TWEEDE HOOFDSTUK.

De vleugeldeuren der eetzaal werden geopend. Aan weêrszijden van

den ingang stond een schoone blonde knaap, met myrtenkransen in

de hand. In het midden van de zaal zag men eene groote, lage, glad

gepolijste tafel, omgeven door purperroode matrassen, die de gasten

noodigden om zich neder te vlijen [42]. Op den disch prijkten heerlijke

bouquetten. Groote stukken gebraad, glazen en schalen vol dadels,

vijgen, granaatappelen, meloenen en druiven waren naast kleine zilveren

bijenkorven met honig gerangschikt. Op gedreven koperen borden lag

fijne zachte kaas van het eiland Trinakria [43]. In het midden der

tafel verhief zich een zilveren plateau in den vorm van een altaar,

dat geheel met myrten- en rozenkransen omwonden was, en waarop reukwerk

brandde, dat de geheele zaal met de liefelijkste geuren vervulde. Aan

het uiterste einde van den disch zag men het zilveren mengvat [44],

dat blonk als een spiegel, een kostelijk Aeginetisch kunstwerk, welks

omgebogen handvatten twee giganten voorstelden, die onder het gewicht

der schaal, die zij torschten, schenen te bezwijken. Dit vat was,

evenals het altaar in het midden, met bloemen omwonden. Evenzoo had

men om iederen beker een rozen- of myrtenkrans gevlochten [45]. Over

de geheele oppervlakte der zaal waren rozenbladeren gestrooid, terwijl

langs de gladde, wit gepleisterde muren een tal van lampen hingen.

Nauw hadden zich de gasten op de matrassen nedergelegd, of de blonde

knapen traden binnen, bekransten de hoofden en omwonden de schouders

der aanliggenden met myrten- en klimopkransen, en wieschen hunne

voeten in zilveren bekkens. Reeds had de voorsnijder de eerste stukken

gebraad van de tafel genomen, om ze volgens den eisch te ontleden,

en nog altijd was de Sybariet onder de handen van een der knapen, door

wien hij zich, schoon zijne kleederen en lokken reeds doortrokken waren

met de geuren van alle denkbare Arabische reukwerken, letterlijk geheel

in rozen deed wikkelen. Toen evenwel het eerste gerecht, tonijnen met

mostaardsaus, was rondgediend, vergat hij alle bijzaken en bepaalde

zich uitsluitend bij het genot der voortreffelijk bereidde spijzen.

Rhodopis zat op een armstoel aan het hooger einde der tafel, naast het

mengvat en hield niet slechts het toezicht over de dienende slaven,

maar gaf ook den toon aan bij de verschillende gesprekken [46]. Met

zekeren trots overzag zij hare opgeruimde gasten, en het was of

zij zich met ieder in het bijzonder bezig hield. Nu eens vroeg zij

den Delphiër naar den uitslag zijner inzameling ten behoeve van den

Apollo-tempel; dan eens verlangde zij van den Sybariet te weten, hoe

hem de gewrochten van haren kok bevielen, of wel zij luisterde naar

Ibycus, die verhaalde, hoe Phrynichus van Athene de godsdienstige

schouwspelen van Thespis van Icaria in het burgerlijke leven had

ingevoerd, en met koren en sprekende personen geheele geschiedenissen

uit den voortijd liet voorstellen [47].

Ook richtte zij het woord tot den Spartaan, zeggende, dat hij de

eenige was, bij wien zij zich niet behoefde te verontschuldigen over

den eenvoud, maar wel over de weelde van dezen maaltijd. Wanneer hij

zijn bezoek eens hervatte, zou haar slaaf Knakias, een uitgeweken

Spartaansch heloot [48], die zich beroemde eene voortreffelijke

bloedsoep--bij dit woord rilde de Sybariet over zijn gansche

lichaam--te kunnen koken, een echt Lacedaemonischen maaltijd bereiden.

Toen de gasten verzadigd waren, wieschen zij zich opnieuw de

handen. Het tafelgereedschap werd nu weggeruimd, de vloer gereinigd,

en eindelijk het mengvat met wijn en water gevuld [49]. Toen Rhodopis

zich overtuigd had, dat alles in de beste orde was, richtte zij zich

tot Phanes, die in een woordenstrijd met de Milesiërs gewikkeld was,

en sprak:

»Edele vriend! wij hebben ons ongeduld reeds zoolang onderdrukt,

dat thans voorzeker de verplichting op u rust ons mede te deelen,

welk noodlottig voorval u uit Egypte en uit onze kring dreigt te

verbannen. Gij kunt u met een luchtig gemoed, dat de goden u allen,

Joniërs, bij de geboorte als een kostelijk geschenk plegen mede te

geven, van ons en van dit land losmaken, wij zullen niettemin lang

met droefheid u gedenken, want ik ken geen grooter verlies dan dat

van een vriend, wiens trouw ons sinds jaren is gebleken. Sommigen

onzer hebben ook te lang aan den Nijl vertoefd, om niet een weinig

van het onveranderlijk en standvastig karakter der Egyptenaren

te hebben overgenomen. Nu ja, gij lacht: toch weet ik dat het u,

ofschoon gij reeds lang naar Hellas smacht, ook wel iets kosten zal

van ons te scheiden. Niet waar, gij geeft mij dit toe. Nu, ik wist

wel dat ik mij niet bedroog, maar laat ons thans vernemen, waarom

gij Egypte moet of wilt verlaten, opdat wij mogen overleggen, of er

mogelijkheid bestaat uwe verbanning van het hof te doen herroepen,

en u alzoo in ons midden te houden."

Eene pijnlijke glimlach plooide Phanes' lippen. »Ik dank u, Rhodopis,"

antwoordde hij, »voor uwe vleiende woorden. Het doet mij goed te

hooren, dat mijn vertrek u bedroeven zal, en gij gaarne al het

mogelijke zoudt doen, om het te verhinderen. Maar honderd nieuwe

aangezichten zullen u weldra het mijne doen vergeten; want, al woont

gij ook lang aan de boorden van den Nijl, zoo zijt gij toch, en

daarvoor moogt gij de goden danken, van top tot teen eene Helleensche

gebleven. Ook ik heb de trouw lief, even vurig, als ik de dwaasheid der

Egyptenaars haat; en is er onder u allen wel één, die het verstandig

kan achten zich te kwellen over het noodlot? De Egyptische trouw

is, mijns erachtens, geene deugd, maar een ijdele waan. Menschen,

die hunne dooden van duizenden jaren her tot heden toe bewaren,

die zich eerder het laatste brood, dan een stukje van het gebeente

hunner voorvaderen zouden laten ontnemen [50], zijn niet trouw maar

dwaas. Kan ik er behagen in scheppen, hen, die ik liefheb, treurig

te zien? Voorzeker niet! Gij moet niet maanden lang, onder dagelijks

herhaalde weeklachten, mijner gedenken, gelijk de Egyptenaren doen,

als een vriend van hen gescheiden is. Neen! Wilt gij in waarheid den

verwijderden of voor altijd van u gescheiden vriend,--want, zoo lang

ik leef mag ik den bodem van Egypte nimmer meer betreden,--bij wijle

gedachtig zijn, zoo doe het met een glimlach om de lippen, en roep

niet uit: »Ach, waarom moest Phanes ons verlaten?" maar zeg: »Wij

willen vroolijk zijn gelijk Phanes was, toen hij nog in onze kring

verkeerde!" Zoo behoort gij u te gedragen. Dat leerdet gij reeds van

Simonides, als hij zong:

Dwaasheid is het, tal van dagen

Toe te wijden aan 't verdriet,

Geven we aan de sarkophagen

Eén dag rouw, en langer niet.

