De Nijl was buiten zijne oevers getreden. Daar, waar anders het oog met
welgevallen rustte op weelderige akkers en bloeiende velden, breidde
zich thans heinde en verre eene onmetelijke watervlakte uit. Alleen
de door dammen beschermde steden, met hare reusachtige tempels en
paleizen, de daken der dorpen en de kronen der hoogstammige palmen en
der bladerrijke sykomoren verhieven zich boven den waterspiegel. De
wilgenboomen lieten hunne takken nederhangen in den vloed, terwijl
de hooge zilverpopulieren, met hunne naar boven gerichte takken,
het vochtige element schenen te willen ontwijken. De volle maan was
opgegaan en goot haar zacht en liefelijk licht uit over de Lybische
heuvelrijen in het westen, welker omtrekken zich slechts flauw tegen
den wolkloozen hemel afteekenden. Op den effen waterspiegel dreven
blauwe en witte lotusbloemen. Vledermuizen van verschillende soorten
zwierden en fladderden door de stille, van den geur der acacia's
en jasmijnbloesems vervulde nachtlucht. In de toppen der boomen
sluimerden wilde duiven en andere vogels, terwijl pelikanen, ooievaars
en kraanvogels zich verscholen hielden tusschen het papyrus-riet en de
nijlboonen, die langs den oever wiesen. De eersten verborgen slapend
hunne langgesnavelde koppen onder de vleugelen en bewogen zich niet;
de kraanvogels evenwel schrikten op, telkens wanneer zich een riemslag
of het gezang van nog werkende schippers deed hooren, en zij tuurden
in de ruimte, terwijl zij de slanke halzen angstig her- en derwaarts
keerden. Geen koeltje zelfs woei er, en het spiegelbeeld der maan, dat
als een zilveren schild op het watervlak scheen te drijven, bewees,
dat de Nijl, die zich eerst zoo woest van de rotsen neêrstort en zoo
driftig de reuzentempels van Opper-Egypte voorbijsnelt, daar, waar
hij, in verscheidene armen verdeeld, de zee nadert, zijn onstuimig
jagen heeft laten varen, om zich over te geven aan een kalme rust.
In dezen schoonen nacht doorkliefde, 528 jaren vóor onze jaartelling,
eene bark den Canobischen mond [1] van den Nijl, waarin schier geen
stroom te bespeuren was. Een Egyptenaar zat op het hooge achterdek,
terwijl hij met beide handen den langen stuurriem vasthield, waarmede
hij den koers van het vaartuig regelde [2]. In het ruim van het schip
zaten halfnaakte roeiers, die zingende de riemen bewogen. In eene van
voren opene kajuit, die groote overeenkomst had met een houten priëel,
lagen twee mannen op lage matrassen. Zij waren, naar hun uiterlijk te
oordeelen, geen van beiden Egyptenaren. Zelfs bij het maanlicht kon men
hunne Grieksche afkomst herkennen. De oudste van de twee, een ongemeen
groot en krachtig man van even zestig jaren, wiens zware grijze lokken
vrij en los tot op zijn korten gevulden hals nedervielen, was in een
eenvoudigen mantel zonder sieraad gehuld. Hij staarde met somberen blik
in den stroom, terwijl zijn metgezel, die ongeveer twintig jaren jonger
was, een slank en schoon gebouwd man, nu eens naar den hemel opzag,
dan weder tot den stuurman enkele woorden richtte, dan weder zijne
violetblauwe chlanis [3] verschikte en verplooide, of met de hand over
zijne welriekende bruine lokken of zijn fijngekroesden baard streek.
De bark had omtrent een half uur geleden Naucratis [4], de eenige
Grieksche havenplaats in het toenmalige Egypte, verlaten. De grijze
sombere man had gedurende de gansche vaart geen woord gesproken,
en de ander had hem in zijn gepeinzen niet gestoord. Als nu het
vaartuig den oever naderde, richtte zich de bewegelijke jonkman op,
zijn metgezel toeroepende: »Zoo aanstonds hebben wij het einde van
onzen tocht bereikt, Aristomachus. Dáár in de hoogte, links, dat zoo
lieflijk gelegen huis, in dien zich boven de overstroomde velden
verheffenden tuin van palmboomen [5] is de woning mijner vriendin
Rhodopis. Haar overleden echtgenoot Charaxus heeft het doen bouwen,
en al hare vrienden, tot zelfs de koning, beijveren zich, er ieder
jaar nieuwe verfraaiingen aan te brengen. Noodelooze moeite! Het beste
sieraad van dit huis zal, al werden ook alle schatten der wereld er
aan ten koste gelegd, toch steeds zijne schoone bewoonster zelve zijn."
