VIERDE HOOFDSTUK.

Vijf dagen na dien merkwaardigen avond in het huis van Rhodopis,

heerschte er eene meer dan gewone drukte aan de haven van

Saïs. Egyptenaren van iederen leeftijd, van allerlei rang, stand

en geslacht, stonden dicht opeengepakt aan den waterkant. Soldaten,

en kooplieden in witte, met veelkleurige franjes omzoomde kleederen,

welker meerdere of mindere lengte afhankelijk was van den hoogeren of

lageren rang dergenen, die ze droegen, bewogen zich onder eene groote

menigte gespierde, halfnaakte mannen uit de laagste volksklasse, wier

eenige kleeding slechts uit een schort bestond. Geheel ongekleede

kinderen verdrongen, stompten en sloegen elkaar, om toch de beste

plaatsen in te nemen. Moeders, met korte mantels om de schouders

[96], hielden hare kleinen in de hoogte, al moesten ze daardoor ook

het voorrecht missen om zelf iets van het verwachte schouwspel te

zien te krijgen. Een tal van honden en katten basten en miauwden, en

zaten elkander na tusschen de voeten der nieuwsgierigen, die uiterst

voorzichtig waren, om toch geen der heilige dieren te trappen of

te bezeeren.

Overal liepen politie-agenten rond, met lange stokken [97] in de hand,

welker metalen knoppen den naam des konings droegen. Zij hadden voor

rust en orde te waken, maar vooral daarvoor, dat niemand door het

gedrang der achteraf staanden in het water viel. Want de arm van den

Nijl, die gedurende den overstroomingstijd de muren van Saïs bespoelde,

was hoog gezwollen. En het bleek niet zelden, dat de voorzorgen dezer

beambten allesbehalve overbodig waren.

Aan de breede met sphinxen bezette oevertrappen, de aanlegplaats der

koninklijke barken, had zich eene geheel andere klasse van menschen

verzameld. Hier zaten op steenen banken de voornaamste priesters, deels

in lange witte gewaden, deels met een schort, kostbare bandelieren,

breed halssieraad en panterhuiden gekleed. Sommigen droegen met

vederen bezette banden, die zij om het voorhoofd, de slapen en

de dichte, valsche haarlokken, die op den rug nedervielen, hadden

bevestigd. Anderen schenen te willen pronken met hunne zorgvuldig

geschorene, glinsterende kale schedels, die meestal goed gevormd

waren. Onder hen was de opperrechter aanstonds te herkennen, want zijn

hoofdtooisel was versierd met eene schoone, golvende struisveder,

en eene kostbare amulet van saffier hing, aan eene gouden keten,

op zijne borst [98].

De bevelhebbers van het Egyptische leger droegen veelkleurige

wapenrokken en korte zwaarden in hunne gordels. Eene afdeeling van de

lijfwacht, met strijdbijlen, dolken, bogen en groote schilden gewapend,

stond ter rechterzijde van de trap geschaard. Ter linkerzijde had

men de Grieksche soldaten geplaatst, uitgedost in hun Jonischen

wapentooi. Hun nieuwe aanvoerder, de ons welbekende Aristomachus,

stond met eenige Grieksche onderbevelhebbers, van de Egyptenaren

afgezonderd, naast de kolossale standbeelden van Psamtik I, die, met de

aangezichten naar den stroom gekeerd, op het plein boven de trap waren

opgericht. Vóor de trap zat de kroonprins Psamtik, op een zilveren

troon. Hij droeg een bonten met gouddraad doorweven rok, die hem eng

om het lichaam sloot. Rondom hem stonden de voornaamste hovelingen,

kamerheeren, raadslieden en vrienden des konings, die staven in de

handen hielden, met pauwenvederen en gouden lotusbloemen versierd [99].

De volksmenigte had al lang, door schreeuwen, zingen en onderling

twisten, duidelijke teekenen van haar ongeduld gegeven. De priesters

en rijksgrooten daarentegen, die wij nabij de trap hebben opgemerkt,

keken met waardigheid en zwijgend voor zich. Ieder van deze afgemetene,

onbeweeglijke mannen in het bijzonder, met zijne stijve krulpruik

[100] en zijn valschen, regelmatig gekroesden baard, had bijzonder

veel overeenkomst met die, onderling volkomen op elkander gelijkende

standbeelden, die rustig, ernstig en met onafgewend gelaat in den

stroom zaten te turen, en onbeweeglijk op hunne plaatsen bleven.

