De overige leden van het Perzische gezantschap waren van hun
tochtje langs den Nijl naar de pyramiden te Saïs teruggekeerd; alleen
Prexaspes, de gezant van Cambyzes, had reeds de terugreis naar Perzië
aanvaard, om den koning bericht te brengen van den gunstigen uitslag
zijner zending. In het groote paleis van Amasis heerschten de grootste
drukte en vroolijkheid. Het gevolg der gezanten van Cambyzes, dat
uit bijna driehonderd personen bestond, en de aanzienlijke gasten,
aan wie men alle denkbare oplettendheden bewees, vulden alle zalen van
het vorstelijk verblijf te Saïs, terwijl de hoven en pleinen wemelden
van lijfwachten en waardigheidsbekleders, jonge priesters en slaven,
allen in den rijksten feestdosch.
De koning wilde heden, op een feest ter eere van de verloving zijner
dochter, al den rijkdom en de pracht van zijn hof op eene luisterrijke
wijze ten toon spreiden. De hooge receptiezaal, welker blauw geverfde
zoldering, met rijk gesierde beelden voorzien, gedragen werd door
bontbeschilderde zuilen, had het uitzicht op den tuin en maakte een
waarlijk betooverenden indruk. Aan de met beelden en hiëroglyphen
rijk beschilderde wanden en zuilen hingen lampen van gekleurd
papyrus, die een vreemdsoortig licht verspreidden, niet ongelijk aan
dat der zonnestralen, die door geschilderde glasruiten vallen. De
ruimte tusschen de wanden en pilaren was met uitgelezene tamarisken,
bladplanten en bloeiende struiken opgevuld, en achter deze waren een
aantal harp- en fluitspelers verborgen, die de gasten met feestelijke,
hoewel zeer eentonige melodieën ontvingen [121]. Op het midden van
den vloer, die met steenen van wit en zwart marmer was ingelegd,
stonden sierlijke tafels, waarop koud gebraad, zoete gerechten, net
gerangschikte korven met vruchten en koeken, gouden wijnkruiken,
glazen bekers en kunstige bloemvazen waren geplaatst. Rondom de
tafels was eene menigte rijk getooide slaven druk in de weer, die,
onder de leiding van den hofmeester, de gasten spijzen en dranken
aanboden. Deze onderhielden zich met elkander; hetzij staande, hetzij
in leunstoelen gezeten.
Het gezelschap bestond uit mannen en vrouwen van elken leeftijd. Aan
de vrouwen die binnentraden boden jonge priesters, de persoonlijke
dienaren des konings, sierlijke bloemruikers aan. Ook had menig
aanzienlijk jongeling bloemen medegebracht, die hij in den loop van
het feest aan de uitverkorene van zijn hart niet alleen overhandigde,
maar dicht onder den neus hield. De Egyptenaars, die gekleed waren als
bij gelegenheid van de ontvangst der Perzische gezanten, gedroegen
zich zeer hoffelijk, ja bijna onderdanig jegens de vrouwen, onder
welke zich weinige uitstekende schoonheden bevonden. Wel is waar was
er een zekere tooverglans op te merken in menig ovaalvormig oog, die
nog verhoogd werd doordat de randen met zeker blanketsel, "mestem"
[122] geheeten, waren beschilderd. Het hoofdhaar van de meesten was
naar hetzelfde model gekapt, en wel zóo, dat de gefriseerde golvende
lokken allen naar achteren vielen, en van voren zorgvuldig achter de
ooren waren gestreken, behalve dat er rechts en links een haarlok
was bespaard, die bezijden de oogen tot op de borst neerhing. Een
breede diadeem hield dit kapsel samen, waartoe niet minder de kapper,
gelijk de kameniers maar al te goed wisten, dan de natuur het hunne
hadden gedaan. Bij enkele hofdames was over den schedel een lotusbloem
gelegd, welker stengel langs het achterhoofd neerhing. In de fijne
met ringen beladene vingers, waarvan de nagels, naar Egyptische
gewoonte, rood waren geverfd, hielden zij waaiers van veelkleurige
vederen. De bovenarm, het handgewricht, en de enkels waren met
gouden en zilveren ringen getooid. Voorts was de kleeding van al
de aanwezige Egyptische dames even schoon als kostbaar, namelijk
door fijnheid en doorzichtigheid van weefsel, en bij de meeste zoo
uitgesneden, dat de rechterborst onbedekt bleef. Gelijk zich onder
de mannen de jonge Perzische koningszoon, Bartja, door schoonheid en
bevalligheid onderscheidde, evenzoo was Nitetis, de dochter van den
pharao, verreweg de bekoorlijkste onder al de Egyptische vrouwen. De
koninklijke maagd, die in een doorschijnend rozerood gewaad gehuld,
met frissche rozen in het zwarte haar, aan de zijde harer eveneens
gekleedde zuster door de zaal wandelde, was bleek als de lotusbloem,
die het hoofd harer moeder sierde.