De oude stond nu op, wierp een vluchtigen blik op het gebouw, bracht
met de hand zijn dichten grijzen baard, die kin en wangen doch niet
de lippen [6] omgaf, eenigszins in orde, en vroeg kortaf: »Wat is
die Rhodopis toch voor een wezen in uwe oogen, Phanes? Sinds wanneer
dweepen de Atheners met oude vrouwen?"
Hij, die dus werd aangesproken, glimlachte en hernam met zekere
zelfvoldoening: »Ik acht dat ik de menschen, en vooral de vrouwen,
zeer goed ken; maar ik geef u nogmaals de verzekering, dat ik in geheel
Egypte geen edeler, geen voortreffelijker wezen ken, dan deze oude
vrouw. Als gij haar en hare lieve kleindochter zult hebben gezien,
en uwe meest geliefkoosde liederen door een koor van uitmuntend
geoefende slavinnen zult hebben hooren zingen [7], voorzeker, dan
zult gij er mij voor danken, dat ik u derwaarts geleid heb!"
»En toch," antwoordde de Spartaan ernstig, »zou ik u niet zijn
gevolgd, zoo ik niet de hoop had gekoesterd, den Delphiër Phryxus
hier te ontmoeten."
»Gij zult hem aantreffen. Ook vertrouw ik, dat het gezang eene
weldadige werking op u zal oefenen, en u uit uwe sombere overpeinzingen
zal opwekken."
Aristomachus schudde ontkennend het hoofd, en zeide: »U, levenslustige
Athener, mogen de vaderlandsche liederen verkwikken, mij echter zal
het, bij het vernemen van Alkman's [8] heerlijke zangen, zijn als in
zoo vele nachten, die ik droomend heb doorwaakt. Mijn verlangen zal
niet bevredigd, het zal slechts verdubbeld worden."
»Meent gij dan," vroeg Phanes, »dat ik niet vurig verlang, mijn geliefd
Athene, de speelplaatsen mijner jeugd, en het vroolijk gewoel van de
markt weder te zien? Geloof mij, het brood der ballingschap smaakt
ook mij niet; maar door een verkeer gelijk dit huis biedt, wordt het
eenigszins smakelijker. En als de geliefde Helleensche liederen, zoo
wonderbaar schoon gezongen, tot mijn oor doordringen, dan zie ik in
mijne verbeelding mijn vaderland voor mij; dan zie ik zijne olijf-
en pijnbosschen, zijne frissche smaragdgroene stroomen, zijne blauwe
zee, zijne prachtige steden, zijne met sneeuw bedekte bergtoppen en
marmeren zalen. Wanneer dan de tonen zwijgen, biggelen mij tranen
van weemoed en verrukking langs de wangen, als ik tot mij zelven moet
zeggen, dat ik nog in Egypte toef, dat eentonige heete wonderbare land,
dat ik, den Goden zij dank, weldra verlaten zal. Maar, Aristomachus,
is het verstandig de oasen in de woestijn te mijden, wijl gij later
toch weder met de gevaren en ontberingen der zandzee te strijden zult
hebben? Is het wijs, het geluk van éen uur te ontvlieden, omdat vele
droeve dagen u verbeiden?--Halt, hier moeten wij zijn! Toon nu een
vroolijk gelaat mijn vriend, want het past niet in eene treurige
stemming den tempel der Charitinnen [9] binnen te treden.
Bij deze woorden landde de bark aan den door den Nijl bespoelden
muur van den tuin. Met een sprong verliet de Athener het vaartuig;
de Spartaan volgde hem met zwaren doch vasten tred. Aristomachus had
een houten been; toch stapte hij zoo gemakkelijk en snel naast den
vluggen Phanes voort, dat men bijna in verzoeking kwam om te denken,
dat hij met het houten been ter wereld was gekomen.
In den tuin van Rhodopis geurde, bloeide en gonsde het, als in een
nacht uit de tooververtellingen. Acanthus, gele mimosa's, hagen
van sneeuwballen, jasmijn en vlier, rozen en goudenregenstruiken
betwistten elkander de ruimte; hooge palmen, nijlacacia's en
balsemboomen verhieven hunne statige kruinen boven de lagere
gewassen. Groote vledermuizen zweefden op hunne dunne fijne vleugels
boven deze liefelijke plek rond, terwijl gezang en gelach de stilte
op den stroom bij wijle verlevendigden.
Door een Egyptenaar was deze tuin aangelegd. De bouwmeesters der
pyramiden hadden van oudsher den naam van zeer bekwame hoveniers
te zijn [10]. Zij verstonden de kunst om bloembedden scherp af te
steken, om boomen en struiken in regelmatige groepen te planten, om
waterleidingen en springbronnen aan te leggen, om sierlijke priëeltjes
en tuinhuisjes te bouwen, ja zelfs om de paden met kunstig besnoeide
hagen af te perken, en in steenen bekkens goudvisschen te onderhouden
en aan te kweeken.
