Ueber der Pforte unserer Zeit steht:
"Verwerthe Dich!"
Max Stirner.
"Persoonlijke vrijheid"--deze uitdrukking is bijna tot een
algemeen wachtwoord gemaakt, hoewel slechts enkelen begrijpen
welke beteekenis in het woord ligt. Hoevelen weten inderdaad wat er
vereischt wordt om dag aan dag, jaar na jaar, den inhoud er van te
verwezenlijken? Hoevelen hebben er hunne nachtrust aan opgeofferd,
aan het peinzen over wat zijn of haar eigen ik beteekent, en hoe die
persoonlijkheid inderdaad als zoodanig hare taak zal volbrengen in
de maatschappij?
Zichzelf persoonlijk vrijmaken--dat is onder anderen een voortdurend
luisteren naar de tonen in ons gemoed om te trachten den grondtoon te
ontdekken. En heeft men dien gevonden, dan eischt het streven naar 't
bereiken van persoonlijke vrijheid, dat men met open oog zoekt naar de
behoeften van geest en hart, en daaraan tracht te gemoed te komen. Dat
men zich op de juiste wijze vormt en zijne ontwikkeling met ernst in
de hand neemt; dat men luistert naar de stem van eigen ervaring in
het leven; zijne eigene gewoonten, voor zoover daar eenigen zin in
ligt, veredelt en dus zijne eigenaardige oorspronkelijkheid kweekt en
krachtiger doet worden. En ook dat men daarentegen zooveel mogelijk de
herinneringen, studies en gewoonten die hinderend onze persoonlijke
ontwikkeling in den weg kunnen staan, ter zijde zet en het vermijdt
om met deze in aanraking te komen. De neiging tot individualiteit
uit zich--evenzoo als elke andere belangrijke neiging--aanvankelijk
als eene kracht tot zelfverdediging jegens allen en alles wat inbreuk
daarop zou kunnen maken, dien drang zou willen beperken. De geboren
individualist heeft reeds in de kinderkamer en op de schoolbank
een eigen keuze gedaan met het oog op zijn speelgoed, zijne boeken,
zijne wijze van leeren, zijne vrienden. Reeds vroeg heeft hij den moed
gehad zijn eigen smart en vreugde, zijn eigen smaak en zijne fouten,
ronduit te toonen. Hij heeft die niet laten verwringen, verkleuren en
afronden door anderen, of door de omstandigheden. In zijne jeugd is
men zelden in de gelegenheid om zijn gevoel van persoonlijkheid in
daden uit te drukken. Maar juist om die reden doet zich de geboren
individualist in die jaren kennen als een "Jantje contrari" en wordt
dus een alles behalve aangenaam kind in den huiselijken kring. Laat
echter eerst de tijd tot handelen komen! Dan heeft hij zijn karakter
middelerwijle genoeg geoefend om te begrijpen: wanneer hij iets kan
en mag wagen, en wanneer het geraden is stil toe te zien; wanneer hij
fier het hoofd kan opheffen, of zich moet voegen naar anderen; wanneer
hij moet afwachten of een besluit nemen; inhoever hij met anderen
kan meêgaan en inhoever dit meêgaan ontrouw aan zichzelf zoude worden.
Maar al deze dingen vormen nog slechts oefeningen en dressuur voor den
grooten veldslag, die gewonnen moet worden, zal men de persoonlijke
vrijheid veroveren. Die oorlog wordt gevoerd in de geheimzinnige
wereld van mijn binnenste, als het om de oprechtheid mijner gevoelens,
de eerlijkheid mijner toekomst-droomen te doen is; als het mijne
twijfelingen en mijn geloof, mijne voorgevoelens en opwellingen van
het oogenblik geldt. Dan wordt er een scherp oog vereischt om alles,
wat mijn eigendom is in den vollen zin van het woord, op te delven
uit die schemerachtige diepte, die men het menschelijk hart noemt;
en een scherp gehoor is er noodig om die zachte, bedeesde stemmen
te verstaan, die de tolken van ons zieleleven zijn, maar die helaas
vaak worden overstemd door overgeërfde, aangeleerde gewoonten en
oppervlakkigheid. Ons verstandig ik brengt maar al te dikwijls ons
beter, ons warmgevoelend ik tot zwijgen. Wij verwisselen al te licht
de kreet van den hartstocht, met den zucht van innig verlangen die
uit onzen boezem opstijgt. Wij houden vaak de weerspiegeling van doode
denkbeelden, voor echte teekenen van leven. Hoe menigmaal verloochenen
wij onze overtuiging en noemen dit "ontzag en eerbied voor de meening
van anderen"; en hoe menigmaal klampen wij ons vast aan verouderde en
versleten gewoonten en noemen dit vastheid van karakter. Hoe laf! Is
er wel een duidelijker bewijs noodig dat het ons ontbreekt aan moed?