Eindelijk werd men in de verte de zijden, purperrood en blauw geruite

zeilen [101] van schepen gewaar. Het volk hief een luiden jubelkreet

aan. »Daar komen ze, daar zijn ze!" riep men, terwijl het gedrang

toenam.--»Pas op, dat ge niet op dat katje trapt!"--»Minne, houd

het meisje wat hooger, opdat het ook wat te zien krijge van al dat

moois!"--»Heila! je zult me nog in 't water duwen, Sebek!"--»Zie

dan toch toe, Phoeniciër, die jongens werpen klissen in je langen

baard!"--»Nu, nu, Helleen, je moet niet denken dat je in Egypte den

baas moogt spelen, omdat Amasis je toestaat aan de oevers van den

heiligen stroom te wonen!"--»Onbeschaamd volk, die Grieken! Weg met

hen!" riep een tempeldienaar.--»Weg met de zwijneneters [102], die

verachters der Goden!" klonk het van alle zijden. Reeds dreigde men tot

dadelijkheden over te gaan. Maar de politie-agenten toonden, dat zij

hier niet voor niets waren. Spoedig herstelden ze orde en rust, daarbij

een krachtig gebruik makende van hunne lange stokken. De groote bonte

zeilen, die zeer gemakkelijk te onderscheiden waren van de blauwe,

witte en bruine zeiltjes der kleine Nijlvaartuigen, kwamen intusschen

al nader en nader. De menigte was in gespannen verwachting. Thans

rezen de grootwaardigheidsbekleeders en de kroonprins van hunne

zitplaatsen op. De koninklijke trompetters deden eene schetterende,

oorverdoovende fanfare door de lucht weerklinken, en de eerste der met

ongeduld verbeide barken legde voor de oevertrap aan. Het vrij lange

vaartuig was rijk verguld, en voerde op den boeg het zilveren beeld

van een sperwer. In het midden van de bark was een gouden baldakijn

opgericht, met purperen hemel, waaronder lange matrassen lagen. Vóór

in het schip zaten aan weerszijden twaalf roeiers, wier schorten met

kostbare gordels waren vastgesnoerd [103].

Onder den troonhemel lagen zes mannen, allen sierlijk uitgedost en van

een statig voorkomen. Eer nog de bark aan den oever landde, sprong

de jongste hunner, die ook de voornaamste in rang scheen te zijn,

een schoon jongeling met blonde lokken, op de trap. Bij het zien van

dezen jongen man konden de lippen van menige Egyptische maagd een lang

gerekt »Ah!" niet weerhouden. Ja zelfs de strakke gelaatstrekken van

eenige waardigheidsbekleeders plooiden zich tot een welgevallig lachje.

Hij, die aldus zoo algemeen de bewondering en de aandacht trok, was

Bartja [104], zoon van den overledenen en broeder van den regeerenden

koning van Perzië. De natuur had hem alles geschonken, wat een

jeugdig hart op twintigjarigen leeftijd zou kunnen wenschen. Van

onder de blauwe en witte banden, waarmede zijne tiara omwonden was,

kwamen dichte, goudgele haren in weelderige lokken te voorschijn. Uit

zijne helderblauwe oogen straalden levenslust, goedheid en dapperheid,

ja vermetelheid. Zijn edel gelaat, dat de eerste sporen vertoonde van

een baard, zou een waardig model zijn geweest voor den beitel van een

Griekschen beeldhouwer. Zijne ranke, gespierde gestalte getuigde van

groote kracht en ongemeene vlugheid. De pracht van zijn gewaad was

evenredig aan zijne schoonheid. In het midden van zijne tiara fonkelde

eene groote ster van diamanten en turkooizen. Zijn tot over de knie

reikend opperkleed van zwaar wit goudbrocaat, werd boven de heupen

door een gordel van blauw en wit [105] bijéengehouden. In dezen gordel

hing een kort zwaard met gouden scheede, die evenals het gevest, tot

overladens toe, met witte opalen en blauwe turkooizen bezet was. De

benedenkleederen. die nauw om de beenen sloten, bestonden evenals het

opperkleed uit goudbrocaat. Aan de voeten droeg hij lage schoenen van

lichtblauw leder. Zijne krachtige armen, die de wijde lange mouwen van

zijn kleed voor een groot deel zien lieten, waren met onderscheidene

kostbare armbanden van goud en edelgesteente versierd. Van zijn slanken

hals hingen gouden ketens tot op de hooggewelfde borst neder [106].

Deze jongeling was de eerste, die den oever betrad. Hem volgde Darius,

de zoon van Hystaspes, een aanzienlijke Pers, evenals Bartja van

koninklijken bloede en slechts weinig minder kostbaar gekleed dan

deze. De derde persoon die de bark verliet, was een grijsaard met

sneeuwwitte haren. Op zijn vriendelijk, zacht gelaat zetelden de

goedheid van het kind, de wijsheid van den ouderdom en de krachtige

geest van den man. Hij droeg een langen, purperkleurigen rok met

mouwen, en gele Lydische laarzen [107]. Zijn geheele voorkomen was

hoogst eenvoudig en zonder eenige aanmatiging. En toch was deze

nederige grijsaard eenmaal de meest benijdde man van zijn tijd,

met wiens naam thans nog het toppunt van aardschen rijkdom wordt

uitgedrukt. In hem leeren wij Cresus, den onttroonden koning van Lydië

kennen, die thans als vriend en raadsman aan het hof van Cambyzes

leefde, en den jongen Bartja als mentor naar Egypte vergezelde. Hem

volgden Prexaspes, de eigenlijke gezant van den koning, Zopyrus, de

zoon van Megabyzus, een Pers van adel, de vriend van Bartja en Darius,

en eindelijk Gyges, de magere, bleeke zoon van Cresus, die, in zijn

vierde levensjaar stom geworden, tengevolge van den doodsangst, dien

hij bij de inneming van Sardes ter wille van zijn vader had uitgestaan,

de spraak teruggekregen had.

