Het was nog twee uren vóór middernacht. Door de geopende vensters
van het huis van Rhodopis kon men het schijnsel zien der helder
brandende lampen, en de onbepaalde klanken opvangen der vroolijke
gesprekken. Dien avond was de tafel der eerwaardige vrouw, ter eere
van Cresus, bijzonder rijk voorzien. Op de matrassen lagen, met
populiertakken en rozen bekranst, de ons bekende gasten van Rhodopis:
Theodorus, Ibycus, Phanes, Aristomachus, de koopman Theopompus van
Milete, Cresus en nog onderscheidene andere mannen.
»Ja, dit Egypte," zeide Theodorus, de beeldhouwer, »maakt op mij
den indruk van een meisje, dat een gouden schoen bezit, dien zij,
ofschoon hij haar knelt en pijn doet, niet besluiten kan af te leggen,
niettegenstaande de schoonste en gemakkelijkste schoeisels voor haar
staan, waarnaar zij slechts de hand heeft uit te strekken, om zich
op eens vrij en ongedwongen te kunnen bewegen."
»Gij bedoelt dat halsstarrig vasthouden der Egyptenaren aan hunne,
door de voorvaderen overgeleverde vormen en gewoonten?" vroeg Cresus.
»Juist," antwoordde de beeldhouwer. »Vóór twee eeuwen was Egypte
ontegenzeglijk nog het eerste land der wereld. Zijne kunst en zijne
wetenschap overtrof alles, wat wij toen voortbrengen konden. Wij zagen
echter den Egyptenaren hunne handgrepen af; we wisten deze te volmaken;
we gaven aan de stijve, gedwongene vormen losheid en schoonheid;
we hielden ons aan geene vaste afmetingen, maar namen de natuur tot
model. En thans zijn we onze meesters ver vooruitgestreefd. Hoe kon dit
geschieden? Alleen omdat de leermeester, door onverbiddelijke wetten
gebonden, op zijn oude plaats moest blijven staan. Wij daarentegen
konden ons naar vermogen en welgevallen op het gebied der kunst
vrij bewegen."
»Maar hoe kan men den kunstenaar dwingen, zijne beeldwerken, die toch
altijd verschillende onderwerpen hebben, naar vaste afmetingen uit
te voeren?"
»Dit laat zich in dit geval gemakkelijk verklaren. De Egyptenaren
verdeelen het geheele menschelijke lichaam in 21 1/4 deelen [163],
en berekenen daarnaar de verhoudingen der afzonderlijke ledematen. Aan
deze getallen houden zij vast en offeren daaraan de hoogere eischen der
kunst. Ik zelf heb Amasis, in tegenwoordigheid van den voornaamsten
Egyptischen beeldhouwer, een priester van Thebe, deze weddenschap
aangeboden, dat ik mijn broeder Telecles te Ephesus de grootte,
de verhouding en den stand volgens de Egyptische voorschriften zou
opgeven van een met hem te vervaardigen standbeeld, dat als door éene
hand en uit éen stuk zou schijnen bewerkt te zijn, ofschoon Telecles
het benedendeel er van te Ephesus, en ik het bovendeel te Saïs onder
de oogen van Amasis zou bewerken."
»En zoudt gij de weddenschap winnen?"
»Zonder eenigen twijfel. Ook ben ik bepaald van voornemen dit werk
onderhanden te nemen. Een kunststuk zal het wel niet zijn, evenmin
als eenig Egyptisch standbeeld dezen schoonen naam verdient."