Phanes bleef voor de poort in den tuinmuur staan, zag oplettend om
zich heen, luisterde een wijle, als om eenig geluid op te vangen,
en schudde eindelijk het hoofd, zeggende: »Ik begrijp niet, wat dit
te beduiden heeft. Ik verneem geene stemmen, zie geen licht, alle
barken zijn weg, en toch hangt de vaan aan gindschen bontgekleurden
staak nevens de obelisken aan weêrszijden der poort [11]. Rhodopis
moet afwezig zijn. Zou men vergeten hebben.....?" Hier viel hem eene
zware stem in de rede: »Ah, de overste der lijfwacht!"
»Goeden avond, Knakias!" riep Phanes den op hem toetredenden grijsaard
vriendelijk groetende toe. »Hoe komt het, dat deze tuin zoo stil is als
eene Egyptische grafkamer, terwijl ik toch de vaan der verwelkoming
geheschen zie? Sinds wanneer noodigt het witte doek te vergeefs de
gasten uit?"
»Sinds wanneer?" antwoordde de oude slaaf van Rhodopis lachende. »Zoo
lang de Parcen [12] mijne gebiedster genadig verschoonen, kan men er
zeker van zijn, dat deze vaan zoo vele gasten herwaarts zal roepen,
als dit huis slechts bevatten kan. Rhodopis is niet te huis, doch
zij zal weldra terugkeeren. De avond was zoo schoon, dat zij den
lust niet kon weêrstaan, met hare vrienden een tochtje op den Nijl
te maken. Twee uren geleden, bij het ondergaan der zon, staken zij
van wal, en de maaltijd is reeds bereid [13]. Zij kunnen niet lang
meer uitblijven. Ik bid u, Phanes, heb dus een weinig geduld, en
volg mij intusschen naar binnen. Rhodopis zou het mij niet vergeven,
als ik zulk een aangenamen gast niet had uitgenoodigd om een wijle te
toeven. En u, vreemdeling," ging hij voort, den Spartaan aansprekende,
»verzoek ik dringend te blijven, want als vriend van haar vriend zult
gij mijne meesteres dubbel welkom zijn!"
De beide Grieken volgden den dienaar, en zetten zich in een priëel
neder. Aristomachus wijdde nu al zijne aandacht aan zijne omgeving,
die door de maan helder werd verlicht, en sprak na eenige oogenblikken:
»Verklaar het mij, Phanes, aan welk geluk deze Rhodopis, eene gewezene
slavin en hetaere [14], het te danken heeft, dat zij als eene koningin
leven en hare gasten vorstelijk ontvangen kan?"
»Deze vraag verwachtte ik reeds lang," riep de Athener vroolijk,
»en het verheugt me dat ik u alvorens gij het huis dezer vrouw
binnentreedt, met haar verleden bekend kan maken. Gedurende onze
vaart op den Nijl wilde ik u met mijne verhalen niet storen. Deze
oude stroom dwingt met onweêrstaanbare kracht tot zwijgen en tot
stille gepeinzen. Toen ik, gelijk gij daar straks, voor de eerste
maal een nachtelijken tocht deed op dezen stroom, was het ook mij
als was mijne anders zoo radde tong verlamd."
»Ik dank u," antwoordde de Spartaan. »Toen ik den honderdvijftigjarigen
priester Epimenides van Cnossus [15] op Creta, voor de eerste maal
zag, werd ik door een bijzonder gevoel van eerbied aangegrepen. Zijn
ouderdom en zijne heiligheid maakten op mij een onbeschrijfelijken
indruk. Hoeveel ouder, hoeveel heiliger echter is deze grijze stroom
Aigyptos [16]! Wie zou zich aan zijn betooverenden invloed vermogen
te onttrekken? Doch ik bid u, verhaal mij van Rhodopis!"
»Rhodopis," aldus ving Phanes aan, »werd, toen zij nog een klein
kind was, bij gelegenheid dat zij met hare speelgenootjes aan het
Thracische strand zich verlustigde, door Phoenicische zeevaarders
geroofd en naar Samos gebracht, waar zij door Jadmon, een geomoor
[17], gekocht werd. Het meisje nam met den dag toe in schoonheid,
aanvalligheid en in verstand, en weldra werd zij door allen die haar
kenden bemind en bewonderd.