Psamtik steeg de trappen af en ging de vreemdelingen tegemoet,

intusschen beproevende zijn geelachtig, streng gelaat tot een minzamen

glimlach te plooien. De waardigheidsbekleeders, die hem volgden, bogen

zich bijkans ter aarde, terwijl zij de armen slap lieten neerhangen. De

Persen kruisten de handen over de borst, en wierpen zich voor den

kroonprins neder. Toen de eerste plichtplegingen voorbij waren, kuste

Bartja, volgens de gewoonte van zijn land, tot groote verbazing van

het volk, dat zoo iets nog nooit had aanschouwd, de gele wang van

den Egyptischen koningszoon, wien eene rilling door de leden ging bij

deze aanraking van de onreine lippen eens vreemdelings. Hierna begaf

hij zich met zijn gevolg naar de draagstoelen, die gereed stonden om

allen naar de voor hen in het koninklijk paleis te Saïs gereedgemaakte

verblijven te brengen.

Een deel van het volk stroomde de vreemdelingen achterna; de meeste

toeschouwers bleven echter waar zij waren, wetende, dat zij nog

vele dingen zouden aanschouwen, die hunne oogen nooit te voren

hadden gezien.

»Zoudt gij dien opgeschikten aap, en die andere Typhonskinderen [108]

naloopen?" vroeg een tempeldienaar, die alles behalve in zijn humeur

was, zijn buurman, een eerzamen kleermaker uit Saïs.

»Ik verzeker u, Poehor, en ook de opperpriester heeft het gezegd,

dat deze indringers niets dan onheil over het zwarte land [109]

brengen! Och, konden wij dien goeden ouden tijd nog eens beleven, toen

geen vreemdeling, die zijn leven liefhad, den voet op Egyptischen bodem

durfde zetten. Thans wemelen letterlijk onze straten van Hebreeuwsche

bedriegers, maar vooral van die onbeschaamde Hellenen, die de Goden

mogen verdelgen. Daar, zie eens aan, dat is reeds de derde bark vol

vreemdelingen. En weet gij, wie die Persen zijn? De opperpriester heeft

gezegd, dat in hun gansche rijk, hetwelk de halve wereld omvat, geen

enkele tempel is voor de goden. Zij laten de lijken hunner dooden,

in plaats van ze eene eervolle begrafenis te gunnen, door de honden

en gieren opeten [110]."

De kleermaker toonde zich over deze mededeeling niet weinig verbaasd en

nog meer verontrust. Met den vinger naar de aanlegplaats wijzende, riep

hij uit: »Zoo waarachtig als de zoon van Isis den Typhon vernietigt:

daar komt nu het zesde schip met vreemdelingen aan wal!"

»Ja, wel is het erg!" zuchtte de tempeldienaar. »Men zou haast

denken, dat een geheel leger in aantocht was. Amasis zal het nog

zoover drijven, dat hem de vreemdelingen van den troon en het land

uit jagen; dat zij ons armen, evenals weleer de booze Hyksos [111],

die pestmenschen, en de zwarte Ethiopiërs hebben gedaan, uitplunderen

en tot slaven maken."

»De zevende bark!" riep de kleermaker.

»Mijne gebiedster Neith, de groote godin van Saïs, moge mij verderven;"

klaagde de tempeldienaar, »als ik den koning begrijp! Drie schepen

heeft hij naar dat vervloekte giftnest Naucratis gezonden, om de

bedienden en de pakkage der Perzische gezanten herwaarts over te

brengen. Maar die drie bleken bij lange na niet voldoende; nog vijf

andere schepen waren er noodig. Want behalve eene ongehoorde menigte

keukengereedschappen, honden, paarden, wagens, kisten, manden en balen,

hebben deze verachters der goden, deze lijkenschenners, een heir van

knechten duizend mijlen ver hierheen gevoerd. Onder dezen moeten er

zijn, die niets te doen hebben, dan kransen te vlechten of zalven

te bereiden [112]. Ook priesters, die zij magiërs noemen, hebben zij

bij zich. Nu zou ik wel eens willen weten, waarom zij er deze op na

houden? Want wat beduidt een priester waar niet eens een tempel is?"

De grijze koning van Egypte, Amasis, had het Perzische gezantschap,

kort na zijne aankomst, met de hem zoo eigene minzaamheid bij zich

ten gehoore ontvangen. Vier dagen later ging hij, na de bezigheden,

waaraan hij zich geregeld iederen morgen wijdde, te hebben afgedaan,

met den ouden Cresus in den tuin van het paleis wandelen, terwijl de

overige leden van het gezantschap, onder geleide van Psamtik, een

tochtje op den Nijl naar Memphis deden. De koninklijke tuin, die,

hoewel volgens een veel grootscher plan, in denzelfden geest als

die van Rhodopis was aangelegd, bevond zich nabij den koningsburg,

die in het noordwestelijk gedeelte der stad op een heuvel was gelegen.