De koningin Ladice [123], eene geborene Griekin, de dochter van
Battus van Cyrene, ging aan de zijde van Amasis, om de jonge Persen
aan hare dochters voor te stellen. Een dun kanten kleed hing als een
doorzichtige nevel over haar vorstelijk gewaad van met goud doorwerkte
purperstof. Op het schoongevormde Grieksche hoofd droeg zij een gouden
Uraeus-slang, het hoofdsieraad van de Egyptische vorstinnen [124]. Haar
gelaat was even edel als bekoorlijk, en elke harer bewegingen kenmerkte
zich door eene vlugheid en bevalligheid, die alleen eene Helleensche
opvoeding vermocht te geven. Toegevende aan zijne ingenomenheid met
de Grieken, en den toorn der priesters trotseerende, had Amasis deze
vrouw na den dood zijner tweede gade, de Egyptische Tentcheta [125],
de moeder van den troonopvolger Psamtik, tot zijne koningin verheven.
De beide meisjes aan de zijde van Ladice, Tachot en Nitetis,
werden tweelingzusters genoemd; maar zij vertoonden geen spoor dier
gelijkenis, welke anders tusschen tweelingen gewoonlijk bestaat. Tachot
had blauwe oogen, blonde haren en eene fraaie doch kleine gestalte
[126]. Nitetis daarentegen was groot en kloek, zij had zwarte oogen en
haren, terwijl zij in elk harer bewegingen hare koninklijke afkomst
verried.
»Wat ziet gij bleek, mijne dochter," sprak Ladice, Nitetis op de wang
kussende. »Wees opgeruimd en zie getroost de toekomst tegemoet. Ik
stel u den broeder voor van uw toekomstigen gemaal, den edelen Bartja."
Nitetis sloeg hare verstandige donkere oogen op, en liet ze lang
met een onderzoekenden blik op den schoonen jongeling rusten. Deze
boog zich diep, kuste het kleed der blozende maagd, en zeide: »Wees
gegroet, als mijne toekomstige koningin en zuster! Gaarne geloof ik,
dat u het afscheid van vaderland, ouders, zusters en vriendinnen het
hart beklemt. Heb niettemin goeden moed, want uw gemaal is een groot
held en een machtig koning. Onze moeder Cassandane is de edelste der
vrouwen, en vrouwelijke schoonheid en deugd worden door de Persen
geëerd als het levenwekkende licht der zon. U, zuster van de lelie
Nitetis, wie ik nevens haar 'de roos' zou kunnen heeten, u bid ik om
vergeving dat wij gekomen zijn om u de liefste vriendin te ontrooven."