Och de dood komt snel en vroeg;

Zonder dat wij 't ons vergallen.

Blijft het leven voor ons allen

Bitter arm en kort genoeg.

En als men niet over zijne dooden mag treuren, dan voorzeker hebben

wij nog veel minder het recht, ons aandoenlijk te maken over het

gemis van verwijderde vrienden. Want genen zijn voor immer van ons

heengegaan, dezen roepen wij echter bij den laatsten handdruk toe:

»tot wederziens!"

Thans kon de Sybariet, die al lang op gloeiende kolen had gezeten,

niet meer zwijgen, en met klagende stem riep hij: »Maar begin dan

toch eindelijk met uw verhaal, afgunstig schepsel! Ik kan geen droppel

drinken, zoo gij niet ophoudt van den dood te spreken. Het bloed stolt

mij in de aderen, en ik gevoel mij geheel onwel, als ik over.... nu

ja, als ik daarvan hoor gewagen, dat wij niet eeuwig leven!"

Het geheele gezelschap lachte, doch Phanes begon nu werkelijk te

vertellen, wat er met hem gebeurd was.

»Gelijk gij weet, woon ik te Saïs in het nieuwe slot; te Memphis

evenwel werd mij, in mijne hoedanigheid van overste der Grieksche

lijfwacht, die den koning vergezellen moet, waar hij ook heentrekt,

een gedeelte van den linkervleugel van het aloude paleis ten verblijve

aangewezen [51]. Sedert de regeering van Psamtik I [52] houden zich de

koningen te Saïs op, zoodat het inwendige van de andere paleizen wel

eenigszins verwaarloosd is geworden. Mijne woning was zonder twijfel

uitmuntend gelegen, zeer goed ingericht, en zou niets te wenschen

hebben overgelaten, als ik niet, dadelijk nadat ik hier mijn intrek

had genomen, eene vreeselijke plaag had ontdekt. Over dag, wanneer

ik buitendien zelden te huis was, vond ik niets op mijne woning af

te dingen, maar des nachts was er aan slapen niet te denken, daar

duizenden ratten en muizen onder de vermolmde vloeren, rustbedden

en oude tapijten aan de wanden allervreeselijkst te keer gingen. Ik

wist geen raad tegen deze schrikkelijke bezoeking, tot eindelijk

een Egyptisch soldaat mij twee mooie groote katten verkocht, die mij

binnen eenige weken van het gezelschap mijner kwelgeesten verlosten.

»Het zal u allen wel bekend zijn, dat eene der beminnelijkste

wetten van dit wonderlijke volk, welks beschaving en wijsheid gij,

mijne Milesische vrienden, niet genoeg prijzen kunt, de katten heilig

verklaart. Men bewijst aan deze viervoetige gelukskinderen, gelijk aan

zoo menig ander dier, goddelijke eer, en het dooden van zoo'n exemplaar

wordt even streng gestraft als het vermoorden van een mensch."

Rhodopis, die tot dusverre met een opgeruimd gelaat geluisterd had,

scheen ernstiger te worden, toen zij vernam, hoe de verbanning van

Phanes met zijne minachting van de heilige dieren in verband stond. Zij

wist maar al te goed hoevele offers, ja hoevele menschenlevens dit

bijgeloof der Egyptenaren reeds gekost had. Het was nog niet lang

geleden, dat koning Amasis een ongelukkigen Samiër, die eene kat gedood

had, niet tegen de wraak van het verwoede volk had kunnen beveiligen

[53].

»Toen wij, twee jaren geleden Memphis verlieten," vervolgde de

overste, »was alles nog goed. Ik had het kattenpaar aan de verzorging

van een Egyptischen bediende toevertrouwd, wel begrijpende, dat deze

gezworene muizenvijanden mijne woning, ook voor het vervolg, wel zuiver

zouden houden. Ik begon zelfs voor deze vriendelijke schepseltjes,

die zoo goed waren geweest mij van dat muizengebroed te bevrijden,

eene zekere achting te koesteren. Het vorige jaar werd Amasis ziek,

vóór dat het hof zich naar Memphis kon begeven, en wij bleven dus te

Saïs. Eindelijk, omtrent zes weken geleden, begaven wij ons op weg naar

de pyramidenstad. Ik betrok mijn vorig kwartier weder en zag er zelfs

geen schaduw meer van een muizenstaart. In plaats van ratten, wemelde

het er echter van eene andere diersoort, waarop ik evenmin gesteld

was als op de verdrevene. Het kattenpaar was namelijk, gedurende

de twee jaren van mijn afzijn, tot vier en twintig aangegroeid. Ik

poogde het lastige katergebroed, van alle leeftijden en kleuren,

te verdrijven; maar het gelukte mij niet, en alle nachten werd mijn

slaap door de afgrijselijke koorgezangen dezer viervoeters, door het

krijgsgeschreeuw en de minnezangen van katers en katten verstoord.

»Jaarlijks, ten tijde van het Bubastisfeest [54], heeft men verlof

alle overtollige muizenvangers in den tempel van Pacht, de godin

met den kattenkop, af te leveren, alwaar zij verpleegd, en, gelijk

ik voor zeker houd, gedood worden in geval zij zich al te sterk

vermenigvuldigen. De priesters van dezen tempel zijn rechte schelmen!

»Ongelukkig had de groote optocht naar genoemd heiligdom niet plaats

gedurende ons verblijf bij de pyramiden. Ik kon het evenwel niet

langer uithouden met dit heirleger van kwelgeesten, die het er allen op

schenen toe te leggen mijn leven te verbitteren. Toen twee der moeders

mij op nieuw een dozijn gezonde en wel geschapene kindertjes hadden

vereerd, besloot ik deze althans uit den weg te ruimen. Mijn oude

slaaf Mus [55], reeds naar zijn naam te oordeelen een geboren vijand

van het kattengeslacht, ontving den last de jongen van kant te maken,

ze in een zak te stoppen en vervolgens in den Nijl te werpen. Wij

konden er niet buiten de diertjes eerst om hals te brengen, anders

toch zou het miauwen den wachters van het paleis den inhoud van den

zak verraden hebben. Toen het donker begon te worden, begaf zich de

arme Mus met zijn gevaarlijken last door het Hathorbosch [56] naar den

Nijl. Maar de Egyptische bediende, die mijne dieren gewoonlijk voederde

en ieder katje bij name kende, had dadelijk ons geheele plan doorzien.