Nu beteekenen alle vrijheden ter wereld bedroefd weinig,
vergeleken bij de verlossing uit den persoonlijken dwang en
alle andere onderdrukkingen verdwijnen in het niet bij die van de
persoonlijke vrijheid. Het komt er in de eerste plaats op aan of onze
persoonlijkheid krachtig genoeg ontwikkeld is om hare eigene boeien
te verbreken, want dàn heeft zij voorzeker ruimschoots de kracht die
vereischt wordt om alle andere hinderpalen te overwinnen. Iemand,
bezield met den drang om altijd en geheel zich zelf te zijn; te leven
met elke bloedstrooming; uitdrukking te geven aan wat er in zijn
binnenste omgaat--zoo iemand zal wel geen rustig, maar altijd een
rijk leven leiden. Voor hem is het leven een lied; want hij dicht het
zelf onder de dagelijksche bezigheden en de bedwelming van gewichtige
oogenblikken; onder jaren van leed en gedurende het kortstondig,
maar heerlijk genot van alles wat hem gelukkig maakt. Hij weet, dat
het beste wat hij anderen geven kan, tevens het hoogste genot voor
hemzelf oplevert: het leven te vervullen van altijd echte--en als het
mogelijk is ook krachtige en schoone, uitingen zijner persoonlijkheid.
Op deze wijze geeft hij, voor zichzelf en voor anderen, een vernieuwde
waarde aan het leven, en tevens nieuwe, prikkelende aanmoediging
ten leven. Hij verruimt, naar de mate zijner gaven, zijn plekje
van het aardsch bestaan; hij overwint op zijn eigenaardige wijze
de moeilijkheden waarmede het verouderde en gestorven verleden,
het levend heden in den weg treedt.
Een zelfbewust persoon in den echten diepen zin van het woord, verlangt
van anderen eenvoudig vrijheid voor zijne persoonlijke gevoelens en
daden. Daarom hebben haat noch spot, waardeering noch miskenning, de
macht hem van zijn weg te doen afwijken of zijne innerlijke harmonie te
verstoren, zoolang hij getrouw blijft aan zijn eigen pathos; die trouw
is voor hem alles--godsdienst en zedelijke wet. Die getrouwheid geeft
moed om af te dalen tot in de diepte van zijn eigen hart--moed om de
gevolgen van hetgeen hij daar ontdekt te dragen--zelfs ook al zoude
het eigen belang er door winnen dat men tijdelijk zijn gevoelen of
zijne plannen opofferde. En zij geeft ons nog een anderen moed: dien,
om desnoods de achting onzer medemenschen te kunnen missen. Dit toch
is de éenige voorwaarde om ten allen tijde onze achting voor onszelf
te behouden; wij moeten deze maar al te dikwijls prijs geven als het
er ons om te doen is den bijval der wereld te veroveren. Om al deze
redenen noemen wij een individu alleen dan persoonlijk sterk en vrij,
als hij niet langer vreest de achting van iemand te verliezen behalve
zijne eigene.
Het gebeurt niet zelden dat zulk eene kracht de overwinning behaalt
over de algemeene stemming die een flink karakter zich genoodzaakt
zag te trotseeren. Want die stemming wijkt--even als andere wilde
beesten--terug voor een moedig oog, terwijl zij den lafhartig
vluchtende vervolgt en verscheurt.
Nu moge het vreemd klinken, maar een individualist die zich gedwongen
ziet alleen zijn weg te gaan heeft desniettemin daarbij altijd een
goed geleide; niet van de menschen die nu leven, maar van hen die
komen zullen.
De groote menigte heeft nog zeer weinig doorgedacht over de beteekenis
van de uitdrukking "persoonlijke vrijheid". Voor velen roept dit
woord de voorstelling op van--om iets te noemen--een heer, die zijn
dag begint met zijne voeten op de ontbijttafel te leggen en dien
eindigt met de vrouw van zijn vriend te verleiden, daartusschen-in
een meineed gezworen, een wissel vervalscht, een sluipmoord begaan,
heeft. Maar ook degenen wier verbeeldingskracht een minder hooge
vlucht neemt, vereenigen toch aan de gedachte van "vrijheid des
persoons" de voorstelling van onbeperkte vrijheid voor iedereen,
om zijne driften en neigingen te volgen.
