RUST.

Het woord van Geyer over het genot, dat de herinnering aan den weg,

die even buiten zijne ouderlijke woning doodliep hem schonk, wekt

bij ons, menschen aan het einde eener eeuw staande, een gevoel van

afgunst ten opzichte van de gelukkigen, die vroeger eeuwen mochten

eindigen en voor wie het Paradijs toen nog bestond.

Want voor onze verbeelding is het Paradijs niet langer een met

allerhande boomen--vooral appelboomen--beplante lusthof, omringd

door een witten muur met gouden poorten. Wij vormen er ons eene

voorstelling van, uit louter ontkenningen saamgesteld: de weg loopt

niet verder door, dan tot aan de hekken van het Paradijs; van een

telefoon heeft men er zelfs geen flauw vermoeden; de brievenpost

komt er hoogstens éenmaal per week en van stoomboot of spoorweg is,

mijlen ver in den omtrek, geen sprake.

Welnu, zulk een Eden heb ik gevonden. Maar ik vertel u niet waar

het ligt. Dan zouden andere menschen van het moderne gedeelte der

maatschappij er misschien ook den weg heen vinden en dan was--het

Paradijs verloren! Want dat aan een eerste uitgaaf hiervan geen

onverdeeld succès te beurt gevallen is, dit was voorzeker niet de

schuld van de slang, al trachten een aantal menschen zich met die

gedachte te troosten....

In mijn Eden ontbreekt niet alleen alles wat er niet behoort te

wezen, maar men vindt er alles wat men er behoort en verlangt te

zien. Blauwe, met sneeuwranden omzoomde rotsen en veruitgestrekte,

met bosch beplante hoogten vormen in schoone lijnen een muur rondom

den lusthof. Een breede, groenachtig zwarte, gedeeltelijk met wit

mos bekleede bergspleet, maakt den weg door den muur vrij voor het

oog en voor de verbeeldingskracht; en heldere meertjes of binnenzeeën

geven aan het donkere boschrijke landschap een paar groote blinkende

oogen. Glinsterende berken en bloeiende linden geuren in de zomerzon,

die slechts voor enkele uren achter den horizont verdwijnt; die de

koornaren als in 't geheim laat rijpen en aan de bloemen meer geur en

krachtiger tinten geeft. Boven de met mos bekleede rotsbergen glijden

over dag de blauwe wolkjes, vlug als schimmen er tegen uitkomende,

voorbij. Maar de avond verspreidt over bergen en rotsen de vele

paarsche en violet-schakeeringen van topasen en ametisten; het

lichte blauw der opalen en de diepdonkere blauwheid van de zee; de

schakeering van het appelbloesem--teeder kleurtje tot het donkerrood

van den wijn. Eindelijk treden de donkere, zacht verdeelde omtrekken

van den rotsberg, in eigenaardig émailleblauw tegen den goudkleurigen

achtergrond van de lucht afstekende, te voorschijn. Deze blijft

den geheelen nacht door lichtgeel getint, tot die kleuren ongemerkt

overgaan in het morgenlicht.

In deze ochtendure, waarin de natuur vol kleuren en licht, in groote

lijnen en ruime vèr-gezichten tot ons spreekt, wordt het menschenhart

ontroerd door het bedwelmende gevoel van eenzaamheid en stilte. Het

heeft niets gemeen met de blijdschap over een eigen welgelukte

schepping, maar het heeft zijne bijzondere aantrekkelijkheid,

zijne eigenaardige kracht. Terwijl het van het noodlot afhangt om

ons dien beker van genot al of niet aan de lippen te brengen--niet

van onzen wil--hangt het alleen van onszelf af, of wij van de

plechtige eenzaamheid wenschen te genieten; of wij ons hart willen

laten uitrusten, onze gedachten verruimen in die groote stilte;

volop genieten, in een grootsche natuur met rustige, schoone en

breede lijnen.