»Mijn slaaf ging met de grootste bedaardheid, als had hij niets

buitengewoons te verrichten, door de groote sphinxenlaan, den tempel

van Ptah [57] voorbij, terwijl hij het zakje onder zijn mantel had

verborgen. In het heilige bosch bemerkte hij reeds, dat men hem

volgde. Hij lette er echter niet verder op, en zette zijn weg voort,

volkomen gerust dat alles goed ging, tot hij zag dat de lieden, die

hem op de hielen zaten, bij den tempel van Ptah bleven staan, en zich

met de priesters onderhielden. Eindelijk had hij den oever bereikt. Nu

hoorde hij zich bij zijn naam roepen. Eenige lieden kwamen hem haastig

achterop. Tegelijk snorde een slingersteen vlak langs zijn hoofd.

»Mus begreep volkomen welk gevaar hem dreigde. Al zijne krachten

inspannende snelde hij nu op den Nijl toe, slingerde den zak een

eind ver in den vloed en bleef nu met een kloppend hart op den oever

staan, hoewel hij zich overtuigd hield, dat niemand zijne schuld

bewijzen kon. Weinige oogenblikken later was hij door een honderdtal

tempeldienaren omringd. De opperpriester van Ptah, Ptahotep, mijn

oude vijand, had het niet beneden zich geacht, in persoon deze jacht

op mijn dienaar bij te wonen.

»Eenige lieden, en onder hen ook die verraderlijke dienaar van het

paleis, waren aanstonds te water gegaan en vonden tot ons ongeluk

den zak met de twaalf lijken, onbeschadigd hangende te midden van het

papyrusriet en de boonenranken aan den oever. In tegenwoordigheid van

den opperpriester, eene schaar van tempeldienaren en minstens duizend

toegestroomde inwoners van Memphis, werd de vreeselijke katoenen

sarkophaag geopend. Nauw werd men zijn noodlottigen inhoud gewaar, of

er ging zulk een geweldig gehuil, zulk een ontzettende wraakkreet op,

dat ik het tot in het paleis hooren kon. De verbolgene menigte stortte

zich, in wilde razernij, op mijn armen knecht, wierp hem ter aarde,

trapte hem onder de voeten, en zou hem aan stukken hebben gescheurd,

als de machtige opperpriester niet 'halt' geboden had--met het plan

mij, in wien hij den eigenlijken bewerker der gepleegde misdaad

onderstelde, mede in het verderf te slepen--en bevolen den gruwelijk

mishandelden booswicht in de gevangenis te werpen.

»Een half uur later werd ook ik achter slot gezet.

»Mijne oude Mus nam alle schuld der misdaad op zich, tot de

opperpriester hem door eene bastonade de bekentenis afdwong, dat ik

hem geboden had de katten om hals te brengen, en hij, als een getrouw

dienaar, mijn bevel had moeten opvolgen.

»Het oppergerechtshof [58], tegen welks uitspraken zelfs de koning

niets vermag, is uit priesters van Memphis, Heliopolis en Thebe

samengesteld. Gij kunt u dus wel voorstellen, dat men zoowel

dien armen Mus als mijn persoontje, een verachten Helleen, zonder

omwegen ter dood veroordeelde; den slaaf wegens twee halsmisdaden:

ten eerste wegens den moord aan heilige dieren gepleegd, ten andere

wegens de twaalfvoudige verontreiniging van den heiligen stroom door

het inwerpen van lijken; mij, omdat ik de oorzaak en de bewerker

was dezer vier en twintigvoudige halsmisdaad [59], gelijk zij het

geliefden te noemen. Aan Mus werd nog dienzelfden dag het vonnis

voltrokken. Drukke de aarde hem zacht. In mijne herinnering zal

hij niet als mijn slaaf, maar als mijn vriend en weldoener blijven

voortleven. In tegenwoordigheid van zijn lijk werd ook mij het vonnis

des doods voorgelezen, en reeds bereidde ik mij tot de lange reis naar

de benedenwereld, als de koning bevelen liet de voltrekking mijner

straf uit te stellen. Ik werd in de gevangenis teruggebracht. Een

Arkadisch taxiarch [60], die zich onder mijne bewakers bevond,

deelde mij mede, dat al de bevelhebbers der Grieksche lijfwacht

en eene menigte krijgslieden, te zamen meer dan vierduizend man,

gedreigd hadden hun ontslag te zullen nemen, wanneer men mij, hun

overste, geen genade zou willen schenken. Zoodra het duister was

geworden, werd ik voor den koning gevoerd, die mij zeer vriendelijk

ontving. Hij zelf bevestigde de mededeeling van den taxiarch en

verklaarde, dat het hem leed deed een overste te moeten verliezen,

waaraan hij zoo gehecht was. Wat mij aangaat, ik belijd gaarne, dat ik

jegens Amasis geen wrok voelde, dat ik zelfs medelijden had met den in

schijn zoo machtigen koning. O, gij hadt er getuigen van moeten zijn,

hoe hij zich beklaagde, nooit en nergens te kunnen handelen gelijk hij

wilde, en zelfs in zijne persoonlijke aangelegenheden overal door de

priesters en hun invloed tegengewerkt en beheerscht te worden. Hing

het alleen van hem af, hij zou mij, den vreemdeling, het overtreden

eener wet, die ik niet verstond en daarom, schoon ook ten onrechte,

voor onzinnig bijgeloof moest houden, gaarne vergeven. Doch uit vrees

voor de priesters durfde hij mij niet ongestraft laten. Verbanning

uit Egypte was de zachtste boete die hij mij kon opleggen. Gij kunt

niet begrijpen--met deze woorden eindigde hij zijn klacht,--in hoeveel

zaken ik de priesters te wille heb moeten zijn, om genade voor u te

erlangen. Want het opperste gerechtshof is zelfs van mij, den koning,

onafhankelijk.

»Ik kreeg derhalve mijn ontslag, nadat ik met een duren eed gezworen

had, nog dienzelfden dag Memphis en binnen drie weken Egypte te

zullen verlaten.

»Aan de poort van het paleis ontmoette ik Psamtik, den kroonprins,

die mij sinds lang geen goed hart toedraagt, ter zake van eene

ergerlijke geschiedenis, die ik echter niet mag openbaren. Gij,

Rhodopis, kent haar. Ik zeide hem vaarwel, hij echter keerde mij

den rug toe, terwijl hij mij toesnauwde: »ook ditmaal Athener, zijt

gij den dans ontsprongen, maar aan mijne wraak zijt gij daarom nog

niet ontkomen. Waarheen gij u ook moogt begeven, ik zal u weten

te vinden." Ik mag alzoo hopen u weder te zien! gaf ik hem tot

bescheid. Spoedig was mijn boeltje in eene bark geladen, waarna ik

mij naar Naucratis begaf, alwaar ik het geluk had mijn ouden vriend,

Aristomachus van Sparta, te ontmoeten, die, als gewezen bevelhebber

over de troepen van Cyprus [61] hoogstwaarschijnlijk tot mijn opvolger

zal worden benoemd. Het zou mij verheugen mijne plaats door zulk een

voortreffelijk man te zien vervullen, indien ik niet reden had om

te vreezen, dat zijne uitstekende verdiensten de door mij bewezene

diensten nog geringer zullen doen schijnen, dan zij in waarheid

geweest zijn."