»Maar toch zijn enkele beeldhouwwerken, onder andere die welke Amasis
als geschenk voor Polycrates naar Samos zal zenden, uitmuntend
bearbeid. Ik zag te Memphis een beeld, dat drieduizend jaren oud
moet zijn. Men zeide dat het den koning voorstelde, die een der
groote pyramiden liet bouwen. Het wekte in alle opzichten mijne
bewondering. Met hoeveel zekerheid is de buitengewoon harde steen
bewerkt; hoe juist zijn de borstbeen- en voetspieren weêrgegeven;
hoe zuiver zijn de omtrekken en hoe oordeelkundig is het geheel
ontworpen! Bij dit en andere beelden trof mij vooral de harmonie in
de gelaatstrekken." [164]
»Volkomen waar. Wat het handwerk in de kunst, dat wil zeggen de
gemakkelijke en zekere bewerking ook van de hardste stoffen betreft,
daarin zijn ons de Egyptenaren, al zijn zij ook lang op dezelfde hoogte
gebleven, nog altijd vooruit. Geen Grieksch standbeeld is zoo uitermate
schoon gepolijst, als dat van Amasis in den hof van het paleis. Maar
de vrije vorming, den Prometheusarbeid, het geven van ziel en leven
aan den steen, dit zullen zij niet leeren, zoolang zij niet met hunne
oude vormenkraam geheel gebroken hebben. Door zuivere proporties geeft
men nog geen leven aan zijne beelden. De Egyptische beelden missen
de zoo bevallige verscheidenheid in lichamelijke vormen. Beschouw
eens opmerkzaam de honderdduizend standbeelden, die van Naucratis
tot aan de watervallen bij alle tempels en paleizen sedert dertig
eeuwen zijn opgericht. Alle stellen zij gemoedelijk ernstige menschen
op middelbaren leeftijd voor, en toch is het eene het beeld van een
grijsaard, terwijl een ander ten doel heeft het aandenken aan een
jongeling van koninklijken bloede te vereeuwigen. Krijgshelden,
wetgevers, wreedaards en menschenvrienden hebben allen omtrent
hetzelfde voorkomen, en onderscheiden zich alleen van elkander door
hunne grootte, waarmede de Egyptische kunstenaar meerdere of mindere
macht en kracht uitdrukt, en door hun portret."
»Doch onder deze portretten," zeide Phanes, het woord nemende, »heb ik
zeer voortreffelijke gevonden. Onder de oudere, die zich te Memphis
bevinden en die maar weinig Grieken te zien krijgen, zijn er enkele
zoo sprekend van uitdrukking, dat men zou meenen de origineelen gekend
te hebben. Ik zou wel wenschen, dat gij die voortreffelijk uitgevoerde
beelden, zoo vol karakter, eens kondet aanschouwen."
»Amasis," sprak de beeldhouwer, »heeft mij enkele getoond, en ik geef
toe dat zij allen lof verdienen, ja dat ik niet in staat zou zijn die
kunstwerken te overtreffen. Doch de Egyptische kunstenaars van heden
staan bij hunne voorvaderen zeer verre ten achter, al moet ik erkennen,
dat ik zeer goede afbeeldingen van Amasis en zijne voorgangers heb
gezien. Ze zijn beter gepolijst, maar op verre na niet zoo krachtig
als de andere kunstwerken. Over het geheel neem ik niets van het
gezegde terug. Gelijk ik mij een zwaard bestel, evenzoo geeft de
koning last tot het vervaardigen van een standbeeld. Alvorens de
meester zijn werk begonnen heeft, weten wij beiden reeds, als wij
namelijk slechts de lengte en breedte nauwkeurig hebben opgegeven,
wat wij aanschouwen zullen, wanneer het werk gereed is.--Hoe zou
ik een grijsaard, die onder den last der jaren gebukt gaat, op
gelijke wijze kunnen voorstellen als een jongeling, die het hoofd vol
levenslust omhoog heft; een vuistvechter gelijk aan een hardlooper;
een dichter gelijk aan een krijgsman?--Plaats Ibycus naast onzen
vriend, den Spartaan, en bedenk eens wat gij wel zeggen zoudt, als
ik den dichter met gebalde vuist, den held met een aanminnig gelaat
en bevallige gebaren wilde voorstellen?"
»En wat antwoordt Amasis op uwe aanmerkingen betreffende dezen
stilstand?"
»Hij betreurt dien zeer, maar voelt zich niet sterk genoeg om de
wetten der priesters op te heffen, die de kunst aan banden leggen."
»En toch," zeide de Delphiër, »heeft hij ter versiering van onzen
nieuwen tempel, om de Grieksche kunst aan te moedigen,--ik bezig
zijne eigene woorden--eene belangrijke som toegestaan."