Maar niet altijd is het hart van den mensch van heden tot rusten

in staat. Het leeft in onrust--smacht naar kalmte--en schuwt de

stilte als eene ziekte, nog erger dan de nevrose waarvoor zij het

geneesmiddel wezen zou. De vrouw uit onze dagen vreest eigenlijk niets

met een grootere vreeze, dan om alleen te worden gelaten,--alleen

met hare eigene gedachten, want dit maakt haar zooals zij het noemt,

droefgeestig. Eigenlijk beteekent dit eenvoudig, dat zij er in die uren

bepaald toe gedwongen wordt den ernst van haar bestaan onder de oogen

te zien, of ook den ernst des levens in het groot geheel te beschouwen;

een gevoel waaraan haar geest zich zou kunnen verheffen. Maar juist

dit wil zij niet. Met kracht onderdrukt zij den drang van haar gemoed

om zich op te richten tot edeler aspiraties, door hoe langer hoe meer

toe te geven aan hare behoefte aan een oppervlakkig, versplinterd,

leven. Hoezeer deze behoefte voor uiterlijk vertoon in onze dagen

algemeen is, dit ziet men duidelijk op het gebied, waar ook de gewone,

alledaagsche vrouw voorheen, in zekeren zin, hare gedachten op éen

punt trachtte te bepalen, op dat van den godsdienst. Het type der

geloovige vrouw is tegenwoordig niet meer zij die "als zij bidt in

hare binnenkamer gaat en de deur achter zich sluit"; maar zij heeft

bazuinen en theekransjes noodig om tot het besef te komen, dat zij

eene vrome vrouw is, vol van den heiligen geest des geloofs.

De ongedurige menschen van het laatst dezer eeuw genieten zelfs

niet van de rust als deze hun ten deel valt. Vooral met de vrouw

is het zoo gesteld; hoe meer de tijd en gelegenheid tot rusten en

stille zitten haar ontbreken, des te meer verliest zij het talent

om van die enkele haar geboden gelegenheid gebruik te maken. Hoe

menigvuldiger zij genoodzaakt is om in het openbaar indrukken op te

nemen, die zich aan haar opdringen, des te meer acht zij het noodig,

dat hare polsen met eene koortsachtige snelheid blijven jagen, om er

zich van te overtuigen dat zij leeft.

Dieper gevoelende naturen erkennen met leedwezen dat zij hoe langer

zoo meer verloren gaan met haren rijken aanleg, in dien maalstroom

des levens; in het gedrang van de uit alle oorden samenstroomende,

overweldigende onderwerpen; onder den druk van de eischen onzer

moderne samenleving.

Zulke karakters krijgen niet zelden hallucinaties van een stille,

groene kloostergaarde; of van eene, in het dichte bosch verscholen,

kluizenaarswoning; van de eenzame uren op hooge rotsbergen, of op

de golven der groote, wijde zee, in éenzaamheid doorgebracht. Maar

doorgaans is aan hare behoefte aan éenzaamheid reeds voldaan, door

zich in deze voorstellingen te verdiepen; zij verzuimen dan ook in den

regel gebruik te maken van de gelegenheid, als deze zich voordoet,

om een dergelijke oase in de woestijn te scheppen; een stil plekje,

afgezonderd van het rumoer der wereld. Wie inderdaad een smachtend

verlangen koestert naar éenzaamheid, heeft in de meeste omstandigheden

wel gelegenheid, die op de eene of andere manier te vinden.

Uit mijn kindertijd herinner ik mij dikwijls te hebben hooren vertellen

van eene vrouw die door haar huwelijk haar stille ouderlijke woning

in het bosch had moeten verwisselen voor de onvermijdelijke drukte

van eene uitgebreide huishouding in een groote stad. Die verandering

speet haar zeer, tot zij op den inval kwam om elken morgen, een half

uur lang, alleen stil te gaan zitten met een groenen doek over haar

hoofd. Op die wijze droomde zij, dat zij weer in de stille éenzaamheid

van haar bosch zat en verzamelde zij hare gedachten genoegzaam om

daarna kalm en gelijkmatig de bemoeiingen van den dag tegen te gaan.

