Al de gasten hadden het huis verlaten.
Gelijk een hagelslag in een bloeiend graanveld, zoo was de
hoonende taal van den slemper in de vreugde der scheidende vrienden
gevallen. Rhodopis zelve stond, bleek en bevende, in de nu ledige, maar
nog feestlijk versierde zaal. Knakias doofde de lampen langs de wanden
uit. Het helle licht van zoo even begon nu allengs plaats te maken
voor een onaangenaam schemerdonker, dat het onachtzaam dooreengeworpen
tafelgereedschap, de overblijfselen van den maaltijd en de van hunne
plaats geschovene rustbedden slechts spaarzaam verlichtte. Door
de opene deur stroomde eene koude nachtlucht binnen; want de morgen
brak reeds aan, en in Egypte is de temperatuur, onmiddellijk vóor het
opgaan der zon, doordringend koel. Eene lichte huivering voer door de
leden van de slechts luchtig gekleede vrouw. Met weemoed liet zij hare
blikken dwalen door de ledige ruimte, die nog voor weinige minuten
weêrgalmde van vroolijk gejubel. Zij vergeleek haar gemoed met deze
verlatene feestzaal. Het was haar, als knaagde een worm aan haar hart,
als stolde haar bloed tot sneeuw en ijs.
Lang stond zij dus, onbewust van wat om haar heen plaats greep,
totdat hare oude slavin verscheen en haar naar het slaapvertrek
voorlichtte. Zwijgend liet Rhodopis zich ontkleeden. Zwijgend
opende zij het voorhangsel, dat een tweede slaapvertrek van het hare
scheidde. In het midden er van stond eene ahorn-houten rustbank [86],
waarin, op een matras van zachte schaapswol, waarover witte lakens
waren gespreid, onder een lichtblauw dek, een engelachtig, wonderschoon
meisje sluimerde. Het was Sappho, de kleindochter van Rhodopis. De
teederheid, de zachte ronding der vormen, het fijn gevormde gelaat
dezer jeugdige maagd waren onberispelijk. De zalige, vreedzame lach
om die lippen bewees, dat dit kind zich nog van geen kwaad bewust was,
nog niets anders kende dan geluk. De eene hand der slapende, waarop het
lieve hoofdje rustte, was door het dichte donkerbruine haar verborgen;
de andere hield eene kleine amulet van groenen steen [87], die van haar
hals nederhing, losjes omvat. De lange oogwimpers bewogen zich nauw
merkbaar, en over de wangen van dit bekoorlijk wezen lag een teeder
rozenrood verspreid, dat onmerkbaar samenvloeide met de blankheid van
het gelaat. De fijne neusvleugels rezen en daalden gelijkmatig bij
iederen ademtocht. Zóo zou men de onschuld voorstellen, zóo lacht eene
reine ziel, zulk een slaap schenken de goden aan de zorgelooze jeugd.
Zonder het minste geritsel te weeg te brengen, het zware
tapijt nauwelijks met de teenen aanrakende, naderde Rhodopis het
bed. Met onbeschrijfelijke teederheid aanschouwde zij het lachende,
kinderlijke gelaat. Zachtkens, en bijna zonder te ademen, knielde zij
neder. Behoedzaam drukte zij haar aangezicht in het zachte dek, zoodat
de hand van het meisje in aanraking kwam met hare grijze haren. Nu
welden er tranen in de oogen der diepgekrenkte vrouw, en zij liet ze
den vrijen loop, als wilde zij met die tranen de vernedering, die zij
geleden had, en al den kommer harer ziel afwasschen. Eindelijk stond
zij op, drukte eene kus op het voorhoofd van het kind, dat haar zoo
onuitsprekelijk dierbaar was, hief de handen hemelwaarts, en keerde
dan naar haar eigen vertrek terug, even behoedzaam als zij gekomen was.
De oude slavin stond nog altijd bij hare slaapstede te wachten. »Wat
wilt gij nog zoo laat, Melitta?" vroeg Rhodopis vriendelijk en
zacht. »Ga naar bed. Dat lange waken deugt niet voor uwe hooge
jaren. Gij weet, dat ik u niet meer noodig heb. Goedennacht! Kom
morgen niet voordat ik u laat roepen. Ik zal niet veel kunnen slapen
en blijde zijn, als ik tegen den morgen even mag insluimeren!"