»Dat 's ferm gehandeld," riep Cresus. »Zullen de Alkmaeoniden weldra
de driehonderd talenten, die zij tot de voltooiing van den tempel
behoeven, bijeenhebben? [165] Ware ik nog maar de rijke man, die ik
eens geweest ben, dan zou ik gaarne al de kosten voor mijne rekening
nemen, hoewel uw booze god mij, in spijt van al mijne geschenken,
leelijk bedrogen heeft. Toen ik hem namelijk liet vragen, of ik
den oorlog tegen Cyrus zou durven ondernemen, gaf hij mij ten
antwoord, dat ik een groot rijk ten onder zou brengen, zoo ik de
rivier Halys overtrok. Ik vertrouwde op deze godspraak, verzekerde
mij, overeenkomstig zijn bevel, van de vriendschap der Spartanen,
en bracht werkelijk een groot rijk ten val, toen ik de grensrivier
had overschreden. Dit rijk was evenwel niet het Medisch-Perzische,
maar mijn eigen arm Lydië, dat thans als eene satrapie van Cambyzes
zich maar noode in zulk eene ongewone afhankelijkheid kan voegen."
»Ten onrechte beklaagt gij u over den god," antwoordde Phryxus, »want
het is niet zijne schuld, dat gij in uwe menschelijke ijdelheid aan
zijne uitspraak eene valsche verklaring hebt gegeven. Hij zeide niet:
'het rijk der Persen', maar een rijk zal door uw strijdlust ten
onder worden gebracht. Waarom hebt ge niet gevraagd, welk rijk hij
bedoelde? Heeft Apollo u bovendien niet naar waarheid het lot van
uw zoon voorspeld en u gezegd, dat deze op een onheilsdag de spraak
terug zou krijgen? En toen gij, na den val van Sardes, van Cyrus verlof
hadt gekregen, om aan het orakel van Delphi te vragen, of de Grieksche
goden zich tot eene wet hadden gesteld, hunne weldoeners met ondank te
beloonen, toen antwoordde Loxias u, dat hij het goed met u had gemeend;
maar dat het onverbiddelijke noodlot, hetwelk machtiger is dan hij,
reeds aan uw grooten voorvader [166] voorzegd had, dat de vijfde na
hem en dit waart gij, ten ondergang was bestemd!"
»Uwe woorden," liet Cresus hier dadelijk op volgen, »zouden mij in de
dagen van mijn ongeluk beter te stade zijn gekomen, dan thans. Er is
eene ure geweest, waarin ik uw god en zijn orakel vervloekte. Toen ik
echter met mijne macht en mijn rijkdom ook mijne vleiers verloren had,
en ik mijne daden begon te beoordeelen naar een maatstaf, dien ik mij
zelven had gesteld, zag ik in dat niet Apollo maar mijne ijdelheid
mij in het verderf had gestort. Het rijk dat vernietigd zou worden,
kon toch het mijne, het machtige rijk van den machtigen Cresus,
den vriend der goden, die als veldheer nog door niemand overwonnen
was, niet zijn! Als een vriend in die dagen mij op het dubbelzinnige
van het orakel had gewezen, ik zou met hem den spot hebben gedreven;
misschien had ik hem zelfs gestraft. Evenals een paard den arts slaat,
die zijne wond betast om te genezen, zoo handelt ook de despoot ten
opzichte van een oprecht vriend, die de wonden van zijne kranke ziel
durft aanraken. Alzoo heb ik niet opgemerkt, wat ik zoo gemakkelijk
had kunnen zien. De ijdelheid verblindt het oog, dat ons gegeven is
tot een onbevangen onderzoek, en geeft voedsel aan de begeerlijkheid
van het hart, dat toch bovendien, den goden zij dank, zich wijd openzet
voor elke hoop op gewin, maar zich ook haastig sluit, wanneer verlies
of onheil in aantocht is. Nu ik helder zie en toch niets te verliezen
heb, ben ik veel meer bezorgd, dan toen niemand meer te verliezen
had dan ik. In vergelijking met hetgeen ik vroeger was ben ik arm,
Phryxus; maar Cambyzes laat mij geen gebrek lijden, en ik ben toch
nog bij machte een talent [167] voor het tot stand brengen van uw
tempel bij te dragen."
Phryxus dankte den ouden koning; maar Phanes zeide: »De Alkmaeoniden
zullen een schoon werk tot stand brengen, omdat zij eerzuchtig zijn
en rijk, en zich de gunst der Amphiktyonen [168] willen trachten te
verwerven, ten einde, door dezen ondersteund, den tyran te verdrijven,
mijn geslacht te overvleugelen en zich van het roer van den staat
meester te maken."