Indien ieder van ons haar eigen groenen doek had, zouden wij niet zoo

licht geprikkeld en prikkelend zijn; wij zouden dan niet de gejaagde,

ongedurige, onbeduidende slaven der vormen en gebruiken wezen, die

wij nu maar al te vaak zijn!

Van welken aard nu dit beschermende omhulsel werd,--dit zou voor een

gedeelte door het toeval worden beslist, maar soms ook zoude juist

het eigenaardige karakter blijken van ieder die zulk een haven zocht

uit de keuze van dat stille plekje, en van den doek.

In roomsch-katholieke landen kan men zulk een rustig toevluchtsoord

vinden onder ieder kerkgewelf. Geleund tegen de pilaren van een

gothischen tempel, kan men te midden eener drukke wereldstad, droomen

in een verafgelegen bosch te zijn--hoewel Nietzsche gelijk heeft

als hij zegt, dat modern denkende menschen aan een geheel nieuwe

architectuur, als lijst voor hunne overpeinzingen, de voorkeur

zouden geven.

Voor velen schept de muziek eene verrukkelijke eenzaamheid, vooral

wanneer die thuis genoten wordt en niet in het publiek, waar zoo vele

verscheidene indrukken afleiding geven en waar ons gemoed nauwelijks

de wanklanken uit het dagelijksch leven begint te vergeten, als dat

akelige handgeklap er ons op nieuw aan komt herinneren. Want een

bewijs te geven van gevoel voor het schoone, door volkomen stille

zijn--dit wacht nog op een meer veredelden staat van fijne beschaving,

dan waarop wij in onze eeuw bogen kunnen!

Voor anderen is misschien zulk een rustig gesprek met het eigen

gemoed te vinden in een museum van kunstvoorwerpen, of onder het

lezen van een uitmuntend boek, een oud boek vooral, waarover nu geen

besprekingen meer de ronde doen. En in de groote steden bereiden

de openlijke leesinrichtingen den boekenvrienden het vredige stille

plekje, waarnaar zij tehuis dikwijls te vergeefs hadden uitgezien.

Maar de stilte die het gemakkelijkste verkregen wordt is toch die in

de natuur. Nu gaan de meesten echter niet naar buiten om daar alleen

te zwijgen, of om er te zwijgen met een vriend--deze grootste en

fijnste toets van echte vriendschap. Integendeel, zij zoeken er eenige

kennissen, met wie zij de vraagstukken van den dag kunnen bespreken;

en als zij zich dan warm en moe geredeneerd hebben, keeren zij naar

huis terug, niet van een stille plaats maar uit nieuwe drukte.

Och, zij hebben hunne ziel niet gemaakt tot een kalmen spiegel voor

de indrukken der schoone natuur; neen, deze is op de bewogen golven

blijven zweven, waar het niet mogelijk is een duidelijk en helder

lichtbeeld op te nemen.

Wie inderdaad in de natuur de éenzaamheid zoekt, moet leeren om van

zeer nabij die grootsche natuur gade te slaan; zich oefenen in het

uit het hart verwijderen van alle onbeduidende indrukken, om hierdoor

de degelijke niet te verhinderen er in door te dringen; eene kunst

waarin de wijsgeerige Montaigne ons menige behartenswaardige les

gegeven heeft. "Wij overvoeren ons gemoed met te veel verschillende

dingen tegelijk" zeide hij, reeds voor driehonderd jaren geleden. "Wij

moeten onzen geest oefenen om enkele dingen vluchtig te zien, andere

beter te monsteren; maar eigenlijk in ons opnemen moeten wij alleen die

woorden, voorwerpen of gedachten die met onze eigene overeenstemmen,

die op denzelfden grond zijn gebouwd als deze, zoodat zij ons, als het

ware, zelf raken. Want ons gemoed behoort eigenlijk alleen van eigen

middelen te leven.... Nu zijn wij allen, althans de meesten van ons,

rijker begaafd dan wij zelf denken; maar wij worden er bij opgevoed

om van anderen te leenen, om eens anders goed liever te gebruiken dan

eigen goed...." Dat wij zoo zelden tot de kennismaking met onze lang

niet geringe middelen komen, is het gevolg ervan, dat wij slechts

bij uitzondering, ons met hart en ziel wijden aan hetgeen wij hebben

ondernomen.