»Aesopus [18], de dichter der dierenfabelen, die toen evenzeer
als slaaf bij Jadmon diende, had een bijzonder welgevallen in de
aanminnigheid en geestigheid van het kind. Hij onderrichtte het in
allerlei zaken, en zorgde voor Rhodopis, gelijk een paedagoog [19],
dien wij, Atheners, voor onze jongens in dienst nemen. De goede
leermeester vond in haar eene discipelin, die zich gemakkelijk liet
leiden en zeer vlug van bevatting was. De jonge slavin sprak, zong
en musiceerde binnen korten tijd beter en schooner, dan de zonen
van Jadmon, die eene allerzorgvuldigste opvoeding genoten. Op haar
veertiende jaar was Rhodopis zóo schoon en zóo ontwikkeld, dat de
ijverzuchtige gade van Jadmon het meisje niet langer in haar huis
wilde dulden, en de Samiër na lang tegenstribbelen, zijne lieveling aan
zekeren Xanthus verkoopen moest. Te Samos heerschte toenmaals nog de
weinig bemiddelde adel. Ware Polycrates reeds aan het bestuur geweest,
zoo had Xanthus voorzeker niet lang naar een kooper behoeven uit te
zien. Die tyrannen vullen hunne schatkamers, gelijk de eksters hunne
nesten! Hij begaf zich dus met zijn kleinood naar Naucratis, en won
hier door de bekoorlijkheden zijner slavin groote schatten. Rhodopis
doorleefde nu drie jaren van diepe vernedering, waaraan zij nog altijd
met afkeer denkt.
»Toen eindelijk de roep harer schoonheid door geheel Hellas
op de vleugelen der faam was rondgedragen, en vreemden uit de
verstverwijderde oorden, alleen om haar te zien, naar Naucratis kwamen
[20], gebeurde er iets, dat op het lot van Rhodopis grooten invloed
had. Het volk van Lesbos verdreef zijn adel en verkoos den wijzen
Pittacus tot gebieder. De aanzienlijkste familiën moesten Lesbos
verlaten, en vluchtten deels naar Sicilië, deels naar de Grieksche
volkplantingen in Italië, of eindelijk naar Egypte. Alcaeus [21], de
grootste dichter van zijn tijd, en Charaxus, de broeder dier Sappho
[22], wier lierzangen te leeren de laatste wensch van onzen Solon was,
kwamen over naar Naucratis, dat reeds lang, als stapelplaats van den
Egyptischen handel met alle andere landen, bloeide. Charaxus zag
Rhodopis, en van stonde aan beminde hij haar zoo hartstochtelijk,
dat hij eene ontzaggelijke som ten offer bracht, om haar van den
geldgierigen Xanthus, die naar zijn vaderland verlangde weder te
keeren, te koopen. Sappho bespotte haren broeder wegens dezen koop, in
bijtend scherpe verzen; Alcaeus evenwel liet Charaxus recht wedervaren,
terwijl hij Rhodopis in liederen vol gloed en geestdrift bezong.
»De broeder der dichteres, die tot nog toe onder de vele vreemdelingen
te Naucratis onopgemerkt was gebleven, verwierf op eenmaal
door Rhodopis een groote vermaardheid. In zijn huis verzamelden
zich om harentwille alle vreemdelingen, die haar met geschenken
overlaadden. Koning Hophra [23], die veel van hare schoonheid en
haar verstand gehoord had, liet haar naar Memphis komen, en wilde
haar van Charaxus koopen. Deze echter had haar reeds lang de vrijheid
geschonken, en beminde haar te vurig, dan dat hij zich van haar zou
hebben kunnen scheiden. Wederkeerig had ook Rhodopis den schoonen
Lesbiër hartelijk lief, zoodat zij niets liever wenschte dan bij hem
te blijven, in weerwil van de schitterende aanbiedingen, die haar
van verschillende zijden gedaan werden. Ten laatste verhief Charaxus
de merkwaardige vrouw tot den rang zijner wettige gade, en bleef met
haar en haar dochtertje Kleïs te Naucratis, tot Pittacus de ballingen
in het vaderland terugriep. Nu stevende hij met zijne vrouw naar
Lesbos. Op de reis derwaarts werd hij ziek, en kort na zijne aankomst
op Mytilene stierf hij. Sappho, die aanvankelijk haren broeder om zijn
dwaas huwelijk bespot had, werd zeer spoedig de vriendin der schoone
weduwe. Zij toonde een ongeveinsde bewondering voor deze vrouw, en
wedijverde met haren vriend Alcaeus, om Rhodopis in hartstochtelijke
liederen te bezingen.