De beide grijsaards zetten zich neder onder het lommer van eene

breedgetakte sykomore, niet ver van een reusachtig bekken uit rood

graniet gehouwen, waarin krokodillen van zwart bazalt, uit wijdgeopende

muilen, een overvloed van kristalhelder water spoten. Was de onttroonde

koning ook al eenige jaren ouder dan de machtige vorst aan zijne zijde,

zijn gelaat was toch veel frisscher en zijne gestalte veel krachtiger

dan die van Amasis. Deze, ofschoon overigens hoog gebouwd, ging reeds

gebogen; de beenen die zijn groot lichaam droegen waren bijzonder

schraal; zijn aangezicht was welgevormd, maar reeds gerimpeld. Een

jeugdig vuur straalde nog altijd uit zijne kleine, bliksemende oogen,

en een schalke, ja dikwerf spotachtige trek speelde voortdurend om

zijne dikke lippen. Het lage doch breede voorhoofd van den grijsaard

en zijn groote, schoongewelfde schedel getuigden van de kracht zijns

geestes [113]. De afwisselende kleur van zijn oog liet vermoeden,

dat deze zeldzame man, die zich van gemeen soldaat tot den troon der

pharao's had weten te verheffen, groote schranderheid bezat, doch ook

de macht der hartstochten kende. Zijn stemgeluid was hard en snijdend,

zijne bewegingen waren, in tegenstelling met de afgemetenheid van

den geheelen Egyptischen hofstoet, bijkans overdreven levendig.

De houding van zijn metgezel was een koning waardig, doch tegelijk

bevallig. Zijn geheele wezen verried, dat hij veel met de edelste

Grieken verkeerd had. Thales, Anaximander en Anaximenes van Milete,

Bias van Priëne, Solon van Athene, Pittacus van Lesbos, de beroemdste

Helleensche wijsgeeren, hadden zich weleer als gasten aan den disch

van Cresus te Sardes vereenigd. Zijne volle, heldere stem klonk als

liefelijk gezang, bij het schrille geluid van Amasis.

»Maar zeg mij thans onbewimpeld," sprak de pharao, in tamelijk vloeiend

Grieksch, »hoe Egypte u bevalt. Ik weet niemand, op wiens oordeel

ik hoogeren prijs stel, dan op het uwe. Want vooreerst kent gij de

meeste volken en landen van de wereld, ten andere hebben de goden u

de geheele ladder der fortuin op en af doen stijgen, ten derde zijt

gij niet tevergeefs zoo lang de eerste raadsman van den machtigste

aller koningen geweest. Ik zou wel willen, dat mijn rijk u zoo beviel,

dat gij genegen waart, als een broeder bij mij te blijven. Waarlijk,

Cresus, schoon de goden mij eerst gisteren uw aangezicht hebben doen

aanschouwen, zijt gij toch reeds lang mijn vriend."

»En gij de mijne," haastte de Lydiër zich te zeggen. »Ik bewonder

u om den moed, waarmede gij uwe omgeving trotseert, en weet door te

zetten wat gij goed oordeelt. Ik ben u dankbaar voor de bescherming,

die gij mijne vrienden, de Hellenen, verleent. Ik beschouw u als een

lotgenoot, want ook gij hebt al het wèl en wee, dat het leven bieden

kan, bij ervaring leeren kennen!"

»Met dit onderscheid echter," hernam Amasis glimlachend, »dat wij

op zeer verschillende wijze begonnen zijn. U viel eerst het goede,

daarna het kwade ten deel. Mij ging het juist omgekeerd, altijd

namelijk onderstellende," vervolgde hij zuchtende, »dat ik mij in

mijn tegenwoordigen toestand gelukkig gevoel."

»En ook," vulde Cresus aan, »dat ik onder mijn zoogenaamd ongeluk

lijde."

»Hoe zou dit anders kunnen zijn, na het verlies van zulk een heerlijk

rijk en zoo groote schatten?"

»Is dan het geluk alleen te vinden in het bezit van aardsche goederen

of macht?" vroeg Cresus. »Is het wel in iets stoffelijks gelegen? Geluk

is niets anders dan eene gewaarwording, een gevoel, dat de wangunstige

goden eer den behoeftige schenken, dan den machtige, wiens anders zoo

heldere blik niet zelden door den glans van zijne schatten verblind

wordt, en wiens hart bloedt bij elke nederlaag. Zich bewust van

zijn kracht om veel te erlangen, moet hij telkens onderliggen in den

strijd om het bezit van alle goederen, die hij zou wenschen de zijne

te noemen, maar niet verkrijgen kan."

Amasis zuchtte weder en antwoordde: »Ik wenschte wel, dat ik u van

dwaling kon overtuigen. Maar wanneer ik mij mijn verleden herinner, dan

moet ik bekennen, dat sedert het uur, hetwelk mij het zoogenoemde geluk

aanbracht, ook de zorgen mijns levens zich begonnen te doen gevoelen."