De blikken van den jongeling ontmoetten, terwijl hij deze woorden
sprak, de blauwe oogen der schoone Tachot, die, terwijl zij de hand
tegen het hart drukte, zwijgend eene buiging maakte en Bartja nog
lang nastaarde, toen Amasis hem met zich voorttrok, om hem de stoel
aan te wijzen tegenover de danseressen, die zooeven begonnen waren
tot vermaak der gasten hare kunsten te vertoonen. Deze meisjes,
slechts in een dun onderkleed gehuld, spreidden op de maat van harpen
en tamboerijns de grootste vlugheid en buigzaamheid van leden ten
toon. Vervolgens gaven Egyptische zangers [127] hunne liederen,
en potsenmakers hunne grappen ten beste.
Eindelijk verlieten eenige hovelingen de zaal, omdat zij, door
het overmatig gebruik van wijn, hunne deftige houding niet meer
wisten te bewaren [128]. De vrouwen begaven zich in bontgekleurde
draagstoelen huiswaarts, afgehaald door slaven, die de fakkels
droegen. Alleen de krijgsoversten, de Perzische gezanten en eenige
waardigheidsbekleeders, bijzondere vrienden van Amasis, werden door den
hofmeester teruggehouden, als zij zich insgelijks wilden verwijderen,
en in eene kostbaar versierde zaal geleid, waar eene op Grieksche
wijze aangerichte tafel, waarop een reusachtig mengvat prijkte,
tot een nachtelijk drinkgelag noodigde.
Amasis zat op een hoogen leunstoel aan het hoofd van de tafel, aan
zijne linkerhand was Bartja, aan zijne rechter- de grijze Cresus
geplaatst. Behalve deze en de vertrouwelingen van den Pharao,
bevonden zich ook de ons bekende vrienden van Polycrates, Theodorus
en Ibycus, alsook de nieuw benoemde overste der Helleensche lijfwacht
Aristomachus, onder de gasten van den koning. Amasis, dien wij nog
maar kort geleden zoo ernstig met Cresus hoorden spreken, had thans
alle zorgen op zijde gezet, en gaf zich over aan vroolijke scherts. Het
was of hij weder de uitgelaten onderbevelhebber, de lustige drinkebroer
was van weleer. Hij scheen onuitputtelijk in spotternijen en geestige
zetten, en menigeen zijner gasten moest het zich getroosten, ten
doelwit te verstrekken aan de luimige aardigheden van zijn heer en
meester. Een schaterend gelach beantwoordde, ofschoon soms gedwongen,
zijne scherts. Beker op beker werd geledigd en de feestvreugde had
haar toppunt bereikt, toen de hofmeester met eene kleine vergulde
mummie binnentrad, en deze aan het gezelschap vertoonende uitriep:
»Drinkt, schertst en zijt vroolijk, want slechts al te spoedig zult
gij aan deze gelijk zijn" [129].
»Is men hier te lande altijd bij feestmalen gewoon, de gasten op
deze wijze aan den dood te doen gedenken," vroeg Bartja, ernstiger
wordende, aan den koning, »of is dit eene aardigheid, die zich uw
hofmeester slechts bij deze gelegenheid veroorlooft?"
»Sinds eeuwen," antwoordde Amasis, »pleegt men de gasten zulke mummiën
voor te houden, om de feestvreugde te verhoogen, en de vrienden te
herinneren, dat men moet genieten zoolang het tijd is. Gij, jonge
vlinder, hebt nog vele jaren van vreugde te goed; wij oudjes echter,
vriend Cresus, zullen wel doen met de ons gegevene waarschuwing in acht
te nemen.--Schenker, vul schielijk onze bekers, opdat geen oogenblik
des levens ongebruikt voorbijga!--Gij zijt een stevig drinker, gij
Pers met uwe goudgele haren! Waarachtig, de groote goden hebben u
zoowel eene flinke keel, als schoone oogen en eene bevallige gestalte
geschonken. Laat mij u kussen, mijn beste jongen, gij ondeugd!--Wat
zegt gij er wel van, Cresus? Mijne dochter Tachot spreekt van niemand
anders dan van dezen melkbaard, die eerst met zijn betooverenden blik
en daarna met zoete woordjes haar hoofdje op hol schijnt te hebben
gebracht.--Nu, nu, gij behoeft niet te blozen, jonge wildzang! een
man als gij mag wel naar koningsdochters vrijen. Maar, al waart gij
uw vader Cyrus zelf, Tachot geef ik niet mede naar Perzië!"