»Na het overlijden der dichteres keerde Rhodopis met hare dochter naar
Naucratis terug, en werd hier als eene godin ontvangen. Amasis [24],
de tegenwoordige koning van Egypte, had zich intusschen van den troon
der pharaonen meester gemaakt, en wist zich daarop met de hulp der
krijgslieden, uit wier kaste hij gesproten was, te handhaven. Dewijl
zijn voorganger Hophra, door zijne voorliefde voor de Grieken en zijn
omgang met de door alle Egyptenaren gehaatte vreemdelingen, zijn eigen
val bewerkt en verhaast had, daar hij de priesters en krijgslieden tot
openbaren opstand had aangezet, hield men 't voor zeker dat Amasis,
gelijk de vorsten van oudsher plachten te doen, het land voor de
vreemdelingen sluiten, de Grieksche soldaten afdanken, en in plaats
van aan den raad der Hellenen het oor te leenen, op de bevelen der
priesters acht geven zou. Gij hebt het kunnen opmerken, hoezeer
die goede Egyptenaren zich, bij hunne keuze van een nieuwen koning,
vergist hebben, en hoe zij van de Scylla in de Charybdis [25], zijn
vervallen. Was Hophra een vriend der Grieken, dan voorzeker kunnen wij
van Amasis getuigen, dat hij ons hartelijk liefheeft. De Egyptenaren,
en voornamelijk de priesters en krijgslieden, spuwen vuur en vlam,
en zouden ons gaarne allen in eens verworgen. Om de laatste bekommert
zich de koning niet veel, daar hij wel weet welke gewichtige diensten
wij en welke zij hem bewijzen. Met de priesters moet hij evenwel
altijd zeer omzichtig te werk gaan; want eensdeels oefenen deze een
onbegrensden invloed uit op het volk, en ten andere hecht de koning
meer, dan hij ons wil laten blijken, aan een ongerijmden godsdienst
[26], die in dit wonderbare land sinds duizenden jaren onveranderd
heeft bestaan, en aan haren ouderdom in de oogen harer belijders
eene nog grootere heiligheid ontleent. Deze priesters verbitteren
's konings leven, zij vervolgen en benadeelen ons zooveel zij maar
kunnen; ja, ik zou reeds lang het kind van de rekening geweest zijn,
zoo de koning zijne beschermende hand niet over mij had uitgestrekt.
»Maar ik heb den draad van mijn verhaal laten glippen. Rhodopis
werd dan te Naucratis met opene armen ontvangen, en door Amasis,
die haar weldra leerde kennen, met bewijzen zijner koninklijke
gunst overladen. Hare dochter Kleïs, die, evenmin als thans Sappho,
ooit de dagelijksche avondbijeenkomsten in haar huis mocht bijwonen,
en bijkans nog strenger dan de andere jonkvrouwen van Naucratis werd
opgevoed, huwde Glaukus, een rijk koopman uit Phocis van adellijke
afkomst, die met groote dapperheid zijne vaderstad tegen de Perzen
had helpen verdedigen, en volgde haar gemaal naar het kortelings op
de Keltische kust gestichte Massalia [27]. De jeugdige echtelingen
stierven, ten gevolge van het ongunstige klimaat, nadat hun eene
dochter Sappho geboren was. Rhodopis ondernam zelve de reis naar het
verre westen, om de hulpelooze wees af te halen. Zij nam dit kind in
haar huis op, liet het met de meeste zorg opvoeden, en ontzegt het
thans, nu het den maagdelijken leeftijd heeft bereikt, het verkeer
met de mannen. Want zij heeft zulk een diep gevoel van schaamte over
de vlekken, die aan hare eigene vroegste jeugd kleven, dat zij hare
kleindochter, die hare grootmoeder hierin niet weêrstreeft, verder
verwijderd houdt van den omgang met ons geslacht, dan de Egyptische
zeden wel veroorlooven. Voor mijne vriendin is het gezellig verkeer
even onontbeerlijk, als het water voor de visschen, als de lucht
voor de vogelen. Alle vreemdelingen bezoeken haar, en wie eenmaal
hare gastvrijheid ondervonden heeft, zal, wanneer hem de tijd niet
ontbreekt, zich niet laten wachten, zoodra de vaan aan de poort tot
een avondbezoek noodt. Ieder Helleen, onverschillig van welken rang,
bezoekt dit huis; want hier overlegt men, hoe men zich het best
tegen den haat der priesters zal kunnen wapenen; en hoe men den
koning tot dit of dat zal weten over te halen. Hier verneemt men
steeds de laatste berichten uit het vaderland en uit alle oorden
der wereld. Hier vindt de vervolgde eene onschendbare wijkplaats,
want de koning heeft zijne vriendin een vrijbrief gegeven tegen alle
aanrandingen van de zijde der veiligheidsbeambten [28]. Hier hoort men
zijne moedertaal spreken en de vaderlandsche liederen zingen. Hier
wordt beraadslaagd, op welke wijze Hellas van de steeds toenemende
macht der tyrannen [29] zal kunnen worden verlost. In één woord,
dit huis is het brandpunt van alle Helleensche belangen in Egypte,
en van hoogere staatkundige beteekenis, dan zelfs het Hellenion
alhier, waar de aangelegenheden van onzen godsdienst en onzen handel
besproken worden. Binnen weinige minuten zult gij de eerbiedwaardige
grootmoeder, en misschien ook, wanneer wij alleen overig blijven,
de kleindochter zien, en gij zult spoedig tot de overtuiging komen,
dat deze menschen niet aan eenig geluk, maar alleen aan hunne eigene
voortreffelijkheid alles verschuldigd zijn.