Nog altijd aarzelde de slavin. Men kon het haar aanzien, dat zij nog
iets te zeggen had, maar niet durfde spreken.
»Hebt gij mij misschien iets te vragen?" zeide Rhodopis.
De oude vrouw weifelde nog.
»Spreek vrij uit, spreek; maar maak het kort!"
»Ik zag u weenen," begon de trouwe slavin ten laatste; »het schijnt mij
toe, dat gij onder kommer gebukt gaat, of krank zijt. Mag ik niet bij
u waken; wilt gij mij niet zeggen, wat u deert? Reeds menigmaal hebt
gij ondervonden, hoe het de borst verruimt en de smart draaglijker
maakt, wanneer men aan een ander zijn leed kan mededeelen. Vertrouw
mij ook thans de oorzaak uwer droefheid toe; het zal u goed doen,
o zeker, het zal uwe ziel rust geven."
»Neen, ik kan niet spreken!" antwoordde hare meesteres. Daarop
vervolgde zij, smartelijk lachende: »Wederom is het mij gebleken,
dat eene godheid zelfs niet bij machte is, het verleden eens
menschen uit te wisschen, en dat ongeluk en schande in den regel
samengaan. Goedennacht! Verlaat mij thans, Melitta."
Den volgenden dag, omstreeks den middag, legde dezelfde bark, die
's avonds te voren den Athener en den Spartaan had overgevoerd, voor
den tuin van Rhodopis aan. De zon scheen zoo helder, zoo warm en
zoo vriendelijk aan den wolkloozen donkerblauwen Egyptischen hemel;
de lucht was zoo zuiver en fijn; de kevers gonsden zoo lustig; de
schippers in de tallooze booten zongen uit zoo ruime borst hunne
eenvoudige, telkens herhaalde liederen; de boorden van den Nijl
bloeiden zoo liefelijk en vertoonden zulk eene vroolijke mengeling van
bonte vanen en van bedrijvige menschen; de palmen, sykomoren, acacia's
en bananen verhieven zoo fier hunne groene en bloesemrijke kruinen;
het geheele landschap scheen, zoo ver het oog strekte, zoo ongemeen
rijk bedeeld te zijn door eene milde godheid, die het geven niet
moede werd,--dat de wandelaar wel denken moest: uit dit oord is alle
ongeluk verbannen, hier is de woonsteê van ware vreugde en levensgenot.
Hoe menigmaal wanen wij, wanneer we een tusschen bloeiende vruchtboomen
half verscholen dorpje voorbijtrekken, dat dáar de zetel is van den
vrede, dat niemand daar onvervulde wenschen kent, maar ieder tevreden
is met zijn bescheiden deel! Doch nauw treden wij de nederige huizen en
hutten binnen, of die voorstelling blijkt geheel onwaar te zijn. Want,
gelijk overal, vinden we ook dáar angst en nood, begeerlijkheid en
hartstocht, vreeze en berouw, smart en ellende naast, helaas, zoo
weinig geluk en vreugde! Wie toch zou kunnen vermoeden, indien hij
aan de oevers van den Nijl verplaatst werd, in het aloude Egypte,
dat dit lachende, rijk bedeelde, veelkleurige, zonnige land, welks
heldere hemel zich nooit achter wolken verbergt, de woonplaats is van
de ernstigste menschen? Wie zou kunnen gelooven, dat in die sierlijke,
door kransen en bloemfestoenen als omwevene gastvrije woning van de
gelukkige Rhodopis, een hart klopte met naamloozen kommer vervuld? Wie
der gasten van deze zoozeer gevierde Thracische vrouw kon denken, dat
dit hart geen ander was dan dat der schoone, altijd zoo vriendelijk
lachende matrone?