"Als ik dans," zegt Montaigne, "dan dans ik; als ik slaap dan slaap ik;

als ik alleen wandel in een mooien tuin en ik betrap mijne gedachten

op afwegen, dan breng ik ze dadelijk weer terug naar den tuin, tot

het genot der éenzaamheid en tot mijzelf."

Dit opzettelijk streven om aan elke daad en aan alles wat wij zijn,

ons persoonlijk geheel te geven en zoodoende uit elken toestand den

geheelen inhoud te persen, is in een ruimen zin belangrijk voor elke

ontwikkeling; zoowel voor ons vermogen om te denken en te arbeiden,

als om te genieten en te rusten.

Maar het is een eigenaardig teeken van onzen tijd steeds een nog

sterker graad van zenuwspanning te verlangen om zich geheel aan het

oogenblik te kunnen geven.

Daarom is ook sport de groote aantrekkingskracht geworden, die

de menschen naar buiten lokt; maar niet om te rusten en kalmte te

zoeken. Integendeel, de wedstrijden op elk gebied en het "africhten"

daarvoor, heeft zelfs de beweging in de vrije frissche lucht tot een

koorts, tot een nieuwen vorm van jagen en stormen, gemaakt. Sport

kan voorzeker een middel zijn om veel van de natuur te genieten, om

spoediger buiten te komen. De riemen waarmede men tusschen de begroeide

oevers eener rivier voortglijdt; de sneeuwschoenen waarop men diep

in de winterstilte van het bosch doordringt; het rijwiel dat zijn

eigenaar vlug naar nieuwe plantsoenen, of naar landelijke eenzaamheid

overbrengt; deze en nog verscheidene andere dingen die tot vermaak en

nut beoefend worden, als zeilen, rijden en zwemmen, brengen inderdaad

bij velen eene hartelijke vereeniging met de natuur tot stand.

Maar de roeier of de ruiter, de schaatsenrijder of de cyklist, die

aan elken indruk van een schoon landschap voorbijvliegt in dolle

woede om zich te bekwamen tot mededingen in den wedstrijd, komt door

zijne voorliefde tot beweging in de buitenlucht hoe langer hoe verder

buiten de natuur en buiten zichzelf. Dit soort van sport ontwikkelt

alleen het lichaam maar niet den geest. Men zal binnen korten tijd

geheel vergeten hebben, dat er een eenvoudiger manier bestaat om

van de natuur te genieten: er van te genieten met lichaam en ziel,

tot nut en genoegen voor beide.

Als wij de meisjestype aan het einde onzer eeuw--dat is te zeggen,

eene jonge dame die geen uitstapje naar buiten maakt anders dan op

haar rijwiel of schaatsen, met het tennis-racket, òf een roeispaan

in de hand,--vergelijkt met het jonge meisjestype van het einde der

vorige eeuw, dan valt die vergelijking niet bepaald gunstig voor

onze dagen uit. Ik denk hierbij onwillekeurig aan de beminnelijke

vriendin van Goethe, de jonge Bettina Brentano, die als een ree van

het buitenleven genoot; die de hoogste bergen beklom om zich daar in

het gouden zonnelicht te baden; die zich niet ontzag om door wind en

regen te loopen, of een onweersbui te laten overtrekken, staande onder

een bloeiende linde, tusschen wier bladeren zij witte bliksemstralen

flikkeren zag; die aan het strand lag, door kabbelende golven omstuwd;

of hoog op de takken zat van een reusachtigen kastanjeboom, te midden

van groen licht en groene schaduwen; of op het grasperk van den grooten

tuin, uitgestrekt, zich vergastte aan de geuren van mos, taxus en

roode anjelieren, zelfs met een paar bloeiende heestertakjes in den

mond, om de nijvere bij tot zich te lokken; die op avonden als de maan

scheen, tusschen de hagen van den wijngaard, onder de doorschijnende,

lichtgroene trossen wandelde, en soms den geheelen zomernacht buiten

bleef, insluimerend onder het nachtlied van merels en nachtegalen,

om niet eer dan door het morgenlicht te worden gewekt....

