoo

is het met Egypte gesteld. Den glans van ijdelen roem heeft ditzelfde

Egypte aan Ramses met bloedige tranen betaald. Het echte goud van

waarachtig burgergeluk en vreedzame welvaart is het aan mij en mijne

voorgangers, de koningen van Saïs verschuldigd!"

»En toch zeg ik u," riep de prins, »dat Egypte een boom is, aan welks

merg een doodelijke worm knaagt. Het jagen en streven naar schatten,

naar pracht en glans heeft alle harten bedorven. De weelderigheid

van de buitenlanders heeft de eenvoudige zeden van onze burgers den

doodsteek toegebracht. Voor goud is alles veil. Hier en daar hoort men

zelfs Egyptenaren, die zich door de Hellenen hebben laten verleiden,

met de goden den spot te drijven. Twist en tweedracht scheiden

en scheuren de kasten van priesters en krijgslieden. Dagelijks

komen klachten in over bloedige vechtpartijen tusschen Grieksche

en Egyptische soldaten, vreemden en inboorlingen. Herder en kudde

bestrijden elkander. De eene steen van den staatsmolen schuurt den

andere stuk, totdat het geheel in puin en gruis zal samenvallen. Ja,

vader, doe ik het niet heden, dan zal ik nimmer spreken. Ik moet

eindelijk uiten, wat reeds zoolang mijn hart beklemt. Terwijl

gij strijd voerdet met onze eerwaardige priesterschap, de beste

steunpilaar van den troon, hebt gij lijdelijk toegezien, hoe zich

de nog jeugdige macht der Persen van het oosten naar het westen

uitbreidde, gelijk een monster dat gansche volken verslindt, dat bij

iedere prooi vraatzuchtiger en vreeselijker wordt. In plaats van

de Lydiërs en Babyloniërs te hulp te snellen, gelijk aanvankelijk

uw voornemen was, hebt gij de Grieken geholpen om tempels voor

hunne valsche goden te bouwen. En toen eindelijk iedere tegenstand

onmogelijk bleek, toen Perzië de halve wereld onderworpen had, en

in zijn overmoed van alle koningen durfde eischen wat het wilde,

toen schenen de onsterfelijken u nog eenmaal de hand te reiken tot

redding van Egypte. Cambyzes begeerde uwe dochter tot vrouw; en gij,

die te zwak zijt om uw eigen kind aan de welvaart van uw land ten offer

te brengen, zendt den machtigen koning eene ondergeschovene maagd, en

spaart nog bovendien met uwe gewone flauwhartigheid een vreemdeling,

die het geluk of het ongeluk van uw rijk in zijne handen heeft, en

Egypte's ondergang zeker bewerken zal, zoo het niet reeds vroeger

door innerlijke verdeeldheid vermolmd ineenstort!"

Tot hiertoe had Amasis, bleek en bevend van toorn, zijne edelste

bedoelingen laten miskennen. Thans echter kon hij niet langer

zwijgen, en met eene stem, die als bazuingeschal door de ruime zaal

weerklonk, riep hij: »Weet ge wel, wien ik moest opofferen, als het

leven mijner kinderen en de instandhouding van het door mij gestichte

vorstenhuis mij niet liever waren, dan de welvaart van dit land? Weet

gij grootspreker, wraakzuchtig ongelukskind, wie de toekomstige

verwoester van dit heerlijke, eeuwenoude rijk is? Dat zijt gij,

Psamtik, gij, gebrandmerkte door de goden, gij, verafschuwde door de

menschen, gij, wiens hart geene liefde, wiens borst geene vriendschap,

wiens gelaat geen glimlach, wiens ziel geen mededoogen kent!--Gij

hebt uw rampzalig bestaan aan den vloek der goden te danken, en de

vijandschap der onsterfelijken tegen u doet alles wat gij aanvangt

treurig eindigen. Verneem thans, want te eeniger tijd moet gij het

toch weten, wat ik zoo lang voor u meende te moeten verzwijgen. Ik

had mijn voorganger van den troon gestooten, en hem gedwongen mij

zijne zuster Tentcheta tot vrouw te geven. Zij kreeg mij lief, en een

jaar na ons huwelijk verblijdde zij zich in het vooruitzicht moeder

te zullen worden. In den nacht, die uwe geboorte voorafging, viel ik

voor het bed uwer moeder gezeten in slaap. Toen had ik dezen droom:

»Uwe moeder lag op den oever van den Nijl en klaagde over pijn in de

borst. Ik boog mij over haar neder, en zag hoe een cypres uit haar hart

opwies. De boom werd grooter en grooter, al breeder en zwaarder, en

zijne wortelen wonden zich om uwe moeder heen en verworgden haar. Een

koude siddering overviel mij. Ik wilde vluchten. Plotseling verhief

zich in het oosten een hevige orkaan, die den cypres ontwortelde en

omverwierp, zoodat zijne breede takken in den Nijl stortten. De stroom

hield op te vloeien, zijn wateren stolden, en in plaats van de rivier

lag daar eene reusachtige groote mummie voor mij. De steden langs

de boorden van den vloed krompen inéen en veranderden in ontzaglijke

lijkurnen, die, als in een graf, om de geweldige mummie van den Nijl

heen stonden. Nauwlijks was ik ontwaakt, of ik ontbood aanstonds de

droomuitleggers. Geen hunner was in staat het wonderbare gezicht

te verklaren, tot eindelijk de priesters van den Libyschen Ammon

mijn droom aldus uitlegden: Tentcheta zal sterven bij het ter wereld

brengen van een zoon. De cypres die zijne moeder doodt, beteekent uw

zoon, een zwartgallig, rampzalig wezen. Onder zijne regeering zal

een volk uit het Oosten den Nijl, dus de Egyptenaren, tot lijken,

en hunne steden tot doodenurnen, dat wil zeggen tot puinhoopen maken."

Psamtik stond als versteend voor zijn vader, terwijl deze vervolgde:

»Uwe moeder stierf bij uwe geboorte. Vuurrood haar, het teeken van

de zonen Typhons [138], omgaf uwe slapen. Gij groeidet op tot een

somber man. Het noodlot vervolgde u, want het ontnam u eene geliefde

vrouw en vier uwer kinderen. Evenals ik onder het gelukkige teeken van

Ammon geboren werd, zoo zaagt gij het levenslicht, de sterrekundigen

hebben het berekend, bij het opkomen van de schrikkelijke planeet Seth

[139]. Gij..."

Amasis brak eensklaps af, want Psamtik, overweldigd en verpletterd

door al het vreeselijke dat hij vernam, smeekte hevig snikkend, meer

kermend dan sprekend, terwijl hij voor hem nederviel: »Houd op, wreede

vader, en verzwijg ten minste, dat ik de eenige zoon in Egypte ben,

dien de haat zijns vaders onschuldig vervolgt!"

Amasis zag neder op den bleeken man, die, met het aangezicht in

de plooien van zijn kleed verborgen, voor hem op den grond was

gezonken. Zijn snel ontvlamde toorn veranderde in medelijden. Hij

moest voor zichzelven erkennen, dat hij te hard was geweest, dat hij

door zijn verhaal het hart van zijn kind met een giftigen pijl had

getroffen, en dacht daarbij aan de voor veertig jaren ontslapene

moeder van den ongelukkige.--Na langen tijd zag hij thans weder

voor het eerst als vader, als geroepen om de zijnen te troosten, op

dezen somberen alle liefdebetoon afwijzenden, hem in alle opzichten

zoo vreemden man. Ofschoon week van gemoed, was hij thans voor het

eerst in de gelegenheid, om een traan in het anders zoo koude oog

van zijn zoon te drogen. Hierover verheugd, greep hij haastig deze

gelegenheid aan. Hij boog zich over den snikkende neder, kuste hem

op het voorhoofd, richtte hem op en sprak met zachte stem:

»Vergeef mij mijne hardheid, geliefde zoon! De booze woorden, die u

zoozeer kwetsten, kwamen niet uit het hart van Amasis, maar werden mij

door onbesuisde drift op de lippen gelegd. Gij hebt mij vele jaren lang

door koelheid, onverschilligheid, wederspannigheid en zonderlingheid

vertoornd. Heden beleedigdet gij mij in mijne heiligste overtuiging,

daarom gaf ik toe aan eene onverstandige toomlooze heftigheid. Maar

thans zal alles weder goed zijn tusschen u en mij. Zijn wij ook van te

uiteenloopende karakters, dan dat onze harten volkomen zouden kunnen

samenstemmen, zoo willen wij in het vervolg toch eensgezind in onze

handelingen en toegevend jegens elkander zijn."

Psamtik boog zwijgend het hoofd, en kuste het kleed van zijn

vader. »Niet alzoo," riep deze, »kus mij op den mond! Juist, zoo moet

het zijn, zoo betaamt het tusschen vader en zoon. Wat den dwazen

droom betreft, dien ik u verhaald heb, geef daar verder geen acht

op. Droomen zijn bedrog: en worden zij ook al werkelijk door de goden

ons toegezonden, dan zijn toch de uitleggers aan menschelijke dwalingen

onderworpen. Uwe hand beeft nog altijd en uwe wangen zijn bleeker

dan uw linnen kleed. Ik was te hard voor u, harder dan een vader...."