»Vader!" viel de kroonprins Psamtik, den koning in de rede en
fluisterde hem toe: »Vader, betoom uw tong en denk aan Phanes!" De
koning zag zijn zoon aan met een donkeren blik, volgde evenwel zijn
raad, en als ware zijn tong verlamd, mengde hij zich van nu aan
slechts zelden in het gesprek, dat meer algemeen werd.
Aristomachus, die schuins over Cresus zat, had tot nog toe zonder
een enkel woord te uiten, of met de lachers over de scherts van den
koning in te stemmen, de Persen onafgebroken gadegeslagen. Toen nu
de pharao ophield het hoogste woord te voeren, wendde hij zich op
eenmaal tot Cresus, met de vraag: »Ik wenschte wel te weten, Lydiër,
of de bergen met sneeuw bedekt waren, toen gij Perzië verliet?"
Verwonderd en glimlachende over dit vreemde begin, antwoordde Cresus:
»De meeste bergen van het Perzische gebergte prijkten met heerlijk
groen, toen wij vóor vier maanden naar Egypte opbraken. Maar er zijn
hooger bergtoppen in het gebied van Cambyzes, op welke zelfs in het
heetst van den zomer de sneeuw niet smelt [130], en deze zagen wij
in het zonlicht schitteren, toen wij naar de vlakte afdaalden."
Het gelaat van den Spartaan nam onmiddellijk eene vroolijker
uitdrukking aan. Cresus, die in den ernstigen man behagen schepte,
vroeg hem naar zijn naam.
»Ik heet Aristomachus."
»Dien naam heb ik meer gehoord."
»Gij hebt vele Hellenen leeren kennen, en velen dragen denzelfden
naam als ik."
»Naar uwe uitspraak te oordeelen, behoort gij tot de Doriërs. Zijt
gij misschien een Spartaan?"
»Ik was het."
»Zoo zijt gij het dus niet meer?"
»Wie het vaderland zonder verlof verlaat, is des doods schuldig."
»Verliet gij het vrijwillig?"
»Ja!"
»Waarom?"
»Om de schande te ontvluchten."
»Wat hadt gij misdreven?"
»Niets!"
»Gij werdt dus ten onrechte van misdaad beschuldigd?"
»Ja!"
»Wie was de bewerker van uw ongeluk?"
»Gij!"
Cresus stond driftig op. De ernstige toon en het sombere gelaat van den
Spartaan maakten het hem onmogelijk hier aan scherts te denken. Ook
de in de nabijheid der beide mannen aanzittende gasten, die dit
vreemdsoortige onderhoud gevolgd hadden, ontstelden, en verzochten
Aristomachus om eene verklaring van zijne geheimzinnige woorden.