»En ik verzeker u," liet Cresus er dadelijk op volgen, »dat ik

u dankbaar ben voor dit woord, al hebt ge het ook uws ondanks

gesproken, daar mij het uur, dat voor mij zoo noodlottig was, het

eerste waarachtige geluk te smaken gaf. Toen de Persen de muren van

Sardes beklommen, verwenschte ik mijzelven en de goden; haatte ik het

leven en vloekte ik mijn bestaan. Al vechtende week ik in vertwijfeling

met de mijnen terug. Daar zwaaide een krijgsknecht zijn zwaard over

mijn schedel; mijn sedert jaren stomme zoon viel den moordenaar in de

armen, en wederom hoorde ik het eerste woord uit dien dierbaren mond,

die door den angst was ontsloten. De tong van mijn spraakloos kind

Gyges was ontboeid, en ik, die de goden had gevloekt, boog mij voor

hun macht. Ik ontrukte den slaaf het staal, waarmede ik hem bevolen

had mij te dooden, als ik in de hand der Persen viel. Ik was een ander

man geworden en leerde langzamerhand de telkens weder boven komende

ontevredenheid over mijn lot en den weerzin tegen mijn edelen vijand

bedwingen. Gij weet, dat ik eindelijk Cyrus' vriend werd; dat mijn

zoon, die het gebruik van zijn spraakvermogen behield, naast mij als

vrij man mocht opgroeien. Al wat ik schoons in mijn langdurig leven

had gezien, gehoord en gedacht, vereenigde zich van nu aan voor mij in

dien eenigen, die mijn rijk, mijne kroon, mijn schat was geworden. Als

ik zag hoe de zorgen Cyrus dag noch nacht rust lieten, kreeg ik een

afkeer van mijne eigene vroegere grootheid en macht, en werd het mij

steeds duidelijker, waar het waarachtig geluk te vinden is. Een ieder

draagt het als eene verborgene kiem in zijn hart om. De tevredenheid en

het geduld, die den mensch in staat stellen zich niet alleen over het

groote en schoone, maar ook over den geringsten zegen te verblijden,

het leed zonder klachten aan te nemen, en het door de gedachten aan

een beter verleden te verzachten; dat zich zelven gelijkblijven onder

alle omstandigheden; het onwankelbaar vertrouwen op de bescherming

der goden, en de overtuiging, dat ook het ergste ons voorbijgaat,

wijl alles aan verandering en omkeer onderworpen is,--dit alles doet

ontwijfelbaar de in onze borst verborgene kiem des geluks rijpen,

en schenkt ons de kracht om te glimlachen, als het troetelkind van

de fortuin versaagt en vertwijfelt."

Amasis luisterde aandachtig toe, terwijl hij inmiddels met den gouden

kop van een hazewind op zijn staf figuren in het zand teekende. Hij

zeide daarop: »Inderdaad, Cresus, ik, de groote God, de zon der

gerechtigheid, de zoon van Neith, de heer van den krijgsroem [114],

gelijk de Egyptenaren mij noemen, zou u, den armsten, den beroofden

en onttroonden vorst haast kunnen benijden. In vroeger dagen was

ik even gelukkig als gij thans zijt. Geheel Egypte kende mij,

den armen zoon van een hoofdman, en gewaagde van mijne dartelheid,

mijne guitenstreken, mijne luchthartigheid en mijn aan roekeloosheid

grenzenden moed. De gemeene soldaat droeg mij op de handen. Mijne

meerderen vonden veel in mij te berispen; maar uit liefde voor

den dollen Amasis zag men alles door de vingers. Mijne makkers,

de onderbevelhebbers van het leger, hadden geen genoegen op het

heerlijkste feest, als ik er niet bij was.

»Op zekeren dag zond mijn voorganger, Hophra, ons ten strijde tegen

Cyrene. In de woestijn van dorst versmachtende, weigerden we verder

te trekken. Wij begonnen den koning te verdenken, dat hij ons in de

macht der Helleensche krijgsbenden wilde overleveren, en kwamen tot

openbaren opstand. Schertsend, als altijd, riep ik den vrienden toe:

Zonder koning kunt gij u niet redden, maakt mij dus tot uw vorst;

een vroolijker vindt gij zeker nergens! De soldaten hadden dit

woord vernomen. Amasis wil koning worden! klonk het van gelid tot

gelid, van mond tot mond. De goede, de vroolijke Amasis zij onze

koning! jubelde het gansche leger na weinige oogenblikken. Een mijner

oude tafelvrienden zette mij den veldheershelm op het hoofd, en toen

deed ik de scherts in ernst verkeeren. De hoofdmacht van het leger

sloot zich bij mij aan, en wij versloegen Hophra bij Momemphis. Het

volk nam aanstonds deel aan den opstand. Ik beklom den troon. Men

noemde mij gelukkig. Ik, die tot dusverre de vriend was van alle

Egyptenaren, werd spoedig de vijand van de besten in den lande.

»De priesters huldigden mij en namen mij in hunne kaste op, maar alleen

omdat zij hoopten mij geheel naar hunne hand te kunnen zetten. Zij,

die vroeger boven mij stonden, benijdden mij, of wilden op denzelfden

toon als voorheen met mij blijven verkeeren. Ik begreep dat dit niet

mogelijk was en mijn gezag zou ondermijnen. Op zekeren dag, toen de

oversten van het leger bij mij ter maaltijd waren en met mij wilden

schertsen, wees ik hun op het gouden bekken, waarin men, voor wij aan

tafel gingen, hunne voeten gewasschen had. Vijf dagen later waren

zij wederom mijne gasten, en toen deed ik een gouden beeld van den

grooten god Ra [115] op den rijk voorzienen disch plaatsen. Zoodra

zij het beeld zagen, vielen zij neder om te aanbidden. Toen zij

wederom waren opgestaan, greep ik mijn schepter, hield dien plechtig

in de hoogte en riep: Dit beeld van den God heeft een mensch in vijf

dagen vervaardigd uit het verachte bekken, in hetwelk gij spuwdet,

en waarin men uwe voeten wiesch. Ik zelf was eens zulk een veracht

vat; de godheid evenwel, die beter en sneller dan een goudsmid weet

te scheppen, heeft mij tot uw koning gemaakt. Valt dus voor mij neder,

en aanbidt. Wie ongehoorzaam is, of voortaan den eerbied, dien hij den

koning verschuldigd is, uit het oog verliest, is des doods schuldig.