Bleek, maar schoon en minzaam als altijd, zat zij met Phanes in een
dicht belommerd priëel, naast den verfrisschenden waterstraal der
fontein. Men kon het haar aanzien, dat zij lang en veel geweend
had. De Athener hield hare hand in de zijne en zocht haar te
troosten. Rhodopis luisterde geduldig toe, nu eens met een bitteren
lach, dan weer, ten teeken harer instemming met zijne woorden, even
het hoofd buigende. Eindelijk viel zij den welmeenenden vriend in de
rede, zeggende:
»Ik dank u, Phanes! binnen korteren of langeren tijd moet ook deze
beleediging vergeten worden. De tijd is een goed heelmeester. Ware ik
zwak, zoo zou ik Naucratis verlaten, en voortaan in strenge afzondering
alleen voor mijne kleindochter leven. In dit jeugdig schepseltje, zeg
ik u, sluimert eene geheele wereld. Duizendmaal kwam het denkbeeld in
mij op Egypte te verlaten, duizendmaal onderdrukte ik dien wensch. Niet
de begeerte naar eene hulde, die mij door uw geslacht zoo ruimschoots
wordt gebracht, hield mij hier terug. Daarvan heb ik zooveel genoten
dat ik er oververzadigd van ben. Ik, de zwakke, eens zoo diep verachte
vrouw, de slavin van weleer, gevoel mij in Egypte op mijne plaats,
want het bewustzijn, dat ik voor edele, vrije mannen, zoo al niet
onontbeerlijk, dan toch van groot nut ben, bond en bindt mij nog
voortdurend aan deze plaats. Aan een grooten werkkring onder zulke
mannen gewoon, zou ik mij niet kunnen vergenoegen met de zorg voor
mijne geliefde kleindochter alleen. Ik zou verdorren als eene plant,
die uit een vetten bodem in de woestijn is overgeplant, en mijne Sappho
zou weldra geheel alleen, en driemaal meer verlaten dan eenige andere
weeze, in de wereld overblijven.--Ik blijf in Egypte.
»Juist nu, na uw vertrek, zal ik den vrienden volkomen onmisbaar
zijn. Amasis wordt oud; wanneer Psamtik hem opvolgt, dan zullen wij
met groote zwarigheden te worstelen hebben, waarvoor wij tot nog toe
bewaard bleven. Ik moet blijven, en mij met nieuwe kracht en nieuwen
moed aangorden, om voor de vrijheid en de welvaart der Hellenen
te kampen. Dat is het levensdoel, dat ik mij zelve heb gesteld. En
deze taak zal ik te getrouwer vervullen, daar het maar hoogst zelden
gebeurt, dat eene vrouw zich aan zulk een levensdoel kan wijden. Velen
zullen mijn streven onvrouwelijk noemen, het zij zoo. In dezen nacht,
dien ik onder tranen heb doorwaakt, ondervond ik, dat er nog veel, zeer
veel van die vrouwelijke zwakheid in mij woont, die tegelijk het geluk
en het ongeluk van mijn geslacht uitmaakt. Deze zwakheid, gepaard met
een teeder, vrouwelijk gevoel in zijne hoogste ontwikkeling, bij mijne
kleindochter aan te kweeken, is de eerste plicht, dien ik mij zelve heb
opgelegd; de tweede is, bij mij zelve alle weekelijkheid te overwinnen.
»Maar het is onmogelijk strijd te voeren tegen zijne natuur, zonder
soms eene nederlaag te lijden. Zoodra eenige smart mij dreigt neêr te
drukken, of ik gevaar loop tot wanhoop te geraken, dan zoek en vind ik
alleen hulp en troost in de woorden van Pythagoras, den uitnemendste
aller menschen, den trouwste aller vrienden, en bij de herinnering
zijner waarschuwing: Houd in alle dingen den middelweg, hoed u voor
uitgelatene vreugde, evenzeer als voor buitensporige droefheid,
en streef er steeds naar, dat de stemming uwer ziel harmonisch en
welluidend zij, gelijk de snaren eener zuiver gestemde harp!" Dezen
Pythagorischen zielevrede, deze diepe, ongestoorde gemoedsrust,
aanschouw ik dagelijks in mijne Sappho, en ik tracht onophoudelijk ze
ook tot mijn eigendom te maken. De strijd valt soms onbegrijpelijk
zwaar, daar het noodlot met zijne ruwe grepen maar al te dikwijls
de snaren van het speeltuig mijns harten ontstemt. Maar nu ben ik
kalm en rustig!--Gij kunt niet begrijpen, welk eene macht de gedachte
alleen aan dien grootste aller denkers, aan dien stillen, wijzen man,
op mij uitoefent. Als hij mij voor den geest staat, is het alsof eene
zachte liefelijke toon de snaren mijner ziel doet trillen. Ook gij
hebt hem gekend en moet verstaan, wat ik niet in woorden vermag uit
te drukken.--En nu bid ik u, mij de reden van dit uw bezoek te doen
kennen. Mijn hart is rustig, als de wateren van den Nijl, die zoo
stil en zonder eenige stoornis ons voorbijvlieten. Hetzij gij goede,
hetzij gij kwade tijding brengt, ik ben bereid, u te hooren."