»Tot den rijkdom van dit geslacht hebt gij, Cresus, naar men zegt,
na Agariste [169], die Megacles zoo groote schatten ten huwelijk
medebracht, wel het meeste bijgedragen," zeide Ibycus.
»Zeer waar, zeer waar!" hernam Cresus lachend.
»Verhaal ons, hoe zich dit heeft toegedragen," verzocht Rhodopis.
»Alkmaeon van Athene kwam eens aan mijn hof. De vroolijke, fijn
beschaafde man behaagde mij zoozeer, dat ik hem langen tijd bij mij
hield. Op zekeren dag toonde ik hem mijne schatkamers, bij den aanblik
waarvan hij schier in vertwijfeling geraakte. Hij noemde zichzelven
een gemeenen bedelaar, en verbeeldde zich een allergelukkigst leven te
zullen leiden, zoo hij slechts een enkelen greep in al die heerlijkheid
mocht doen. Ik gaf hem verlof zooveel goud met zich te nemen, als hij
maar dragen kon. Wat deed Alkmaeon nu? Hij liet zich hooge Lydische
rijlaarzen aantrekken, een schort voorbinden en eene mand op den
rug hangen. Deze mand vulde hij met schatten; in het schort laadde
hij zooveel geld als hij maar dragen kon, in zijne laarzen liet hij
gouden munten glijden, terwijl hij op zijn haar en in zijn baard
stofgoud deed strooien. Ja, hij nam zelfs den mond vol goud, zoodat
zijne wangen er zoo gezwollen uitzagen, als ware hij op het punt aan
eene groote ramenas te stikken. Eindelijk hield hij in iedere hand
een gouden schotel, en sleepte zich zoo de deur der schatkamer uit,
terwijl hij bijna onder zijn last bezweek. Maar nauw was hij buiten,
of hij zeeg neder. Nooit heb ik hartelijker gelachen, dan dien dag."
»En gij liet hem die schatten behouden?" vroeg Rhodopis.
»Zeker, mijne vriendin; ik achtte toch de ervaring, dat het goud
zelfs een verstandig man tot een dwaas maakt, niet te duur betaald."
»Gij waart de mildste van alle vorsten!" riep Phanes.
»En ik ben thans de tevredenste van alle bedelaars. Maar zeg mij,
Phryxus, hoeveel heeft Amasis tot den tempelbouw bijgedragen?"
»Hij gaf duizend centenaars aluin!"
»Dat komt mij voor een vorstelijk geschenk te zijn. En de kroonprins?"
»Toen ik hem om zijne medewerking verzocht, en mij op de mildheid van
zijn vader beriep, antwoordde hij met een hoonenden lach, en zeide,
mij den rug toekeerende: Indien gij eens eene inzameling voor de
verwoesting uwer tempels doet, dan ben ik bereid voor dubbel zooveel
te teekenen als Amasis."
»Die ellendige!"
»Zeg liever: die echte Egyptenaar! Psamtik haat alles, wat niet uit
dit land afkomstig is."
»Hoeveel hebben de Grieken te Naucratis bijeengebracht?"
»Behalve de rijke bijdragen van afzonderlijke personen teekende iedere
gemeente voor twintig minen."
»Dat is veel."
»Philoinus, de Sybariet, zond mij geheel alleen duizend drachmen en
deed dit bedrag vergezeld gaan van een zeer zonderlingen brief. Mag
ik hem voorlezen, Rhodopis?"
»Ongetwijfeld," antwoordde de gastvrouw. »Gij zult er uit vernemen,
dat hij berouw gevoelt over de beleedigingen, die hij mij in zijn
roes onlangs heeft aangedaan."