»Zij vielen voor mij neder, allen. Mijne waardigheid was gered; maar

mijne vrienden had ik verloren. En nu gevoelde ik behoefte aan een

anderen, vasteren steun. Dezen vond ik bij de Hellenen. Éen Griek

is, wat de krijgstucht betreft, meer waard dan vijf Egyptenaren. Dat

wist ik, en met het oog hierop waagde ik het door te zetten, wat ik

voor mijzelven raadzaam achtte. Van toen af was ik altijd omringd

door Grieksche soldaten. Ik leerde hunne taal, en maakte door hunne

tusschenkomst kennis met den edelsten mensch, dien ik ooit ontmoette,

namelijk Pythagoras. Het werd mijn streven in Egypte Grieksche kunst en

Grieksche zeden in te voeren. Want ik was tot de overtuiging gekomen,

dat het allerdwaast is halsstarrig vast te houden aan het gebrekkige,

dat ons door de vaderen is overgeleverd; dat voor de hand lag wat

verbeterd moest worden; dat de Egyptische grond gereed was om het

goede zaad te ontvangen en slechts wachtte op de hand, die 't uit

zou strooien.

»Ik maakte eene nieuwe en veel doelmatiger rijksverdeeling,

nam de beste maatregelen voor de openbare veiligheid, en het

gelukte mij veel door te zetten. Mijn hoogste doel evenwel, om

namelijk den Griekschen geest, den Griekschen schoonheidszin, den

Griekschen levenslust en de vrije Helleensche kunst in dit schoone,

weelderige en toch nog zoo onbeschaafde land ingang te doen vinden,

leed schipbreuk op de klip, die mij, zoodra ik op iets nieuws het

oog had, met een volkomen ondergang bedreigde. De priesters binden

mij de handen en werken mij tegen. Zij zijn mijne meerderen. Zij,

die niet bijgeloovigen eerbied aan alle overleveringen gehecht zijn,

voor wie al het vreemde een gruwel is, en die in iederen buitenlander

een natuurlijken bestrijder zien van hun gezag en hunne leerstellingen,

regeeren het godsdienstigste van alle volkeren met bijna onbeperkte

macht. En dit is de oorzaak, dat ik hun mijne beste plannen ten offer

moet brengen; dat ik, de minst vrije in geheel Egypte, mijn leven

naar hunne strenge inzettingen doelloos moet laten voorbijgaan; dat

ik onvoldaan zal sterven, en misschien bij mijn dood niet eens zeker

zal zijn, dat deze toornige en trotsche middelaars tusschen den mensch

en de godheid mij de eeuwige ruste in het graf zullen gunnen!"

»Bij Zeus, den vader der goden en menschen, arme gelukkige!" viel

Cresus thans meewarig den koning in de rede, »ik begrijp uwe

klacht. Want hoewel ik gedurende mijn langdurig leven reeds menigeen

heb gekend, die somber en afgetrokken zijne dagen sleet, zoo kon ik

toch niet denken, dat er een geheel geslacht van menschen zou bestaan,

die allen met dezelfde somberheid bedeeld zijn, gelijk de slangen met

gifttanden. Zoovele priesters als ik op mijne reize hierheen en aan uw

hof ontmoet heb, zoovele norsche en wrevelige aangezichten heb ik ook

gezien. Zelfs de jongelingen die u bedienen, zag ik zelden lachen;

en vroolijkheid pleegt toch, als de schoonste gave der godheid,

een kenmerk der jeugd te zijn, gelijk de bloemen dat der lente."

»Gij zoudt u zeer vergissen," antwoordde Amasis, »indien gij alle

Egyptenaren voor sombere menschen wildet houden. Onze godsdienst

eischt wel, dat wij steeds ernstig aan den dood zullen denken,

maar overigens zult gij ternauwernood een volk vinden, dat zoo

geneigd is tot vroolijke scherts. Is er aanleiding tot feestvreugde,

geen volk zal zoo gemakkelijk alle zorgen vergeten en zoo uitgelaten

jubelen als het mijne. Maar uwe tegenwoordigheid aan mijn hof is den

priesteren een doorn in het oog, en zij laten mij hun wrevel over

mijne gemeenzaamheid met u als vreemdeling duidelijk gevoelen. Die

knapen op welke gij doelt, de zonen der aanzienlijksten onder hen, zijn

de grootste plaag van mijn leven. Zij bewijzen mij slavendiensten en

vliegen op elk mijner wenken. Men zou hen, die hunne kinderen eene zoo

nederige betrekking laten vervullen, oppervlakkig voor de gehoorzaamste

en eerbiedigste dienaren houden van een vorst, dien zij als een God

vereeren. Maar geloof mij, Cresus, juist achter dit offer van hunne

zijde, dat geen koning zonder te beleedigen van de hand kan wijzen,

schuilt eene fijne en listige berekening. Ieder dezer jongelingen is

mijn bewaker, mijn spion. Ik kan geene hand verroeren, zonder dat zij

het weten. En wat zij te weten komen, wordt in hetzelfde uur aan de

priesters overgebracht."