»Al lofs genoeg, vriend Phanes!" viel Aristomachus den Athener in de

rede. »Spartaansche tongen zijn zoo buigzaam niet. Met daden zal ik

u echter, zoodra gij mijne hulp behoeft, een antwoord geven, dat den

spijker juist op den kop slaat."

Rhodopis zag beide mannen aan met een welgevallig lachje. Daarop

reikte zij ieder van hen de hand, zeggende: »Uw verhaal, arme Phanes,

heeft mij helaas tot de overtuiging gebracht, dat gij onmogelijk

langer in dit land kunt blijven. Ik wil u om uw lichtzinnigheid niet

berispen, maar gij hadt toch vooruit kunnen berekenen, dat gij u om

eene weinig beteekenende zaak aan groote gevaren blootsteldet. Een

wijs en waarlijk kloekmoedig man onderneemt slechts dan een waagstuk,

wanneer het voordeel minstens gelijk staat met het nadeel, dat het

hem kan opleveren. Roekeloosheid is even dwaas als lafheid, hoewel

niet even verachtelijk; want beiden mogen schaden, alleen de laatste

schandvlekt. Uwe onnadenkendheid heeft u ditmaal bijna het leven

gekost, een leven, dat velen dierbaar is, en te hooge waarde heeft,

dan dat gij het door een dwazen streek zoudt verspelen. Wij kunnen

geene enkele poging wagen om u voor onzen vriendenkring te behouden,

want het zou u toch niet baten en ons zelven slechts schaden. In uwe

plaats zal voortaan deze edele Spartaan, als overste der Grieksche

lijfwacht, onze natie bij het hof vertegenwoordigen, en zich steeds

ten doel stellen, haar tegen alle listen der priesters te beschermen,

en haar bij voortduring in de gunst des konings aanbevelen. Ik heb

uwe hand gevat, Aristomachus, en laat haar niet los, zoolang gij mij

niet belooft, voor zooveel in uw vermogen is, ook den geringsten onder

de Grieken tegen den overmoed der Egyptenaren te beschermen, gelijk

Phanes vóor u gedaan heeft, en eer uw post te zullen prijsgeven dan

het minste onrecht een Helleen aangedaan, ongestraft te laten. Wij

zijn weinige duizenden onder even zoovele millioenen vijandig gezinde

menschen; maar wij zijn sterk door onzen moed, en moeten trachten

door eendracht machtig te blijven. Tot op den huidigen dag hebben

zich de Hellenen in Egypte als broeders gedragen. Eén offerde zich op

voor allen, allen voor éen, en juist deze eenheid maakte onze kracht

uit, en zal ook in de toekomst ons machtig doen zijn. Ach, ware het

ons gegeven aan het moederland en zijne volkplantingen deze zelfde

eendracht te schenken, en allen stammen hunne Dorische, Jonische

of Aeolische afkomst te doen vergeten, zoodat zij geen anderen roem

kenden dan die van Hellenen te zijn, en als kinderen van éen huis,

als schapen van éene kudde te leven, waarlijk dan zou de geheele

wereld niets tegen ons vermogen, dan zou Hellas eenmaal door alle

volkeren als de koningin der aarde worden erkend."

Bij deze woorden schitterden de oogen der oude matrone van edel

vuur. De Spartaan drukte hare hand met buitengewone heftigheid,

stampte met zijn houten been op den grond en riep: »Bij Zeus, de

opperste god der Lacedaemoniërs, ik zal niet dulden dat een Helleen,

wie hij ook zijn moge, éen haar gekrenkt worde; gij echter, Rhodopis,

verdiendet eene Spartaansche te zijn."

»En eene Atheensche!" riep Phanes.

»Eene Jonische!" de mannen van Milete.

»De dochter van een geomoor van Samos!" de beeldhouwer.

»Maar ik ben meer dan dat alles," riep de edele vrouw in geestdrift

uit, »ik ben meer, veel meer; ik ben eene Helleensche!"

Al de gasten deelden in hare vervoering, zelfs de Syriër en de Jood

werden medegesleept. Alleen de Sybariet liet zich niet uit zijne

welbehagelijke rust opwekken, en zeide met vollen mond, zoodat men hem

nauwelijks verstaan kon: »Gij zoudt ook waardig zijn eene Sybariete

te heeten, want uw rundergebraad is beter, dan al wat ik sedert mijn

vertrek uit Italië geproefd heb, en uw wijn van Anthylla [62] smaakt

mij bijna even goed als die van den Vesuvius en van Chios!"

Allen schoten in den lach, met uitzondering van den Spartaan, die

den smulpaap een blik vol toorn en verachting toewierp.

»Weest allen gegroet!" riep plotseling eene ons nog onbekende zware

stem door het open venster.

»Wees gegroet!" antwoordde het geheele gezelschap als uit éen mond,

vragende en gissende, wie toch deze late gast mocht zijn.

Doch de onbekende liet zich niet lang wachten, want eer nog de

Sybariet tijd had gehad, eene nieuwe teug wijns nauwkeurig met de

tong te proeven, stond een groot mager man, van over de zestig jaren,

met een langwerpig fijnbesneden geestig gelaat, naast Rhodopis. Het was

Kallias, de zoon van Phaenippus van Athene. Met de heldere, verstandige

oogen zag de nieuw aangekomene,--een der rijkste bannelingen uit

Athene, die tot tweemaal toe de goederen van Pisistratus van den

staat had gekocht, en ze telkens bij diens terugkeer had moeten

prijsgeven,--den kring zijner bekenden rond. Na met ieder hunner in

het bijzonder een vriendelijken groet te hebben gewisseld, riep hij

op vroolijken toon: »Zoo gijlieden mijn bezoek van heden niet hoog

waardeert, dan houd ik het er voor, dat alle dankbaarheid uit de

wereld verdwenen is."

»Wij hebben u sinds lang gewacht," antwoordde een der Milesiërs. »Gij

zijt de eerste, die ons betreffende den uitslag van de Olympische

spelen bericht kunt geven!"

»En wij zouden ons geen beteren verslaggever kunnen wenschen, dan

den overwinnaar van weleer," liet Rhodopis er op volgen.

»Kom, neem plaats," riep Phanes ongeduldig, »en verhaal ons, kort en

bondig, al wat gij weet, vriend Kallias!"