De Delphiër haalde het briefrolletje uit zijn zak te voorschijn, en
las: »Philoinus laat Phryxus weten, dat het hem van harte leed doet,
onlangs bij Rhodopis niet nog meer gedronken te hebben; want hadde
ik dat gedaan, dan zou ik mijn bewustzijn geheel verloren hebben,
en niet bij machte zijn geweest zelfs de kleinste vlieg kwaad
te doen. Mijne verwenschte matigheid is er dus alleen de schuld
van, dat ik mij voortaan niet meer te goed mag doen aan den best
voorzienen disch van geheel Egypte. Desniettemin ben ik Rhodopis
zeer dankbaar voor het genotene, en zend u, tot gedachtenis aan
dat heerlijke rundergebraad, om der wille waarvan alleen ik den kok
der Thracische gaarne tot iederen prijs zou willen koopen, twaalf
groote spietsen tot het roosten van ossen. Gij moogt ze in eene der
schatkameren van den tempel te Delphi, als geschenk van Rhodopis,
laten ten toon stellen. Daar ik een rijk man ben, teeken ikzelf voor
de ronde som van duizend drachmen. Bij de eerstvolgende Pythische
spelen moet dit geschenk openlijk worden uitgeroepen.--Gelieve dien
lomperd Aristomachus van Sparta uit mijn naam te bedanken. Hij heeft
mij het doel mijner Egyptische reis ineens doen bereiken. Ik was
derwaarts gekomen, om mij door dien Egyptischen arts [170], die de
kunst moet verstaan om kwade tanden zonder veel pijn uit te trekken,
van zulk een leelijk exemplaar te laten verlossen. Aristomachus heeft
mij met zijn vuistslag van het kranke deel mijns gebits verlost,
en me die verschrikkelijke kunstbewerking bespaard, waaraan ik niet
zonder siddering kan denken. Toen ik tot mij zelven kwam, vond ik
drie uitgeslagen tanden in mijn mond, den zieken en twee gezonde,
welke laatsten alle kenteekenen droegen, dat zij mij waarschijnlijk
ook nog veel pijn zouden hebben veroorzaakt.
»Groet Rhodopis en den schoonen Phanes van mij; u echter noodig ik uit,
heden over een jaar deel te nemen aan een gastmaal te mijnen huize,
te Sybaris. Uithoofde er vele kleine toebereidselen moeten gemaakt
worden, zijn wij gewoon onze uitnoodigingen in tijds te doen.
»Ik laat dezen brief door mijn geleerden slaaf Sophotatus in het naaste
vertrek schrijven; want ik voor mij krijg reeds kramp in de vingers,
wanneer ik een ander slechts zie schrijven."
Al de gasten barstten in een schaterend gelach uit; Rhodopis hervatte
echter: »Ik verheug mij zeer over dezen brief, omdat er mij uit
blijkt, dat Philoinus geen slecht mensch is. Op echt Sybarietische
wijze opgevoed....."
»Vergeeft mij, heeren, als ik u stoor, en gij, eerbiedwaardige
Helleensche, dat ik ongenood uw vriendelijk huis binnendring!" Met
deze woorden brak iemand, dien de oude matrone volstrekt niet kende en
die door niemand opgemerkt de eetzaal was ingetreden, het gesprek der
gasten plotseling af.--»Ik ben Gyges, de zoon van Cresus, en het is
niet voor de grap, dat ik nauwelijks drie uren geleden Saïs verliet,
om hier nog ter rechter tijd aan te komen!"
»Menon, eene matras voor onzen nieuwen gast!" riep Rhodopis. »Wees
hartelijk welkom in mijn huis, en neem uw gemak na uw wilden, echt
Lydischen rit."
»Bij den hond [171], Gyges," zeide Cresus, zijn zoon de hand reikende,
»ik begrijp niet wat u zoo laat herwaarts voert. Ik had u verzocht niet
van de zijde van Bartja te wijken, die aan mijne zorg is toevertrouwd,
en toch.... Maar hoe ontsteld ziet gij er uit? Is er iets gebeurd? Is
er een ongeluk voorgevallen? Zoo spreek dan toch, spreek!"
Gyges was gedurende de eerste oogenblikken niet in staat, een woord
op de vragen zijns vaders te antwoorden. Toen hij den geliefden man,
voor wiens leven hij zoo bezorgd was geweest, veilig en wel aan
den rijk bezetten disch zag aanliggen, was het hem als had hij ten
tweeden male de spraak verloren. Eindelijk was hij weder in staat te
spreken, en nu antwoordde hij: »Den Goden zij dank, vader, dat ik
u levend terugzie! Geloof niet dat ik mijn post aan Bartja's zijde
lichtvaardig verlaten heb. Ik werd door de omstandigheden genoodzaakt,
als een ongeluksvogel dezen vroolijken kring binnen te dringen. Weet
dan mannen,--want ik mag mijn tijd niet met onnutte voorbereidingen
verspillen,--verraad en overrompeling bedreigen u!"