»Harder zelfs, dan een vreemde iemand behandelen mag, die hem vreemd

is," viel de kroonprins den koning in de rede. »Gij hebt mij gebroken

en verbrijzeld. Heeft mijn gelaat zich tot hiertoe zelden geplooid tot

een lach, van nu aan zal het de spiegel zijn van de diepste ellende."

»Ga zoo niet voort," hernam Amasis, en legde de hand vertrouwelijk

op den schouder zijns zoons. »Indien ik wonden sla, bezit ik ook de

macht ze te genezen. Spreek uit, welke de innigste wensch is van uw

hart; ik zal hem inwilligen."

Psamtik's oogen helderden op; 't scheen dat zijne vale wangen een

oogenblik kleurden. Hij antwoordde zonder zich te bezinnen, met eene

krachtige stem, die echter nog trilde van zijne ontroering in de

laatste oogenblikken: »Laat Phanes, mijn vijand, aan mij over!"

De koning stond een oogenblik in gepeins verzonken, toen zeide hij:

»Ik zal aan uw verlangen moeten voldoen, maar liever had ik gezien,

dat gij de helft van mijn vermogen hadt gevraagd, dan dit. Duizend

stemmen in mijn binnenste zeggen mij, dat ik iets ga doen, dat

mijner onwaardig is, dat verderfelijk zal blijken te zijn voor mij,

voor u, voor Egypte, voor ons allen. Overleg alles nog eens, eer gij

handelt. Dit echter zeg ik u, wat gij ook met Phanes voorhebt, Rhodopis

mag geen haar op het hoofd gekrenkt worden. Ook moet alles met de

grootste geheimhouding geschieden. Geen Griek mag ook maar het minste

van uw aanslag te weten komen. Waar zal ik een veldheer, een raadsman,

een dischgenoot vinden, als hij was?--maar ik zie hem nog niet in uwe

macht, en gij moogt wel bedenken dat, hoe loos gij als Egyptenaar ook

zijn moogt, Phanes als Helleen niet minder slim is. Blijf vooral bij

uw eed van alle gedachte aan het bezit van Rhodopis' kleindochter te

zullen opgeven. De vergoeding, die ik u bied, is mijns erachtens meer

dan aannemelijk; want zoo ik u goed ken, dan is u de wraak meer waard

dan de liefde. Wat nu eindelijk Egypte betreft, ik herhaal het u,

dat het nooit grooter geluk heeft gekend dan thans. Het tegendeel te

beweren is nog niemand ingevallen, behalve den ontevredenen priesters

en hun, die dezen in hunne onwetendheid nabazelen.--En nu zoudt gij

nog gaarne de geschiedenis vernemen van Nitetis' afkomst? Welnu,

luister! Uw eigenbelang zal u het stilzwijgen opleggen."

Psamtik hoorde met gespannen aandacht de mededeeling zijns vaders

aan. Als Amasis ophield met spreken, zeide hij hem dank met een

krachtigen handdruk.

»Vaarwel thans!" zoo besloot Amasis dit gewichtig onderhoud met zijn

zoon. »Vergeet niets van wat ik u gezegd heb, en dit vooral bid ik u,

vergiet geen bloed! Wat er ook met Phanes geschiede, laat mij er niets

van te weten komen. Want ik haat alle wreedheid, en zou niet gaarne

willen, dat ik u, mijn zoon, moest verafschuwen. Hoe blijde glinstert

thans uw oog! Arme Athener, het ware u beter dit land nooit betreden

te hebben."

Toen Psamtik het vertrek van zijn vader verlaten had, ging deze nog

langen tijd nadenkend op en neder. Zijne toegevendheid berouwde hem,

en reeds zag hij in zijne verbeelding den vermoorden Phanes, nevens de

schim van den door hem onttroonden Hophra voor zich staan. »Maar, het

is waar, hij zou ons werkelijk te gronde kunnen richten;" alzoo poogde

hij zich voor den rechter in zijn binnenste te rechtvaardigen. Ten

laatste maakte hij eene beweging, als wilde hij alle zorgen van zich

afwerpen, richtte zich op, riep zijne dienaren, en verliet met een

glimlach om de lippen zijn kabinet.

Had de luchthartige man, het troetelkind der fortuin, zijn

beschuldigend geweten zoo spoedig het stilzwijgen opgelegd, of was hij

sterk genoeg, om de pijn die hij leed achter een glimlach te verbergen?

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 8 / 38 题