»Maar hoe kunt gij zulk een leven verdragen? Verban deze schandelijke

spionnen uit uwe tegenwoordigheid, en kies uwe dienaren, bijvoorbeeld

uit de kaste der krijgslieden, die u niet minder nuttig kan zijn dan

die der priesters."

»Kon ik maar, durfde ik slechts!" riep Amasis. Doch opeens ging hij

voort op zachter toon, als ware hij van zichzelf geschrikt: »Ik geloof

zeker dat men ons beluistert! Morgen zal ik het vijgenboschje daar

ginds laten uitroeien. Het is dien jongen, priesterlijken hovenier,

die daar de nog nauwelijks rijpe vijgen plukt, stellig om andere

vruchten te doen, dan die hij zoo langzaam in zijn korfje legt. Met

zijne hand zamelt hij het ooft in, en met zijn oor de woorden uit

den mond zijns konings..."

»Maar bij vader Zeus en Apollo!..."

»Ik begrijp uwe verbazing," vervolgde Amasis fluisterend, »en kan er

in deelen. Maar ieder recht brengt zijne plichten mede. Als koning

van dit land, waarin men de overlevering als hoogste godheid vereert,

moet ik mij aan het duizenden jaren oude hofceremoniëel, althans

voorzoover de hoofdzaak betreft, onderwerpen. Waagde ik het mijne

kluisters te verbreken, dan kon ik mij verzekerd houden, dat men

mijn lijk onbegraven zou laten liggen. Want weet, dat de priesters

over iederen afgestorvene een doodengericht houden, en een iegelijk

dien zij schuldig oordeelen de ruste van het graf ontzeggen [116]. De

genegenheid die zij voor mijn zoon koesteren, waarborgt mijne mummie

wel eene eerlijke begrafenis. Doch wat mijn lijk te wachten staat

van hen, die voor de doodenoffers moeten zorgen...."

»Wat bekommert ge u om het graf!" riep Cresus met eenigen wrevel. »Men

leeft voor het leven, niet voor den dood!"

»Zeg liever," hervatte Amasis, opstaande, »wij, die als Grieken

denken, achten een schoon leven het hoogste, wat een mensch ten deel

kan vallen. Ik echter, Cresus, dank mijn bestaan aan een Egyptischen

vader, ik ben door eene Egyptische moeder gezoogd, met Egyptische

spijze gevoed, en heb ik ook veel van de Hellenen overgenomen,

in mijn innerlijk wezen blijf ik toch steeds Egyptenaar. Wat ons

in onze kindsheid is aangeprezen, en in onze jeugd als heilig en

goed is voorgesteld, dat leeft in ons hart voort, totdat men ons

wikkelt in het lijkkleed der mummiën. Ik ben een grijsaard en heb

nog slechts een kort eindwegs af te leggen, om den grenspaal te

bereiken, waar de onbekende toekomst aanvangt. Zal ik nu, om mijne

nog weinige levensdagen te verzoeten, de duizenden jaren, die mij

bij den dood wachten, verbitteren? Neen, mijn vriend! juist hierin

ben ik Egyptenaar gebleven, dat ik als al mijne landgenooten vast en

zeker geloof, dat van het behoud mijns lichaams, de woning der ziel,

het geluk van mijn tweede leven [117] afhankelijk is, wanneer ik nog

niet waardig word bevonden om op te gaan in de wereldziel en, zelf

een bestanddeel dier ziel, als Osiris deel te nemen aan het bestuur

van al het geschapene. Maar genoeg van deze dingen, die gij toch niet

verstaat. Beantwoord liever mijne vraag: Hoe bevallen u onze tempels

en onze pyramiden?"

Cresus bedacht zich een oogenblik, waarna hij glimlachend antwoordde:

»De steenmassa's der pyramiden maken op mij den indruk, als waren zij

door de onmetelijke woestijn, de bonte zuilengangen uwer tempels, als

waren zij door de bloeiende lente geschapen. Maar terwijl de sphinxen,

die tot de tempelpoorten leiden, den weg naar het heiligdom wijzen,

zoo schijnen de steile, vestingachtige muren der pylonen opgetrokken om

ieder af te weren. Evenzoo hebben de veelkleurige hiëroglyphen-beelden

iets aantrekkelijks, maar geheimzinnig als ze zijn, schrikken zij

den onderzoekenden geest af. Overal staan beelden van uwe goden in

allerlei gestalten, zoodat men ze zien moet, of men wil of niet, en

toch vermoedt ieder, dat ze iets anders beteekenen dan zij voorstellen,

dat zij, naar ik hoor, de zinnebeelden zijn van diepe gedachten, die

maar weinige menschen begrijpen kunnen. Alles trekt mijne aandacht,

alles wekt mijne belangstelling, doch mijn warm gevoel voor het

schoone wordt door niets van wat ik zie weldadig aangedaan, veel

minder bevredigd. Indien mijn geest mocht willen indringen in de

geheimnissen van uwe wijze mannen, zou mijn hart en mijn verstand

toch zeker vreemd blijven aan de hoofddenkbeelden, waarop uw denken,

leven en streven berust. Zij schijnen mij te leeren, dat men het

leven heeft te beschouwen als eene korte bedevaart naar het graf,

den dood daarentegen als het eigenlijke, ware leven."