»Zoo aanstonds, mijn waarde landgenoot," hervatte deze. »Het is reeds

tamelijk lang geleden, dat ik Olympia verliet, en te Kenchreae [63] op

een Samisch vaartuig van vijftig roeiers, het beste dat ooit gebouwd

werd, scheep ben gegaan. Het verwondert mij volstrekt niet, dat vóor

mij nog geen Helleen te Naucratis is binnengeloopen. We hadden toch

zware stormen door te staan en zouden er te nauwernood ons leven hebben

afgebracht, als deze Samische zeekasteelen, met hunne stevige kielen,

ibis-snavels en vischstaarten, niet zoo voortreffelijk getimmerd en

bemand waren. Waarheen de anderen, die huiswaarts keerden, verwaaid

zijn, weet ik niet. Wij konden ons echter nog in de haven van Samos

bergen, vanwaar we, na een oponthoud van tien dagen, de reis weder

aanvaardden.

»Toen wij eindelijk heden morgen vroeg den Nijl binnengestevend waren,

wierp ik mij dadelijk in mijne bark, en werd door Boreas [64], die mij

toch bij het einde der reis nog eens toonen wilde, dat hij zijn ouden

Kallias nog liefhad, zoo snel voortgestuwd, dat ik reeds voor weinige

oogenblikken de vriendelijkste aller woningen mocht wederzien. Ik

zag de vaan in het avondkoeltje fladderen, ik zag de opene vensters

verlicht, en was nog een oogenblik met mijzelven in strijd, of ik

al dan niet zou binnengaan. Maar tevergeefs, Rhodopis, beproefde ik

uwe tooverkracht te wederstaan, en buitendien zou ik zeker van al het

nieuws, dat ik nog te vertellen heb, gebersten zijn, zoo ik niet ware

uitgestapt, om u allen, onder een beker wijn en bij een stuk gebraad,

dingen mede te deelen, waarvan gij niet hebt kunnen droomen."

Kallias strekte zich zeer gemakkelijk op eene matras uit, en

overhandigde Rhodopis, alvorens een aanvang te maken met het uitkramen

van zijne nieuwtjes, een prachtigen gouden armband in den vorm van een

slang, dien hij te Samos, in de werkplaats van denzelfden Theodoros,

die met hem aanlag, voor eene groote som gekocht had.

»Dit heb ik voor u medegebracht [65]," zeide hij, zich tot de oude

vrouw wendende, die hoogst voldaan was over zijn geschenk.

»Voor u, vriend Phanes, heb ik evenwel nog iets beters. Raad eens

wie in 't wagenmennen met het vierspan den prijs behaalde?"

»Een Athener?" vroeg Phanes met gloeiende wangen. Want schoon het

geheele volk zich den roem van iedere overwinning in de Olympische

spelen toeëigende, voor den burger, die ze behaalde, was toch de

Olympische olijftak de hoogste eere en het grootste geluk, dat een

Helleen, ja een geheelen Griekschen stam te beurt kon vallen.

»Juist geraden, Phanes!" antwoordde de vreugdebode; »een Athener heeft

den eerste prijs gewonnen, en wat voor u nog meer zegt, uw neef Cimon,

de zoon van Kypselus, de broeder van dien Miltiades, die ons voor

negen Olympiaden dezelfde eer verwierf, was het, die dit jaar met

dezelfde paarden, die bij het vorige feest den prijs voor hem wonnen,

ten tweede male de zege behaalde [66]. Voorwaar, de Philaïden [67]

verduisteren meer en meer den roem der Alkmaeoniden! Welnu, Phanes,

voelt gij thans uwe borst niet zwellen, verblijdt gij u niet over

den roem van uw geslacht?"

Buiten zich zelven van verrukking, was de aldus aangesprokene

opgestaan, en zijne gestalte scheen plotseling wel een hoofd langer

te zijn geworden. Met een onbeschrijfelijk gevoel van trots en

eigenwaarde, reikte hij zijn landgenoot de hand. Deze omhelsde hem,

en vervolgde daarop: »Ja, wij hebben alle reden om fier en gelukkig te

zijn, Phanes. En gij vooral moogt u verblijden; want nadat de rechters

eenstemmig aan Cimon den prijs hadden toegewezen, liet deze den tiran

Pisistratus door de herauten als den bezitter van het heerlijk schoone

vierspan, en dus ook als den overwinnaar uitroepen. Pisistratus liet

daarop terstond afkondigen, dat uw geslacht naar Athene terug mocht

keeren. Dus is ook voor u het uur niet verre meer, waarnaar gij zoo

lang smachtend hebt uitgezien, dat gij uw geliefd Athene weder zult

aanschouwen!"

Bij deze laatste woorden verdween de blos der vreugde van de wangen des

oversten, en zijne oogen gloeiden niet meer van zelf bewusten trots,

maar van toorn, toen hij uitriep: »Hoe, ik zou mij verheugen, dwaze

Kallias? Ik kan van spijt mijne tranen nauwelijks bedwingen, als ik

bedenk, dat een afstammeling van Ajax in staat is, zijn welverdienden

roem zoo schandelijk aan de voeten van den overweldiger neêr te

leggen.--Ik zou naar mijn vaderland wederkeeren? Neen! ik zweer bij

Athene, bij vader Zeus en Apollo, dat ik liever in den vreemde zal

verhongeren, dan een voet te zetten op den geliefden grond, zoo lang

Pisistratus mijn vaderland in slavernij doet zuchten. Ik ben zoo vrij

als een adelaar in de wolken, nu ik uit den dienst van Amasis ontslagen

ben; maar liever werd ik in een vreemd land de slaaf van een boer, dan

in het land mijner geboorte de eerste dienaar van Pisistratus. Ons,

den adel, komt de heerschappij over Athene toe; Cimon echter heeft,

door zijn krans aan de voeten van Pisistratus neer te leggen, de

rechten van den tyran erkend, en zichzelf als slaaf gebrandmerkt. Ik,

Phanes, en dat zal ik Cimon zelf doen weten, bekommer mij bitter weinig

over de genade van den tyran; ja, ik wil balling blijven, totdat mijn

vaderland weder vrij is geworden, en adel en volk wederom zichzelven

regeeren, zichzelven wetten geven! Phanes huldigt den verdrukker niet,

ook al kropen alle Philaïden en Alkmaeoniden, ja zelfs uw geslacht,

Kallias, de rijke Daduchen [68], voor Pisistratus in het stof!"

Met vlammende blikken zag de Athener in het rond. Doch ook de oude

Kallias monsterde, hoogmoedig en met zelfvoldoening, den kring der

gasten, terwijl hij de aanwezigen één voor één scheen te willen

toeroepen:

"Ziet, vrienden, op zulke mannen kan mijn roemrijk vaderland

bogen!" Daarop vatte hij andermaal Phanes' hand en zeide: "Niet

minder dan gij, mijn vriend, haat ik den dwingeland. Maar ik heb de

overtuiging gekregen dat de macht der tyrannen, zoo lang Pisistratus in

leven blijft, niet omvergeworpen kan worden. In Lygdamis van Naxos en

Polycrates van Samos heeft hij bondgenooten, tegen wie wij bezwaarlijk

iets zouden vermogen. Doch nog gevaarlijker voor onze vrijheid dan

deze twee is de gematigdheid en wijsheid van Pisistratus zelve.