»Ha, daar komen zij. Zie, daar richten zij hare schreden naar het
huis. Hoort gij de slavinnen zingen? Nu treden zij binnen. Laat
ons wachten tot zij eerst gezeten zijn, en volg mij dan. Bij het
afscheid zal ik u vragen, of het u berouwt met mij te zijn gegaan,
en of Rhodopis niet veeleer eene koningin, dan wel eene vrijgelatene
slavin gelijkt."
Het huis van Rhodopis [30] was in Griekschen stijl gebouwd. De
buitenzijde van het slechts éene verdieping hooge lange gebouw was,
ten minste naar onze begrippen van bouwkunst, hoogst eenvoudig. Bij
de inwendige inrichting had men echter de schoone Grieksche vormen
aan de Egyptische kleurenpracht weten te paren. Door de breede
hoofddeur kwam men in het voorportaal. Dan zag men, ter linkerzijde
eene groote eetzaal, waarvan de vensters het uitzicht hadden op
de rivier. Tegenover deze was de keuken, waarvoor slechts in de
woningen der rijke Hellenen eene ruimte was afgezonderd, daar de minder
vermogenden hunne spijzen aan den haard in het woonvertrek plachten te
bereiden. De receptie-zaal bevond zich vlak tegenover de hoofddeur,
en vormde een zuiver vierkant, dat door een zuilengang omgeven was,
waarop onderscheidene vertrekken uitkwamen. In het midden dezer zaal,
die bestemd was voor de mannen, brandde op een sierlijken metalen
haard, in den vorm van een altaar, door een Aeginaetisch kunstenaar
vervaardigd [31], het huiselijk vuur. Over dag ontving deze zaal
haar licht door eene groote opening in het dak, door welke tegelijk
de rook van het haardvuur een uitweg vond. Aan het einde van deze
zaal, tegenover het voorportaal, bevond zich een gang, die door
eene zware deur was afgesloten, en naar het groote, slechts aan drie
zijden door zuilen omgeven vrouwenvertrek geleidde. Hier vertoefden
de bewoneressen van het huis, wanneer zij niet aan het spinrokken
of voor het weefgetouw zaten in de zijvertrekken, die op de hoogte
van de zoogenaamde tuin- of achterdeur gelegen waren. Tusschen deze
en de vertrekken, die het vrouwenvertrek ter linker- en rechterzijde
begrensden en tot huishoudkamers waren ingericht, lagen de slaapzalen,
in welke tegelijk de schatten van het huis bewaard werden. De
muren der mannenzaal waren met roodachtig bruine verf beschilderd,
waartegen de witte marmeren beelden en groepen, alle geschenken van
een kunstenaar op Chios, in scherpe omtrekken zeer goed uitkwamen. De
ingelegde vloer was schoon van teekening en kleur. Langs de zuilen
waren lage met pantervellen overtrokkene matrassen nedergelegd, en in
de nabijheid van den kunstig bearbeidden haard stonden bijzonder fraaie
Egyptische leunstoelen en fijn besnedene tafeltjes van thyahout [32],
op welke allerlei muziekinstrumenten, als eene luit, een cyther en
een phorminx [33] lagen. Aan de wanden hingen talrijke met kiki-olie
[34] gevulde lampen van onderscheidene vormen: deze had de gedaante
van een vuurspuwenden dolfijn, gene die van een vreemd gevleugeld
monster, welks muil stralen uitschoot, terwijl allen hun licht met
den gloed van het haardvuur vereenigden.
In deze zaal stonden thans eenige mannen, zeer van elkander
verschillende in gelaatstrekken en in kleeding. Een Phoeniciër uit
Tyrus, in een lang karmozijnkleurig gewaad, was in eene zeer levendige
woordenwisseling met een man, wiens scherpe trekken en zwart krullend
haar den Israëliet deden kennen. Hij was uit zijn vaderland naar Egypte
gekomen, om voor Serubabel, den koning van Juda, Egyptische paarden
en wagens, die toen zeer beroemd waren, te koopen [35]. Naast dezen
stonden drie Grieken uit Klein-Azië. Hunne kostbare kleederen, die
in breede plooien neerhingen, lieten aanstonds vermoeden dat Mylete
hun vaderland was. Zij voerden een ernstig gesprek met Phryxus, den
eenvoudig gekleedden afgezant van de stad Delphi, die Egypte bezocht
om gelden in te zamelen voor den Apollo-tempel. Het oude heiligdom
der Pythia [36] was, tien jaren geleden, eene prooi der vlammen
geworden, en men wenschte het thans schooner uit zijne asch te doen
herrijzen. Twee der Myletiërs, leerlingen van Anaximander en Anaximes
[37], bevonden zich aan de boorden van den Nijl, om te Heliopolis
de sterrenkunde en de wijsbegeerte der Egyptenaren te beoefenen. De
derde was een rijk koopman en scheepsreeder, Theopompus geheeten,
die zich te Naucratis metterwoon had gevestigd.