»En toch wordt ook door ons het leven, dat men door heerlijke feesten

opluistert, in zijne volle waarde erkend, heeft ook voor ons het graf

zijne verschrikkingen, en poogt men den dood te ontvluchten, wanneer

hij zich vertoont. Onze geneesheeren zouden niet zoo beroemd en geëerd

zijn, als men hun het vermogen niet toeschreef om ons aardsche leven

te verlengen. Doch dit doet mij aan den oogarts Nebenchari denken, dien

ik naar Susa zond, om den koning zijne diensten te bewijzen. Handhaaft

hij zijn roem, is men tevreden over hem?"

»Uitmuntend," antwoordde Cresus. »Zulke vertegenwoordigers der

wetenschap doen uw land eer aan. Het was ook Nebenchari, die Cambyzes

het eerst sprak over de bevalligheid uwer dochter. Reeds vele blinden

heeft hij hersteld, maar 's konings moeder mist helaas nog altijd het

gezicht. Wij bejammeren het slechts, dat hij alleen bedreven is in

de oogheelkunde. Toen de prinses Atossa de koorts had, was hij niet

te bewegen haar eenigen raad te geven."

»Dat is zeer natuurlijk, daar onze geneesmeesters ieder slechts éen

bepaald deel van het lichaam mogen behandelen. Wij hebben hier oor-,

tand- en oogartsen, dokters voor beenbreuken, en weer andere voor

inwendige ziekten. Overeenkomstig de oude priesterlijke verordeningen,

mag een tandendokter geen doove, een beenarts geen ingewandslijder

behandelen, ook al ware hij volkomen bekend met het geheele

inwendige samenstel van het lichaam [118]. Deze verordening heeft

ten doel, meerdere grondigheid in de beoefening van de geneeskunde

te bevorderen. Nu is het zeker ook waar, dat de priesters, waartoe de

artsen behooren, over het algemeen zich met hoogst loffelijken ernst op

de wetenschap toeleggen. Ginds ziet gij het huis van den opperpriester

Neithotep, wiens sterren- en meetkundige kennis zelfs door Pythagoras

hoog geroemd werd. Het staat naast den zuilengang, die tot den tempel

der godin Neith, de gebiedster van Saïs, toegang verleent. Ik wenschte

dat het mij geoorloofd ware, u het heilige bosch met zijne prachtige

boomen, de kostbare zuilen van het heiligdom, welker kapiteelen in den

vorm van lotusbloemen [119] zijn uitgehouwen, en de kolossale kapel van

graniet, die ik te Elephantine uit een enkelen steen liet vervaardigen,

tot een geschenk voor de godin [120], te toonen. De priesters hebben

mij echter uitdrukkelijk verzocht ook u niet verder te brengen dan

tot aan den ringmuur en het poortgebouw van den tempel. Kom, laat

ons thans tot mijne vrouw en dochters gaan, die u ook reeds als een

oud vriend liefhebben. Ik hoop, dat gij het arme kind zult bewijzen,

dat gij waarlijk haar vriend zijt, voordat gij met haar henen trekt

naar het verre land en tot de vreemde menschen, wier vorstinne zij

wezen zal. Niet waar, gij wilt toch wel haar beschermer zijn?"

»Verlaat u daarop," verzekerde Cresus, de hand drukkende, die Amasis

hem toereikte. »Ik wil uwe Nitetis als een vader ter zijde staan, en

mijne hulp zal niet gansch overbodig zijn. De vrouwenvertrekken der

Perzische paleizen hebben een glibberigen bodem. Maar ik verzeker u,

dat zij met achting en onderscheiding bejegend zal worden. Cambyzes

mag over zijne keuze tevreden zijn, en hij zal er zich zeker zeer

erkentelijk voor betoonen, dat gij hem uw schoonste kind hebt

afgestaan. Want ofschoon Tachot niet minder aanvallig schijnt dan

Nitetis, zoo onderscheidt deze laatste zich toch door hare fiere

houding, hetgeen eene toekomstige koningin van Perzië niet zal

misstaan. Nebenchari had slechts van uwe dochter Tachot gesproken."

»En toch geef ik u mijne schoone Nitetis mede. Tachot is zoo teer en

zwak, dat zij de vermoeienissen van de reis en de smart der scheiding

nauwelijks zou kunnen doorstaan. Handelde ik naar de inspraak van mijn

hart, zoo behield ik ook Nitetis bij mij. Maar Egypte heeft behoefte

aan vrede, en ik was koning eer ik vader werd!"

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 6 / 38 题