Al de aanwezenden sprongen als door den bliksem getroffen
overeind. Aristomachus trok onwillekeurig zijn zwaard ter helft uit de
scheede, en Phanes rekte zijne athletische armen uit, als om zich te
vergewissen, of ze nog even veerkrachtig en sterk waren als voorheen.
»Wat is er?--Wat wil men met ons?" klonk het van alle zijden.
»Dit huis is geheel omsingeld door Ethiopische krijgslieden," hervatte
Gyges. »Eene trouwe ziel heeft mij medegedeeld, dat de kroonprins
één uit uw midden wil gevangennemen en wegvoeren, ja, dat hij bevolen
heeft den bedoelden persoon te dooden, indien hij zich mocht willen
verweren: ik vreesde voor u, vader, en spoedde mij hierheen.--De man,
die mij deze mededeeling heeft gedaan, heeft niet gelogen. Dit huis is
geheel ingesloten. Toen ik aan de poort van uw tuin kwam, Rhodopis,
schrikte mijn paard, hoe vermoeid het ook was. Onder het afstijgen
bespeurde ik bij het heldere maanlicht achter iederen struik de
flikkerende wapenen en gloeiende oogen van menschen. die zich daar
verscholen hadden. Zij lieten ons echter ongehinderd binnengaan."
»Gewichtig nieuws!" met deze woorden viel Knakias, die de zaal
kwam binnenstuiven, Gyges in de rede. »Toen ik zoo even naar den
Nijl ging, om water voor het mengvat te halen [172], vloog mij een
mensch tegen het lijf, die mij bijna omverwierp. Ik herkende hem
aanstonds. Het was een Ethiopisch roeier van Phanes. Hij vertelde me
dat, toen hij een oogenblik te voren om zich te baden uit de boot
in den Nijl was gesprongen, eene koninklijke bark het vaartuig van
Phanes was genaderd. Een soldaat had aan de manschap, die daarin de
wacht hield, gevraagd, aan wien deze boot toebehoorde. 'Aan Phanes,'
antwoordde de stuurman. De koninklijke bark voer langzaam verder,
schijnbaar zonder zich om uw vaartuig te bekommeren, overste! Maar
de badende roeiknecht had zich zonder eenige bedoeling op het roer
van het vreemde vaartuig neêrgezet, en hoorde nu, hoe een Ethiopisch
soldaat een zijner kameraden toeriep: 'Houd die boot goed in het oog;
wij weten nu waar de vogel zijn nest heeft. Nu zal het niet veel
moeite kosten hem te vangen. Bedenk dat Psamtik ons vijftig gouden
ringen toegezegd heeft, wanneer wij den Athener, dood of levend,
te Saïs brengen.'--Dit berichtte mij Sebek, de roeier, die u sinds
zeven jaren dient, Phanes!"
Met de grootste kalmte had de Athener het verhaal van Gyges en dat
van den slaaf aangehoord.
Rhodopis beefde, en Aristomachus riep: »Ik zal niet dulden dat
een haar van uw hoofd gekrenkt worde, al moet ik ook geheel Egypte
verslaan!" Cresus gaf den raad om toch voorzichtig te handelen. Eene
geweldige ontroering was op aller gelaat te lezen.
Eindelijk brak Phanes het stilzwijgen af: »Nooit is overleg
noodzakelijker dan in gevaar. Ik heb alles rijpelijk overwogen
en begrijp, dat ik moeielijk te redden ben. De Egyptenaren zullen
beproeven mij uit den weg te ruimen, zonder opzien te wekken. Zij
weten, dat ik voornemens ben morgen in de vroegte met eene Phoceïsche
triëre van Naucratis naar Sigeum [173] te zeilen, en hebben dus geen
tijd te verliezen, zoo zij mij willen oplichten. Uw geheele tuin,
Rhodopis, is omsingeld, blijf ik bij u, zoo kunt gij u verzekerd
houden, dat men uw huis zal doorzoeken en mij van hier wegsleepen. Het
Phoceïsche schip, dat mij naar de mijnen moest overbrengen, zal wel
evenals dit huis bewaakt zijn. Om mijnentwil moet niet nutteloos
bloed gestort worden."