De Spartaan aarzelde. Men kon het hem aanzien dat hij liefst
gezwegen had. Eindelijk echter, toen ook de koning hem tot spreken
drong, begon hij: »Ingevolge de uitspraak van het orakel, hadt gij,
Cresus, ons Lacedaemoniërs, als de machtigste stam der Hellenen,
tot uwe bondgenooten tegen de Persen gekozen, en ons het goud,
dat er noodig was voor het beeld van Apollo-Herme op den berg
Thornax, geschonken. De ephoren besloten daarop u, ten bewijze onzer
dankbaarheid, een reusachtig groot en kunstig bronzen mengvat aan
te bieden. Tot overbrenger daarvan koos men mij uit. Alvorens wij
Sardes bereikten, werd ons schip door een storm vernield. Het kostbare
mengvat verzonk in de diepte. Wij konden alleen ons leven op de kust
van Samos redden. Zoodra wij in het vaderland terug waren gekeerd, werd
ik door afgunstige vijanden beschuldigd, het schip en het mengvat aan
Samische kooplieden verkocht te hebben. Daar men mij niet van schuld
kon overtuigen en tot mijn ondergang besloten had, werd ik veroordeeld
om twee dagen en twee nachten in de boeien te staan. Des nachts smeedde
men mijn voet aan het schandblok vast. Voordat de morgen over mijne
onteering aanbrak, kwam mijn broeder heimelijk tot mij en bracht
mij een zwaard, opdat ik mij zelven zou doorsteken. Maar ik kon niet
sterven, zonder mij op die ellendelingen gewroken te hebben. Daarom
hieuw ik mijn vastgesmeden voet van het been af, en verborg mij
tusschen de biezen aan den oever van den Eurotas. Mijn broeder bracht
mij in stilte spijs en drank. Binnen twee maanden kon ik weder op dit
houten been gaan. De van verre treffende Apollo belastte zich met mijne
wraak, en mijne beide grootste vijanden stierven aan de pest. Maar
toch durfde ik niet in het vaderland terugkeeren. Eindelijk ging ik
te Gythium scheep, om met u, Cresus, van Sardes uit, tegen de Persen
strijd te voeren. Toen ik te Teos aan land stapte, vernam ik dat gij
geen koning meer waart. De groote Cyrus, de vader van dezen schoonen
jongeling, had binnen weinige weken het machtige Lydië veroverd,
en den rijksten koning tot een bedelaar gemaakt."
Al de gasten staarden den ernstigen krijgsheld vol verwondering
aan. Cresus schudde hem krachtig de hand. De jonge Bartja riep in
vervoering: »Spartaan, ik wenschte dat ik u naar Susa kon medenemen,
om mijn vrienden te toonen wat ik gezien heb, namelijk den moedigsten
en eerbiedwaardigsten aller menschen!"
»Geloof mij jongeling," antwoordde Aristomachus glimlachende, »ieder
Spartaan zou even als ik gehandeld hebben. Bij ons te lande behoort
er meer moeds toe om laf, dan wel om dapper te zijn!"
»Maar gij, Bartja," riep Darius, de neef van den koning van Perzië,
»zoudt gij het hebben kunnen verdragen, aan den schandpaal te staan?"
Bartja bloosde, doch 't was hem aan te zien, dat ook hij den dood
boven de schande zou hebben verkozen.
»En gij, Zopyrus?" vroeg Darius, zich tot den derden jongen Pers
wendende.
»Ik zou uit louter vriendschap voor ulieden mij zelven
verminken!" [131] riep deze, en drukte onder de tafel de handen zijner
beide vrienden.
Psamtik zag de jonge helden aan met een spottenden lach. Cresus, Gyges
en Amasis beschouwden hen met het grootste welgevallen. De Egyptenaren
wisselden onderling veelbeteekenende blikken, en de Spartaan beschouwde
de jonge helden met innige vergenoegdheid. Thans verhaalde Ibycus van
het orakel, dat aan Aristomachus het uitzicht had geopend om, wanneer
een ruiterschaar van de met sneeuw bedekte bergen zou afdalen, naar
zijn vaderland teruggeroepen te zullen worden, en gewaagde daarbij
van de gastvrije woning van Rhodopis.
Psamtik werd onrustig toen hij dezen naam hoorde uitspreken. Cresus
deed blijken, dat hij de oude Thracische vrouw gaarne zou leeren
kennen, van wie Aesopus hem zooveel goeds en schoons had verhaald. En
toen de gasten, voor het meerendeel in bijna bewusteloozen toestand,
de zaal verlieten, scheidden ook de onttroonde koning, de dichter, de
beeldhouwer en de Spartaansche held, met de afspraak, den volgenden
dag naar Naucratis te gaan, om eenige aangename uren te slijten in
gesprekken met Rhodopis.