Rhodopis zelve onderhield zich zeer belangstellend met twee Grieken
van Samos, den alom beroemden bouwmeester, metaalgieter, beeldhouwer
en goudsmid Theodorus en den jambendichter Ibycus van Rhegium [38],
die voor eenige weken het hof van Polycrates verlaten hadden, ten
einde Egypte te leeren kennen, en den koning geschenken van wege hun
heer aan te bieden. Nabij den haard lag een gezet man, Philoinus van
Sybaris [39], met sterk sprekende zinnelijke gelaatstrekken, zoo lang
als hij was uitgestrekt op een met bont overtrokken voor twee personen
bestemden stoel. Hij streek gedurig met zeker welbehagen door zijne
welriekende met gouddraad doorvlochten lokken, of speelde met de gouden
kettingen, die van zijn hals nederhingen op het saffraankleurig kleed,
dat hem tot aan de voeten reikte.
Rhodopis had voor iederen gast een vriendelijk woord; doch op
dit oogenblik richtte zij zich meer uitsluitend tot de beroemde
Samiërs. Zij onderhield zich met hen over kunst en poëzie. De oogen
der Thracische vrouw gloeiden nog van jeugdig vuur. Hare hooge
gestalte was gevuld en nog niet door den ouderdom gebogen. Hoewel
hare lokken vergrijsd waren, golfden zij nog altijd weelderig om
het schoongevormde hoofd, en schenen zich slechts met weerzin van
achteren door een net van gouddraad te laten bedwingen. Op het hooge
voorhoofd prijkte een fonkelende diadeem. Dat edel Grieksch gelaat
was bleek, maar schoon en, ofschoon zij reeds zeer bejaard was,
door rimpel noch plooi ontsierd. Die kleine mond, die volle lippen,
die witte tanden, die schitterende en toch zachte oogen, dat edele
voorhoofd en die fijnbesneden neus hadden nog het sieraad eener maagd
kunnen zijn. Men moest Rhodopis voor jonger houden, dan zij werkelijk
was, en toch handelde of sprak zij nooit in strijd met hare hooge
jaren. Uit elke harer bewegingen sprak de waardigheid eener matrone,
en hare minzaamheid was niet die der jeugd, die zoekt te behagen,
maar die des ouderdoms, die zich aangenaam wil maken, die achting
heeft voor anderen en tegelijk achting vordert.
Thans verschenen ook de ons bekende mannen in de zaal. Aller oogen
vestigden zich op hen, en als Phanes nader trad zijn vriend bij de
hand leidende, werd hij op de hartelijkste wijze welkom geheeten.
»Ik dacht al," riep een der Mylesiërs, »er ontbreekt ons iets, hoewel
ik niet wist wat! Nu is het mij volkomen duidelijk: zonder Phanes
geene vroolijkheid!"
Philoinus de Sybariet verhief daarop zijne diepe zware stem, en riep,
zonder zijne gemakkelijke houding ook maar in het minst te veranderen:
»De vroolijkheid is een kostelijk ding, en zoo gij haar medebrengt
zijt gij ook mij welkom, Athener!"
»Wat mij aangaat," sprak Rhodopis, terwijl zij hare nieuwe gasten
tegemoet ging, »weest hartelijk gegroet, wanneer gij vroolijk zijt,
maar niet minder welkom, als gij onder kommer of smart gebukt gaat:
ik ken toch geen grooter genot, dan de rimpels op het voorhoofd van
een vriend glad te strijken. Ook u, Spartaan, heet ik vriend, want
zoo noem ik een ieder, die mijnen vrienden dierbaar is."
Aristomachus boog zich zwijgend; de Athener evenwel riep, zich half tot
Rhodopis en half tot den Sybariet wendende: »Welnu dan, gij, Rhodopis,
zult gelegenheid hebben, mij, uw vriend, te troosten, want maar al te
spoedig zal ik u en uwe vriendelijke woning moeten verlaten. Doch gij,
Sybariet, zult uw hart kunnen ophalen aan mijne vroolijkheid, want
eindelijk zal ik mijn Hellas wederzien, en dit land, dat veel heeft
van een vergulden muizenval, zij 't dan ook met weêrzin, verlaten!"