»Thans herken ik u weder," sprak de Athener. »Waart gij den edelen
vriend der wijsheid, gelijk Pythagoras zichzelf placht te noemen
[88], eerder gedachtig geweest, zoo zou uwe ziel reeds gisteren tot
hare gewone kalmte zijn gekomen. De meester geeft den raad, zich
iederen avond de gebeurtenissen, gewaarwordingen en gedachten van den
verloopen dag nog eens voor den geest te brengen. Hadt gij dat gedaan,
dan zoudt gij hebben ingezien, dat de ongeveinsde bewondering van
al uwe gasten, onder welke zich mannen van uitstekende verdiensten
bevonden, ruimschoots tegen den smaad van een onbesuisden dronkaard
opwoog. Gij hadt moeten begrijpen, dat gij toch inderdaad eene vriendin
der goden zijt. Want het was in uw huis, dat de onsterfelijken een
edelen grijsaard, na jaren van tegenspoed, de hoogste zaligheid lieten
smaken, die ooit een mensch ten deel kan vallen. Ja, zij ontnamen u
een vriend, om u echter in denzelfden stond een anderen, veel beteren
te schenken. Spreek mij niet tegen, en vergun mij thans u met mijn
verzoek bekend te maken.
»Gij weet dat men mij nu eens een Athener, dan weêr een Halicarnassiër
[89] noemt. De Jonische, Aeolische en Dorische soldaten hebben zich
van oudsher nooit goed met de Carische kunnen verstaan. Daarom kwam
mij, den aanvoerder van beide legerafdeelingen, mijne afkomst van,
ik zou wel haast mogen zeggen drie stammen, bijzonder te stade. Welke
uitnemende eigenschappen Aristomachus ook bezit, Amasis zal mij toch
missen, want het viel mij gemakkelijk de eendracht in het leger te
bewaren, terwijl de Spartaan tegenover de Cariërs dikwerf op groote
zwarigheden stooten zal.
»Deze mijne dubbele afkomst heeft haar grond hierin, dat mijn vader
met eene Halicarnassische vrouw uit een edel Dorisch geslacht gehuwd
was, en met mijne moeder juist op het tijdstip mijner geboorte te
Halicarnassus vertoefde, waarheen zij zich hadden begeven, om bezit
te nemen van de nalatenschap harer ouders. Ofschoon men mij reeds
in de derde maand mijns levens naar Athene terugbracht, ben ik toch
eigenlijk een Cariër, want, waar een mensch geboren wordt, daar is
zijn vaderland.
»Te Athene werd ik, als jong Eupatride [90] uit het aanzienlijke,
aloude geslacht van Ajax, met al de weelde en al den rijkdom
van een Attisch edelman grootgebracht en opgevoed. De dappere en
wijze Pisistratus, gesproten uit een geslacht, dat wel van gelijke
afkomst was als het onze, maar ons in macht en invloed volstrekt
niet overtrof--er bestaat geen aanzienlijker stamhuis dan dat mijns
vaders--wist zich tot alleenheerscher te verheffen. Aan de vereende
pogingen van den adel gelukte het tot tweemaal hem ten val te
brengen. Toen hij ten derden male, door Lygdamis van Naxos en door
de bewoners van Argos en Eretria ondersteund, wilde terugkeeren,
stelden wij ons tegen hem. Wij hadden ons gelegerd nabij den tempel
van Athene op Pallene [91]. Terwijl wij vóor het ontbijt aan de godin
offerden, verraste ons de listige tyran, overviel onze ongewapende
manschappen, en behaalde eene gemakkelijke overwinning, zonder een
druppel bloeds te storten. Daar aan mij het bevel over de helft der
troepen was opgedragen, besloot ik liever te sterven, dan mijn post
te verlaten. Ik streed als een razende, bezwoer mijne soldaten stand
te houden en verloor ook geen duimbreed gronds. Doch eene noodlottige
speer wondde mijn schouder en ik viel.