Behalve deze dichterlijke wijze om van het buitenleven te genieten

is er ook nog de natuur-wetenschappelijke, die echter evenzoo als de

eerste, tamelijk naar den achtergrond wordt gedrongen door sport. Van

dit gezichtspunt beschouwd is het aangenamer knapen tegen te komen

een kruiden-doos aan een band om den hals dragende, dan knapen op

rijwielen.

Van welken aard de reeds vroeg ontwikkelde zucht naar kennismaking met

de natuur wezen moge, altijd verschaft dit onderzoek den beoefenaar

dezer wetenschap een zekere vertrouwelijkheid met de natuur, een

vriendschappelijke, hartelijke genegenheid, die onmogelijk kan ontstaan

tusschen de natuur en een, haar op zijne velocipède voorbijvliegend,

sportliefhebber.

Wat eenigszins vergoelijkend omtrent deze type van de tegenwoordige

jeugd werkt, is het feit, dat velen, die door geen ander middel

naar buiten gelokt zouden worden, nu ten minste, dank zij sport,

eenig vermoeden van de schoonheid der natuur ontvangen en dat

die oefeningen van heden--nadat de overdrijving hare offers zal

hebben ontvangen--zullen bijdragen tot de ontwikkeling van eene

lichamelijk--gezonder en krachtiger generatie, die dan waarschijnlijk

beter dan ons tegenwoordig geslacht, bestand wezen zal tegen

vermoeienis; die op eene edeler wijze het natuurgenot zal smaken en

wier kernspreuk zal zijn "sport te gebruiken als niet misbruikende."

Het gewone dagelijksche rust-uurtje, dat de meesten van ons met een

ernstigen wil kunnen vinden, vervangt intusschen niet de diepe stilte,

die eene wandeling vroeg in den morgen, of het zich terugtrekken

naar een verborgen plekje van de aarde,--zoo mogelijk in een vreemd

land en aan de grenzen der beschaafde wereld gelegen--in staat is

ons te bieden. Maar voor de meeste hoofden van huisgezinnen is het

gemakkelijker gezegd dan gedaan, zulk een schuilhoekje te vinden. Zelfs

de alleenstaande en hierdoor meer onafhankelijke mensch, heeft vaak

een groote mate van ernst in zijne behoefte aan éenzaamheid en veel

wilskracht om andere, minder noodzakelijke dingen te laten, noodig, als

hij er toe komen zal een paar weken van volkomen ongestoorde rust te

kunnen genieten. Daarenboven wordt het verlangen naar afzondering van

een lid van het huisgezin dikwijls tegengewerkt door het vooroordeel,

dat de éenzaamheid een erg soort van égoïsme vertegenwoordigt. Want

de meesten die de groote winst van eene tijdelijke afzondering voor

henzelve inzien,--begrijpen nog niet hoezeer hun huisgezin hierdoor

tegelijkertijd wordt gebaat.

Een korte scheiding heeft namelijk een buitengewone macht om ons

nadenken te wekken en hierdoor ons beter verstaan en ons gevoel

van billijkheid. Wij komen er gemakkelijker toe met een helder oog

de belangrijke dingen in ons op te nemen en de kleinigheden tot

hare wezenlijke onbeduidendheid terug te leiden, als wij een poos

van elkander af zijn. Het eenzame overleg ontwart soms met vlugge

hand de meest ingewikkelde draden en het alleenzijn geeft vaak aan

onze blijdschap een vroolijker, aan onze smart een minder droevige

tint. Volbrengt men den een of anderen arbeid alleen zittende,

dan valt die bijna altijd oneindig beter uit, dan wanneer anderen

erbij tegenwoordig zijn. De boeken die men leest en overpeinst in

het dichte bosch; met de eeuwigschoone sneeuw vóor zich, of op de

bloeiende heide, onder het geruisch van eik en den, verschaffen den

rijksten oogst aan denkbeelden; en de indrukken der natuur die men

onder zulke rustpoozen in zich opneemt, zijn krachtiger en langer van

duur dan andere. Want men geeft zich nimmer zoo geheel en al aan de

natuur als wanneer zulke éenzame dagen een parelsnoer vormen, waarvan

een dag tamelijk gelijk is aan den anderen, maar waarvan toch elke

dag op zichzelf een afgerond geheel vormt, en een aangenaam geheel ook.