Gedurende mijn laatste oponthoud in Hellas heb ik met verbazing

opgemerkt, dat de massa van het Atheensche volk den overheerscher

als een vader liefheeft. Ofschoon hij zich oppermachtig gevoelt,

houdt hij de wetgeving van Solon in eere. Hij versiert de stad

met de prachtigste bouwwerken. De nieuwe tempel van Zeus, die door

Kallaeschrus, Antistates en Porimus,--mannen die gij zeker wel kent,

Theodorus,--uit het kostelijkste marmer wordt opgetrokken, moet alle

tot nog toe in Hellas verrezene gebouwen verre overtreffen. Kunstenaars

en dichters van groote verdienste weet hij naar Athene te lokken. De

zangen van Homerus laat hij afschrijven, en de spreuken van Musaeus

door Onomacritus opteekenen en verzamelen. Hij legt nieuwe wegen

aan en voert nieuwe feesten in. De handel bloeit onder zijn bestuur,

en het volk gevoelt zich, ondanks de belastingen die hij het oplegt,

zeer gelukkig. Maar wat is het volk? Een gemeene hoop, die, even als

de muggen, zich laat aantrekken door alles wat blinkt, en al zengt het

ook de vleugels, toch om de kaars blijft fladderen, zoolang die slechts

brandt. Laat het licht van Pisistratus maar eens worden uitgedoofd,

Phanes, en ik zweer u, dat de wufte menigte den terugkeerenden adel,

het nieuwe licht tegemoet zal snellen, gelijk het tot dusverre zich

om den tiran verdrong.--Waardige zoon van Ajax, geef mij nog eenmaal

de hand!--Maar ik ben u, mijne vrienden, nog menig nieuwtje schuldig.

»In het rennen met den wagen was alzoo Cimon overwinnaar, die aan

Pisistratus zijn olijftak vereerde. Nooit zag ik vier schoonere paarden

dan de zijne. Ook Argesilaus van Cyrene, Cleosthenes van Epidamnus

[69], Aster van Sybaris, Hecataeus van Mylete, en vele anderen hadden

kostbare vierspannen naar Olympia gezonden. Over het algemeen waren de

spelen ditmaal buitengewoon schitterend. Geheel Hellas had afgezanten

gezonden. Rhoda, de Ardeaten-stad in het ver verwijderde Iberië [70],

het rijke Tartessus, Sinope in het verre Oosten, aan de kust van

den Pontus Euxinus [71], kortom iedere stad die roem draagt op hare

Helleensche afkomst, was op dit feest vorstelijk vertegenwoordigd. De

Sybarieten hadden gezanten gezonden, die uitblonken door hunne

kostbare kleeding, de Spartanen daarentegen eenvoudig gekleede

mannen, maar schoon als Achilles en groot en sterk als Hercules. De

Atheners onderscheidden zich door de buigzaamheid hunner leden, door

hunne vlugheid en bevalligheid. Aan het hoofd der Krotoniaten stond

Milon [72], de sterkste mensch die ooit geboren werd. De Samische

en Milesische feestgenooten wedijverden in pracht en rijkdom met de

Korinthiërs en Mytileners. De geheele keur der Helleensche jongelingen

was te Olympia verzameld, en op de voor de toeschouwers bestemde

plaatsen zaten, naast mannen van ouderen leeftijd, van iederen stand,

uit ieder volk een aantal schoone jonkvrouwen, die uit Sparta waren

overgekomen, om door hare toejuichingen de spelen der mannen op te

luisteren [73]. Op den tegenoverliggenden oever van den Alphaeus

was gelegenheid om handel te drijven. Daar kon men kooplieden zien

uit alle oorden der wereld. Hellenen, Karchedoniërs [74], Lydiërs,

Phrygiërs en schacherende Phoeniciërs uit Palaestina deden onderling

groote zaken af, of stelden in kramen en onder tenten hunne waren te

koop. Hoe zal ik u eene schildering geven van het gewoel en gejoel der

tallooze menigte; van de koorzangen, die door de lucht weergalmden; van

de rookende feesthekatomben [75]; van de bonte kleederdrachten; van de

kostbare wagens en paarden; van het geklank van al die verschillende

talen en tongvallen; van de blijde ontmoetingen van oude vrienden,

die elkander hier, na eene scheiding van vele jaren, wederzagen;

van den glans der feestgezanten; van het gewemel van toeschouwers

en kooplieden; van de spanning over den uitslag der spelen; van

het heerlijk schouwspel, dat de met toeschouwers opgepropte ruimte

aanbood; van het eindelooze gejuich bij iedere nieuwe overwinning;

van het plechtig overhandigen van den olijftak, die door een knaap

uit Elis, wiens beide ouders nog in leven moesten zijn, met een gouden

mes van den heiligen olijfboom in de Altis [76], door Hercules zelven

voor eeuwen geplant, moest worden gesneden? Hoe zal ik u eindelijk

eene beschrijving geven van het aanhoudend gejubel, dat als een

rollende donder door het stadium [77] weêrklonk, toen Milon van

Croton verscheen, en zijn door Dameas van brons gegoten standbeeld,

zonder dat zijn knieën een oogenblik knikten, op de schouders door

het stadium naar de Altis droeg? Een stier zou onder zulk een gewicht

bezweken zijn; Milon evenwel droeg dit ontzaglijk gevaarte gelijk

eene Lacedaemonische baker [78] een knaapje draagt.

»De schoonste kransen, na dien van Cimon, vielen aan een paar broeders

uit Sparta ten deel, te weten: aan Lysander en Maron, zonen van eenen

verbannen edelman, Aristomachus genaamd. Maron behaalde den prijs bij

het wedloopen. Lysander trad onder de toejuichingen van alle aanwezigen

tegen Milon, den nog onoverwonnen overwinnaar van Pisa [79], van de

Pythische en de Isthmische spelen, in het worstelperk. Milon was

grooter en sterker dan de Spartaan, wiens lichaamsbouw aan Apollo

deed denken, en wiens jeugdig voorkomen overtuigend bewees, dat hij

ternauwernood den paedanomos [80] ontgroeid was. Schoon in hunne

naaktheid, glanzend van de gele zalfolie, stonden de jongeling en de

man tegenover elkander, een panter en een leeuw gelijk, die zich tot

den strijd toerusten. Alvorens op zijn tegenstander toe te springen,

hief de jonge Lysander zijne handen omhoog, om de goden te bezweren,

en riep: 'Voor mijn vader, mijne eer en den roem van Sparta!' De

Crotoniaat meesmuilde, terwijl hij op den jongeling uit de hoogte

neêrzag, evenals een lekkerbek lacht, alvorens hij zich neerzet om

een kreeft te ontleden.