»Pisistratus en de zijnen werden meester van Athene. Ik vluchtte naar
Halicarnassus, mijn tweede vaderland, waarheen mij mijne vrouw met
onze kinderen volgde. Mijn naam was niet geheel onbekend, daar ik eene
overwinning in de Pythische spelen [92] behaald en nog eenige andere
dappere daden verricht had. Men benoemde mij dus tot overste bij het
leger in Egypte. Ik maakte den veldtocht op Cyprus mede, deelde met
Aristomachus den roem, de geboorteplaats van Aphrodite voor Amasis
gewonnen te hebben, en werd ten laatste tot opperbevelhebber van al
de troepen in Egypte verheven.
»Den vorigen zomer stierf mijne vrouw. Mijne kinderen, een knaap
van elf en een meisje van tien jaren, bleven bij hunne moei te
Halicarnassus. Ook deze werd de prooi van den onverbiddelijken Hades
[93]. Nu heb ik de kleinen eenige dagen geleden hierheen ontboden. Zij
kunnen evenwel niet vroeger dan over drie weken te Naucratis zijn,
en zullen reeds zijn afgereisd, alvorens zij een tegenbevel van mij
kunnen ontvangen. Binnen veertien dagen moet ik Egypte verlaten, en kan
dus zelf mijne lievelingen niet afwachten. Ik ben besloten, mij naar
den Thracischen Chersonesus te begeven, waar, gelijk gij weet, mijn oom
door den stam der Dolonkers [94] tot vorst is verheven. Daarheen moeten
de kinderen mij volgen. Korax, mijn oude trouwe slaaf, zal te Naucratis
blijven om ze tot mij te brengen. Wilt gij thans metterdaad toonen,
dat gij mijne vriendin zijt, zoo ontvang die kleinen in uw huis; zorg
voor hen tot er een schip naar Thracië onder zeil gaat, en verberg ze
zorgvuldig voor de blikken van de spionnen van den kroonprins Psamtik
[95]. Gij weet, dat deze mij een doodelijken haat heeft gezworen,
en zich gaarne in de kinderen op den vader zou wreken.--Ik kom tot u
met deze bede, ten eerste wijl ik uw goed hart ken; ten andere omdat
uw huis, krachtens den vrijbrief des konings, die het tot een asyl
heeft gemaakt, de kinderen voor alle nasporingen der politie-beambten
vrijwaart. Want deze personen moeten, in dit land van formaliteiten,
kennis nemen van alle vreemdelingen, zelfs al zijn dit kinderen,
om daarvan aangifte te doen bij de district-beambten.
»Gij ziet, hoezeer ik u hoogschat, want ik vertrouw u het eenige toe,
wat mij nog waarde doet hechten aan mijn leven. Zelfs het vaderland
heeft voor mij niets aantrekkelijks, zoolang het zich onder den voet
des geweldenaars kromt. Welnu, vriendin, wilt gij aan het gefolterde
vaderhart de rust hergeven, wilt gij...?"
»Ik wil, ik wil, Phanes!" antwoordde Rhodopis met ongeveinsde
blijdschap. »Gij hebt mij geene bede gedaan, gij hebt mij een voorrecht
geschonken. O, reeds nu verheug ik mij bij de gedachte aan de lieve
kleinen! En hoe verrukt zal Sappho zijn, als die aardige schepseltjes
hare eenzaamheid komen vervroolijken! Maar dit zeg ik u vooruit,
Phanes, met het eerste het beste Thracische schip laat ik mijne jonge
gasten niet weggaan. Gij kunt het nog wel een half jaartje langer
zonder hen uithouden, want ik sta er voor in, dat zij voortreffelijk
onderricht zullen genieten, en dat hun al wat waarlijk schoon en goed
is dagelijks zal worden voorgehouden."
»Wat dat aangaat, ben ik volkomen gerust," hernam Phanes met een
dankbaren glimlach; »maar ik sta er bepaald op, dat gij de beide
wildzangen met het eerste schip het beste laat vertrekken. Mijne vrees
voor de wraakzucht van Psamtik is, helaas! maar al te gegrond. En
ontvang nu bij voorbaat reeds mijn hartelijken dank voor uwe liefde
en goedheid jegens mijne kinderen. Overigens geloof ik zelf, dat
de afleiding, door het gezelschap van twee zulke vroolijke gasten,
aan uwe Sappho in hare eenzaamheid goed zal doen."
»En eindelijk," liet Rhodopis met neergeslagene oogen volgen, »kan
dit bewijs van vertrouwen duizendvoudig opwegen tegen den hoon,
mij door een dronkaard aangedaan.--Daar komt Sappho!"