»Gij gaat heen? Hebt ge dan uw ontslag gekregen? Waarheen denkt gij
u te begeven?" klonk het van alle zijden.
»Geduld! geduld! vrienden," riep Phanes; »ik moet u eene lange
geschiedenis vertellen, die ik evenwel wil bewaren tot we aan tafel
zijn. Maar, van den maaltijd gesproken, beste vriendin, mijn honger
is op dit oogenblik bijna even groot, als mijn leedwezen dat ik u
verlaten moet."
»Honger is een voortreffelijk ding," philosopheerde de Sybariet,
»als men een goeden maaltijd in het vooruitzicht heeft."
»Stel u gerust, Philoinus," hernam Rhodopis, »ik heb den kok
bevolen zijn uiterste best te doen, en hem gewaarschuwd, dat de
fijnste lekkerbek uit de weelderigste stad der geheele wereld, dat
een Sybariet, dat Philoinus een streng gericht zal houden over de
werken zijner handen.--Ga, Knakias, en zeg dat men aanrichte!--Zijt
ge thans tevreden, gij ongeduldige heeren? Ondeugende Phanes, mij
hebt gij intusschen met uwe tijding alle eetlust benomen!"
De Athener maakte eene buiging. Intusschen zette de Sybariet zijne
wijsgeerige overpeinzingen voort: »Tevredenheid is een kostelijk ding,
als men de middelen heeft om al zijne wenschen te bevredigen. U,
Rhodopis, dank ik, dat gij aan mijne onvergetelijke vaderstad recht
hebt laten wedervaren. Gij weet wat Anakreon zegt?
'k Leef bij 't heden, niemand weet toch
Wat de dag van morgen brengt.
Proef, geniet dan 's levens vreugde,
Wijl het noodlot zulks gehengt.
Werp den teerling, offer Bacchus,
Drink en smaak zijn kostbren wijn:
Immers, als een ziekte u nadert,
Moogt gij niet meer vroolijk zijn.
Zeg! Ibycus, heb ik uw vriend, die met u aan de tafel van Polycrates
smult, niet zeer juist te berde gebracht? Maar ik zeg u, dat,
al maakt Anakreon betere verzen dan ik, uw onderdanige dienaar
desniettemin zoo goed als de beste bedreven is in de kunst om er
heerlijk van te leven. In geen zijner liederen zingt hij den lof van
het eten; en is toch het eten niet van meer belang, dan het spel en de
liefde? Ofschoon deze beide uitspanningen, ik bedoel spel en liefde,
ook mij zeer na aan 't hart liggen. Als ik niet te eten had, ging
ik zeker dood, maar zonder spel en liefde kan ik het leven rekken,
zij het dan ook een leven zonder kleur of geur."
De Sybariet barstte in een schaterend gelach uit over zijne
eigene geestigheid, en terwijl de verzamelde gasten in dezer voege
voortkeuvelden, wendde zich de Spartaan tot den Delphiër Phryxus,
troonde hem naar een hoek van de zaal, en vroeg hem, zijne gewone
bedaardheid geheel verloochenende, in groote opgewondenheid, of hij
hem reeds het antwoord van het orakel had medegebracht? De ernstige
tronie van den Delphiër nam eene meer vriendelijke uitdrukking
aan. Hij tastte in de borstplooien van zijn chiton [40], en bracht
een klein rolletje van perkamentachtig schaapsleder te voorschijn,
waarop eenige regels geschreven stonden.
De handen van den reusachtig sterken, dapperen Spartaan sidderden,
toen hij ze naar het rolletje uitstak. Hij tuurde op de letters, als
wilde hij met zijne blikken het leder doorboren. Doch hij bezon zich,
en zeide mistroostig het grijze hoofd schuddende: »Wij, Spartanen,
leeren andere kunsten dan lezen en schrijven; zoo gij 't kunt, lees
mij dan voor wat de Pythia zegt."
De Delphiër doorliep het geschrevene, en antwoordde: »Verheug u! Loxias
[41] belooft u een gelukkigen terugkeer in uw vaderland. Hoor wat de
priesteres u verkondigt:
Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
Dan voert de ranke boot u, moê van 't ommedwalen,
Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.
En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven
Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven.
Met gespannen aandacht luisterde de Spartaan naar deze woorden. Nog
eenmaal liet hij zich de uitspraak van het orakel voorlezen; daarop
herhaalde hij ze uit het hoofd, dankte Phryxus, en stak het rolletje
bij zich.
De Delphiër mengde zich vervolgens in het algemeen gesprek. De Spartaan
prevelde echter voortdurend bij zich zelven de geheimzinnige regels
der orakelspreuk, om ze toch niet weer te vergeten en deed al zijn
best om deze raadselachtige taal te verklaren.