»De worsteling begon. Lang duurde het, eer het een van beiden gelukte

den anderen beet te krijgen. Uit al zijn macht, ja met onweêrstaanbaar

geweld, greep de Crotoniaat naar zijn tegenstander, die zich als

eene slang loswond uit de geweldige grepen der athletische, zich

als eene tang vastklemmende handen.--Lang hield na elken aanval de

worsteling aan, waarvan de gansche vergadering zwijgend en ademloos

getuige was. Men hoorde niets dan het steunen der worstelaars en het

gezang der vogelen in het woud van de Altis. Eindelijk,--eindelijk was

het den jongeling gelukt, zich door een meesterlijken greep, zooals

ik nooit een gezien heb, aan zijn tegenstander vast te klemmen. Lang

spande Milon vruchteloos al zijne krachten in, om zich uit de gespierde

armen van den jongeling los te rukken. Het zand van het stadium werd

rijkelijk gedrenkt door het zweet van zulk een reuzenarbeid.

»Naarmate de spanning der toeschouwers hooger en hooger klom,

vermeerderde nog de stilte, werden de aanmoedigingskreten zeldzamer,

en hoorde men luider het steunen der beide kampvechters. Ten laatste

ontzonken den jongeling de krachten. Duizenden stemmen riepen hem

moed toe. Nog eenmaal verzamelde hij, met schier bovenmenschelijke

inspanning, al zijne krachten, nog eenmaal beproefde hij den

Crotoniaat ter aarde te werpen. Doch deze had zijn voordeel gedaan

met de oogenblikkelijke afmatting van zijn tegenstander, en hield hem

nu met onweêrstaanbaar geweld, terwijl hij beide armen om hem sloeg,

tegen zijn borst gedrukt. Daar golfde een zwarte, dikke bloedstraal

over de schoone lippen van den jongeling, en levenloos ontzonk hij

aan de vermoeide armen van den reus. Democedes [81], de beroemdste

arts van onzen tijd, dien gij, Samiërs, aan het hof van Polycrates

zeker wel hebt leeren kennen, snelde toe; doch de kunst vermocht

dezen gelukkige niet meer te redden. Hij was dood.

»Milon moest afstand doen van den krans [82]. De roem van dien

jongeling zal daarentegen door gansch Hellas worden bezongen. Ik zelf

zou veel liever gestorven zijn als Lysander, de zoon van Aristomachus,

dan leven als Kallias, die in den vreemde in werkeloosheid oud

wordt en vergrijst, zonder iets te kunnen uitrichten. Geheel

Griekenland, vertegenwoordigd door zijne edelste zonen, droeg

den jongeling ten grave, en zijne eerezuil zal in de Altis nevens

die van Milon, den Crotoniaat, en Praxidamas van Aegina [83] eene

plaats erlangen. Eindelijk verkondigden de herauten de uitspraak der

kampvechters: Sparta zal voor den gestorvene den krans der overwinning

ontvangen; want niet Milon, maar de dood heeft den edelen Lysander

doen bezwijken. Wie echter, na een strijd met den sterkste aller

Grieken, die twee uren duurde, onoverwonnen blijft, hem voorwaar komt

de olijftak wel toe."

Kallias zweeg eenige oogenblikken. De levendige man had onder de

schildering van deze voor iederen Griek zoo dierbare tooneelen, op de

aanwezigen geen acht geslagen. Voor zich uit starende, had hij het

beeld dier worsteling voor zijne oogen laten voorbijgaan. Thans zag

hij om zich heen en bemerkte met groote verbazing, hoe de grijsaard

met het houten been, dien hij, zonder hem te kennen, reeds vroeger had

opgemerkt, zijn aangezicht met de handen bedekt hield en schreide

als een kind. Aan zijne rechterzijde stond Rhodopis, aan zijne

linker Phanes. Al de overige gasten zagen den Spartaan aan, als ware

hij de held van Kallias' verhaal geweest. De verstandige Athener

begreep aanstonds, dat de grijsaard in nauwe betrekking tot een der

overwinnaars in de Olympische spelen stond. Toen hij echter vernam,

dat Aristomachus de vader was van dat Spartaansche broederpaar, hetwelk

met zooveel roem werd gekroond, welke schoone gestalten nog steeds,

als eene verschijning uit de godenwereld, voor zijne verbeelding

zweefden, toen zag ook hij met afgunstige bewondering den snikkenden

grijsaard aan, en ook in zijn oog parelde een traan, dien hij niet

zocht weg te pinken. In dien tijd weenden de mannen, zoo vaak zij in

den balsem der tranen eenige verlichting hoopten te vinden. De sterkste

helden zien wij, in toorn, onder groote vreugde, bij elke zielesmart,

weenen, terwijl zich de Spartaansche knaap voor het altaar van Artemis

Orthia, zonder eene klacht te uiten, ten bloede, ja, menigmaal dood

liet geeselen, om den lof der mannen deelachtig te worden.

Gedurende eenige oogenblikken bewaarden al de aanwezigen

het stilzwijgen, uit eerbied voor de aandoeningen van den

grijsaard. Eindelijk maakte Jesua, de Israëliet, daaraan een

einde, in gebroken Grieksch den oude aldus toesprekende: »Ween

vrij uit, Spartaansche man! Ik weet wat het zeggen wil, een zoon

te verliezen. Heb ik niet, elf jaren geleden, in het vreemde

land, aan de wateren van Babylon, waar mijn volk in ballingschap

zuchtte, een schoonen knaap grafwaarts gedragen! Had het beste kind

nog slechts een enkel jaartje geleefd, zoo zou het in 't lieve

vaderland gestorven zijn, en hadden wij het in het graf zijner

vaderen kunnen bijzetten. Maar Cyrus, de Pers,--Jahveh zegene zijne

nakomelingschap!--heeft ons éen jaar te laat vrij gemaakt, en ik

beween nu dubbel dat kind mijns harten, wijl zijn graf in het land

der vijanden Israëls gedolven is. Bestaat er wel iets treurigers

dan te moeten beleven, dat onze kinderen, onze grootste schat,

vóor ons ten grave dalen? En,--Jahveh zij mij genadig!--zulk een

voortreffelijk kind, als uw zoon moet zijn geweest, te verliezen,

wanneer hij juist een beroemd man staat te worden, dat moet wel de

grootste aller smarten zijn!"

De Spartaan verwijderde de handen van zijn streng gelaat en zeide,

onder zijne tranen glimlachende: »Gij dwaalt, Phoeniciër; ik ween

van blijdschap, niet van droefheid, en gaarne had ik ook mijn tweeden

zoon verloren, indien hij gestorven ware gelijk mijn Lysander."

De Israëliet schrikte van deze woorden, die hem onnatuurlijk en

goddeloos in de ooren klonken, en schudde afkeurend het hoofd. De

aanwezige Hellenen daarentegen overlaadden den door allen benijden

grijsaard met gelukwenschingen. Aristomachus scheen door de vreugde

zijner ziel vele jaren jonger te zijn geworden, en riep Rhodopis toe:

»Waarlijk, vriendin, uw huis is voor mij rijk gezegend, want sedert

ik het betrad, is dit het tweede geschenk der goden, hetwelk mij hier

ten deelt valt!"