»Gij moogt u niet overgeven!" schreeuwde Aristomachus.
»Ha! Ik heb er wat op gevonden!" riep plotseling Theopompus,
de Milesische koopman, terwijl de anderen allerlei plannen
beraamden. »Morgen, bij het opgaan der zon, zeilt een schip met
Egyptisch koorn, niet van Naucratis maar van Canopus naar Milete. Neem
het paard van den edelen Pers en rijd daarheen. Wij banen u met geweld
een weg door den tuin!"
»Onze ongewapende schaar zou gewis aanstonds het onderspit delven,"
hernam Gyges. »Wij zijn tien man sterk, en slechts drie van ons
hebben een zwaard. Die kerels daar buiten, wier aantal minstens
honderd beloopt, zijn tot aan de tanden gewapend."
»En al hadt gij, Lydiër, nu ook tienmaal geen moed, en al waren ze
ook tweehonderd sterk," riep Aristomachus, »ik zal vechten!"
Phanes drukte zijn vriend de hand. Gyges verbleekte. Die oude held, die
reeds zoo menige proef had doorgestaan, noemde hem een lafaard! Weder
ontbraken hem de woorden om zich te rechtvaardigen. Bij iedere heftige
gemoedsbeweging begaf hem zijn spraakvermogen. Eensklaps echter
kleurde een vluchtig rood zijne wangen, en snel en op beslissenden
toon riep hij: »Volg mij, Athener! en gij, Spartaan, die u anders
wel beraadt alvorens gij spreekt, noem voortaan niemand laf, dien
gij niet kent.--Vrienden, Phanes is gered! Vaarwel, vader!"
In de grootste verbazing staarden zij, die bleven, de twee mannen na,
die daarheen gingen. Eenige minuten na hun vertrek vernamen de gasten,
die in angstige spanning zaten te luisteren, den hoefslag van een paar
wegrennende paarden. Daarop hoorden zij na eene poos een langgerekt
gefluit en een geroep om hulp van den Nijlkant.
»Waar is Knakias?" vroeg Rhodopis aan een harer slaven.
»Hij is met Phanes en den Pers in den tuin gegaan." Op hetzelfde
oogenblik trad de oude dienaar bleek en bevend het vertrek binnen.
»Hebt gij mijn zoon gezien?" riep Cresus hem reeds uit de verte tegen.
»Waar is Phanes?"
»Beiden laten u door mij hun afscheidsgroet brengen."
»Zijn zij dan ontkomen?--Hoe zijn zij er door gekomen?--Waarheen zijn
zij gegaan?--"
»Dáar, in het vertrek hiernaast," verhaalde de slaaf, »spraken
de Athener en de Pers eerst een oogenblik met elkaar. Toen moest
ik beiden ontkleeden. Phanes deed de broek, den rok en den gordel
van den vreemdeling aan, en zette diens spitse muts op. De Pers
daarentegen hulde zich in den chiton en den mantel van den Athener,
versierde zijn voorhoofd met diens gouden band, liet zich het haar
van de bovenlip wegsnijden, en gebood mij hem in den tuin te volgen.
»Phanes, wien iedereen in zijne nieuwe kleeding voor een Pers
zou hebben aangezien, sprong op een der voor de poort gereed
staande paarden. De vreemde riep hem herhaaldelijk toe: 'Vaarwel,
Gyges! Vaarwel, edele Pers! Reis voorspoedig, Gyges!'" De dienaar,
die aan de poort wachtte, reed hem achterna. In de struiken vernam
ik onophoudelijk wapengekletter, doch niemand trad den vluchteling
in den weg. De soldaten twijfelden er geen oogenblik aan, dat hij
een Pers was.
»Toen wij weder voor het huis stonden, gebood de vreemdeling mij:
'Vergezel mij nu naar de boot van Phanes, en noem mij dikwerf bij den
naam van den Athener.'--'Maar de matrozen zouden u kunnen verraden,'
bracht ik hier tegen in. 'Ga dan eerst alleen tot hen, en zeg hun,
dat zij mij moeten ontvangen alsof ik hun meester ware.' Ik bad hem
nog mij toe te staan, dat ik mij in zijne plaats in het kleed van den
ontvlodene zou laten vangen. Doch hij wees mijn verzoek met vastheid
van de hand, en hij had gelijk toen hij zeide, dat mijne houding mij
aanstonds zou hebben verraden.