Zij die tegen het alleenzijn opzien omdat zij vreezen zich dan nog

meer eenzaam en verlaten te gevoelen hebben in zekeren zin gelijk en

ongelijk. Want juist van menschen omringd, kan het gebeuren dat men

door de omstandigheden, of door zijn bijzondere stemming, mijlenver

van hen verwijderd is; in de door menschen bevolkte woestijn hangt,

meer dan elders, zwaarmoedigheid in de lucht. Maar tegenover de

natuur en den dood--de grootste eenzaamheid en de onwrikbaarste

noodzakelijkheid--worden wij gedwongen afstand te doen, niet alleen

van de bezorgingen en drukten van den dag, maar ook van de bezorgdheid

omtrent ons lot en leven. De grondlijnen waarop ons wezen gebouwd

is worden breeder, maar de vertakkingen dier lijnen worden minder

duidelijk zichtbaar, evenzoo als dit het geval is met een landschap

dat men van een aanzienlijke hoogte af, in de diepte ziet liggen. Het

meer of minder aan lief en leed, waarmede het leven onze dagen vult;

het meer of minder belangrijke werk dat aan ons bestaan inhoud gaf--tot

dit alles keeren wij van zulke eenzame overpeinzingen terug met een

zachten, medelijdenden glimlach.

Het valt ons nu niet meer zoo moeilijk het doove oor te keeren naar die

stemmen, welke ons trachten mede te voeren in de beslommeringen van

den dag en die ons trachten wijs te maken dat wij daarbij hoognoodig

zijn. Wij worden nu minder hevig ontroerd door de pijnlijke kreten uit

ons eigen gemoed opgaande, dan door die van onze medemenschen. Want

wij hebben het leeren inzien, dat de grootste smart niets meer is

dan een druppeltje in den grooten oceaan, evenzoo als het grootste

geluk slechts het vluchtig licht is, dat zulk een kleine druppel

doet glinsteren.

De ziel, die in stilte en eenzaamheid den moed vond om tot zichzelf

in te keeren en haar eigen kracht te meten, weet, dat er slechts éen

groote en wezenlijk belangrijke taak ons leven beheerscht: grooter te

worden. En dat doel kunnen wij bereiken in onze smart en onze vreugde,

in onze dwaasheid en in ons verstand. Groeien kunnen wij door onze

nederlagen, zoowel als door onze overwinningen; door onze rust,

zoowel als door onzen arbeid.

Toch is het hem of haar die de éenzaamheid zoekt aanteraden dit te

doen, zonder een bepaalden eisch aan dat "stille zijn" vooraf te

laten gaan. Want het gebeurt vaak, dat die afzondering juist iets

geheel anders oplevert dan men verwacht had. Hij die rust zocht,

vindt allicht een nieuwen prikkel tot arbeiden; hem die hoopte troost

te vinden, kan zij nieuwe wonden slaan. Hoe het zij: de éenzaamheid

schenkt toch altijd moed- en krachtbesef waarvan men zich niet bewust

was. Maar alleen hij kan hiervan nut trekken die weet, wat de overigens

tamelijk luchthartige Romeinen reeds wisten:

Dat de Éenzaamheid eene godin is wier geheiligde bosschen geen

sterveling nadert met grootspraak, maar met een nederige bede op de

lippen en van wie men met rijke gaven bedeeld terugkeert, indien men

de taal harer ernstige oogen heeft leeren verstaan, die ons 't geheim

van het éene noodige verraden:

"Stille zijn in eigen hart."

De moedige vrouw · 第 9 / 12 题