»En wat was het eerste?" vroeg de gastvrouw.

»Een gunstig orakel."

»Gij vergeet het derde!" riep Phanes. »Op den dag van heden hebben

u namelijk de goden Rhodopis leeren kennen. Maar wat is er van die

godspraak?"

"Mag ik haar aan de vrienden openbaren?" vroeg de Delphiër.

Aristomachus knikte toestemmend, en Phryxus las ten tweeden male het

antwoord van de Pythia:

Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen

In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,

Dan voert de ranke boot u, moe van 't ommedwalen,

Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt,

En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven,

Wat gij zoo lang met rouw in 't hart, moest derven.

Nauw had Phryxus het laatste woord gelezen, toen Kallias, de Athener,

juichend van zijne ligplaats opsprong, uitroepende: »De vierde gave,

het vierde geschenk der goden, zult gij thans van mij in dit huis

ontvangen. Weet dat ik de nieuwstijding, die wel het meest uwe

verbazing zal wekken, tot het laatst bewaarde: de Perzen komen naar

Egypte."

Geen der gasten, behalve de Sybariet, bleef op zijne plaats, en Kallias

werd door allen met vragen bestormd, zonder dat men hem tot antwoorden

den tijd liet. »Bedaart wat, vrienden; houdt uw gemak!" riep hij

eindelijk. »Laat mij u geregeld vertellen al wat ik weet, anders kom

ik heden niet aan het einde. Een groot gezantschap van Cambyzes, den

tegenwoordigen alleenheerscher van het machtige Perzië, en geen leger,

gelijk Phanes misschien reeds vermoedde, is op weg naar dit land. Te

Samos werd mij gezegd, dat het al op Mylete was aangekomen. Binnen

weinige dagen moet het hier zijn. Bloedverwanten van den koning, en

ook de oude Cresus van Lydië, moeten er deel van uitmaken. Wij zullen

eene buitengewone pracht te zien krijgen. Met welk doel dit gezantschap

komt weet niemand zeker, doch men gist, dat koning Cambyzes met Amasis

een verbond verlangt te sluiten. Daar zijn er zelfs die beweren,

dat de Perzische vorst de dochter van den pharao tot vrouw begeert."

»Een verbond?" vroeg Phanes, ongeloovig de schouders ophalende. »Op

dit oogenblik overheerschen de Perzen reeds bijna de halve wereld. De

grootste natiën van Azië hebben zich onder hun schepter gebogen;

alleen Egypte en het Grieksche moederland hebben den veroveraar nog

niet erkend als hun meester."

»Gij vergeet het goudrijk Indië en de groote Nomadenstammen van

Azië," antwoordde Kallias. "Gij vergeet verder, dat een rijk, zoo

samengeflanst als het Perzische, hetwelk uit zeventig volkstammen

bestaat van allerlei talen en zeden, dat voortdurend de kiem des

oorlogs in zich draagt, wel zeer op zijne hoede moet zijn om niet

opnieuw in buitenlandsche oorlogen te worden gewikkeld. Want,

bij afwezendheid van de hoofdmacht des legers, zouden enkele

afgelegene provinciën deze gewenschte gelegenheid tot afval kunnen

aangrijpen. Vraag den Milesiërs of zij rustig zouden blijven, indien

het hun ter oore kwam dat het leger hunner verdrukkers in een of

anderen slag het onderspit had gedolven."

Daarop viel Theopompus, de koopman van Milete, den spreker in de rede,

en riep opgewonden: »Als de Perzen eenmaal de nederlaag lijden, zoo

krijgen zij wel honderd andere vijanden op den hals, en mijn volk

zou voorzeker niet het laatste zijn, dat zich tegen den overweldiger

verzette!"

»Wat ook de last der gezanten zij," vervolgde Kallias, »ik houd

staande, dat de Perzen op zijn laatst binnen drie dagen hier zullen

aankomen."

»En daarmede is tegelijkertijd uw orakel vervuld, gelukkige

Aristomachus," zeide Rhodopis. »Met de ruiterschaar van het gebergte

kunnen alleen de Perzen bedoeld worden. Wanneer deze de oevers van

den Nijl naderen, zullen de vijf rechters, uwe ephoren [84], van

gezindheid veranderen, en u, den vader van twee der overwinnaars

te Olympia, in het vaderland terugroepen.--Vul nog eens de bekers,

Knakias! Wijden wij dezen laatsten dronk aan de schim van den

roemrijken Lysander. Maar dan raad ik u allen op te staan, want het

is reeds lang middernacht. De waarlijk gastvrije breekt de tafel op,

wanneer de vreugde haar toppunt heeft bereikt. De aangename, door

geene droefheid gestoorde herinnering aan dezen avond zal u weldra

in dit huis terugvoeren, terwijl gij het voorzeker liever niet weder

betreden zoudt, zoo gij ook de uren der ontspanning gedenken moest,

die zoo licht op de vreugde volgen."

Al de gasten stemden met Rhodopis in, Ibycus noemde haar een echte

leerlinge van Pythagoras, en gaf zijne hooge ingenomenheid te kennen

met den opgeruimden, feestelijken toon, die dezen avond in den

ganschen kring had geheerscht. Ieder maakte zich nu tot vertrekken

gereed. Ook de Sybariet, die, om zijne aandoeningen, die hem zoo te

onpas kwamen storen, te onderdrukken, overmatig veel gedronken had,

richtte zich, door zijne slaven [85], die men inmiddels binnengeroepen

had, ondersteund, uit zijne gemakkelijke houding op, onderwijl zoo

wat pruttelende over inbreuk maken op het gastrecht.

Toen Rhodopis hem tot afscheid de hand wilde reiken, riep hij, door den

wijn beneveld: »Bij Hercules! Rhodopis, gij smijt ons het huis uit, als

waren wij lastige schuldeischers. Ik ben niet gewoon van een gastmaal

op te staan, zoolang mijne beenen mij nog kunnen dragen, en nog minder,

mij als een tafelschuimer het gat van de deur te laten wijzen!"

»Maar, begrijp dan toch, gij, onmatige drinkebroer...," begon Rhodopis

zich lachende te verontschuldigen. Philoinus evenwel, die in zijn

roes geen tegenspraak kon verdragen, barstte uit in een spottend

geschater en beet haar toe, terwijl hij naar de deur waggelde:

»Onmatige drinkebroer, zegt ge? Goed! Ik geef u daarop ten antwoord:

onbeschaamde slavin! Waarachtig, men kan het u altijd nog aanzien, wat

ge in uwe jeugd geweest zijt. Vaarwel, slavin van Jadmon en Xanthus,

vrijgelatene van Charaxus!...

Maar hij kon niet uitspreken, want plotseling sprong de Spartaan op

hem toe, wierp hem met een geweldigen vuistslag ter aarde, en droeg

den bewustelooze, als ware hij een kind, in het vaartuig, dat met

zijne slaven aan de tuindeur hem wachtte.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 4 / 38 题