»Ach, slechts de vrije kan met opgeheven hoofd daarheen wandelen;
de nek van een slaaf is altijd gebogen, en zijne bewegingen missen
de bevalligheid, die gij, edelen, op de scholen en in de gymnasiën
leert. Zoo zal het eeuwig blijven, want onze kinderen moeten aan hun
vader gelijk worden. Uit een armzaligen ui kan geene roos, uit den
grauwen ramenas geene hyacinth voortkomen [174]. De slavernij kromt
den rug, gelijk het bewustzijn der vrijheid ons het hoofd fier omhoog
doet heffen!"
»Wat is er van mijn zoon geworden?" riep Cresus, den slaaf in de
rede vallende.
»Hij nam mijn welgemeend offer niet aan, en zette zich, terwijl hij
mij duizend groeten aan u, o koning, opdroeg, in de boot neder. Ik riep
hem nog toe: 'het ga u goed, Phanes! Voorspoedige reis, Phanes!' Eene
wolk onderschepte het licht van de maan, zoodat het buitengemeen
donker was geworden. Daar hoorde ik op eenmaal om hulp roepen. Dit
duurde evenwel slechts kort, en toen deed zich een gillend gefluit
hooren, waarna ik niets meer vernam dan den gelijkmatigen slag der
riemen. Juist wilde ik in huis gaan, om u van het voorgevallene kennis
te geven, als Sebek de roeier opnieuw kwam aanzwemmen. Hij verhaalde
mij het volgende: De Egyptenaren hadden in het vaartuig van Phanes,
waarschijnlijk door duikers, een gat doen booren. Zoodra het zich een
weinig van den oever verwijderd had, begon het te zinken. De matrozen
schreeuwden om hulp. Toen kwam het koninklijk schip dat hen volgde
naderbij, nam den gewaanden Phanes aan boord, als om hem te redden,
en belette de matrozen van den Athener hunne banken te verlaten. Zij
zijn allen met de boot in de diepte verdwenen; alleen de stoute
zwemmer Sebek bereikte den oever.
»Gyges bevindt zich dus op het koninklijke vaartuig. Phanes is
ontkomen, want dat fluiten strekte zeker om de krijgslieden aan
de achterpoort te onderrichten, dat de zaak in orde was. Toen ik
huiswaarts keerende de struiken langs den weg onderzocht, vond ik
daar niemand meer. Doch in de verte vernam ik het wapengekletter en
het praten der soldaten, die op den terugweg naar Saïs waren."
Met koortsachtige spanning hadden de gasten van Rhodopis den slaaf
aangehoord.
Toen hij zijn verhaal geëindigd had, waren de aandoeningen natuurlijk
tweeërlei. Aanvankelijk had bij de meesten het gevoel van blijdschap
over het geluk, dat de geliefde vriend aan een dreigend levensgevaar
ontkomen was, de overhand. Maar daarna deed zich bij velen de
vrees voor het lot van den koenen Lydiër gelden. Men zwaaide zijner
edelmoedigheid grooten lof toe. Men wenschte den vader geluk met
het bezit van zulk een zoon, en kwam na rijpe overweging eindelijk
tot het eenparig besluit, dat de kroonprins, zoodra hij de dwaling
zijner lieden zou hebben bespeurd, Gyges niet alleen zonder verwijl
in vrijheid zou moeten stellen, maar ook verplicht was, hem eene
genoegdoening te geven voor den hoon hem aangedaan. Cresus zelf
stelde zich daarmede gerust, gedachtig aan de vriendschap van
Amasis en de vrees, die deze voor de macht der Perzen aan den dag
had gelegd. Kort daarop verliet hij het huis van Rhodopis, om bij
den Milesiër Theopompus te overnachten.
»Groet Gyges van mij!" riep Aristomachus, toen de grijsaard zich
verwijderde. »Ik bid hem om vergeving. En zeg hem uit mijn naam, dat
ik zou wenschen, hem tot vriend te hebben, of, zoo dit niet zijn kan,
in een eerlijken krijg als vijand tegenover hem te staan."
»Wie zal zeggen wat de toekomst nog brengen kan!" antwoordde Cresus,
den Spartaan de hand reikende.