Wie het onderwerp ernstig beschouwt, zal weldra tot de
overtuiging komen dat onze driften juist niet het persoonlijke, het
algemeen-menschelijke in ons vertegenwoordigen en dat iemand die zich
door zijne hartstochten laat beheerschen, al was het alleen daarom,
geen persoonlijkheid is. Het zeer jonge kind, de boschjesman, de
onbeschaafde ruwe mensch, draagt nog slechts de mogelijkheid in zich
om, eenmaal een persoonlijkheid te kunnen worden; maar daaraan moet
zeer veel voorafgaan. Zij ontstaat slechts door de geheel bijzondere
ernstige wijze waarop driften en hartstochten tot hoedanigheden van
edeler aard worden omgewerkt. Zoo als het wezen van de meeste menschen
in den grond bepaald wordt door overgeërfde neigingen en gaven, zoo
vindt men ook verschillende graden van aanleg tot individualiteit. Maar
al zijn de neigingen of het talent voor persoonlijkheid grooter of
geringer, toch kunnen die gewijzigd worden door ervaring van droeven
of verblijdenden aard, door opvoeding en ontwikkeling, door gewoonten
en levensomstandigheden. Zoodoende worden hartstochten in gevoelens
en gevoelens in gedachten en voorstellingen omgezet. Zoo wordt het
ruwe wezen van den natuur-mensch tot een denkenden mensch veredeld,
en in dezelfde mate als hij vordert op den weg van zelfkennis en
ontwikkeling, zal deze zich minder laten beheerschen door zijne
blinde hartstochten en driften. Hartstocht en zinnelijkheid zijn
noodzakelijk; dat is te zeggen: zij hebben het recht van bestaan
evenzoogoed als ieder ander moment onzer persoonlijkheid. Maar geen
enkele dezer hoedanigheden mag zich zoo sterk ontwikkelen dat alle
andere eigenschappen er door worden benadeeld. Dit zou zoowel het
geluk als de vrijheid des persoons hinderend in den weg staan. Het is
een oude ervaring, die in onze dagen met eene treurige duidelijkheid
wordt bevestigd, dat een mensch die door zijne driften beheerscht
wordt, zoo karakterloos wordt, dat hij tot een zekeren graad van
verlaging gekomen, elk bewustzijn verliest van zijne waardigheid en
van de verplichting die zijn rang en stand in de maatschappij hem
opleggen; dit gaat soms zoover, dat hij zich van het eene uiterste
tot het andere laat drijven en zich laat medevoeren op honderd paden,
waarvan geen enkel door hem gekozen werd.
Vrij is alleen de man, of de vrouw, die zich noch door eigen lusten,
noch door den wil van anderen, laat verleiden om tegen beter weten
in te handelen. Alleen zelfbewuste daden kunnen een mensch voldoening
schenken. Geluk is het volkomen bewustzijn van macht, dat het gevolg is
van de ontwikkeling onzer krachten in de grootst mogelijke vrijheid,
de hoogst mogelijke volmaaktheid. Het onpersoonlijke bevredigen van
onze driften kan eenig dierlijk genot opleveren, maar het schenkt
ons nimmer het echte, menschelijke geluk.
Elke gedwongene, onpersoonlijke handeling die de individueel
ontwikkelde mensch begaat, kwelt hem als eene zonde tegen zijn eigen
karakter, zij het nu dat hij die gepleegd heeft in een oogenblik toen
zijn hartstocht hem te machtig werd, of gevolg gevende aan eene door
hem in den grond afgekeurde gewoonte. Maar wie eenmaal de persoonlijke
vrijheid veroverd heeft, zal zich niet licht aan een dergelijk
kwaad schuldig maken. Hij kan gebruik maken van al de eigenaardige
krachten en bewegingen, die hij, dank zij zijne volmaakte vrijheid,
onafhankelijk van anderen kan sturen naar zijn eigen goedvinden. Hij
houdt en leidt die zoo gemakkelijk als de ervaren schipper zijn
vaartuig, de geoefende ruiter zijn ros. Hij geniet van het heerlijk
bewustzijn zichzelf vrij te laten in zijne bewegingen, zonder vrees
voor te ver te zullen gaan; van het gevoel van zijn geheel warm hart,
zijn persoonlijk karakter, gerust te kunnen toonen zonder vrees dat
hierdoor iets wat laag of kleinzielig, ruw of leelijk is, aan het
daglicht zou kunnen komen.
Er is geen edeler toestand van bezieling denkbaar dan die dit
verheffende, fiere wezen in zijn vrij en eigenmachtig optreden ten
toon spreidt.
Bij zulk een mensch kan van geen gebreken of vergissingen sprake zijn;
alleen van bepaalde grenzen. Maar binnen die grenzen van eigen kunnen
is het persoonlijk materiaal tot volkomen ontwikkeling gebracht.
Ook zonder die hoogte te hebben bereikt kan eene waarlijk vrij
geworden persoonlijkheid, alleen op hare eigenaardige wijze en tegen
hare bijzondere wetten van eer en plicht, zondigen. Want bij een
afgerond, gesloten ik, vallen de gebreken tezaam met de natuur en aard
van den persoon, evenzoo als de schaduw de omtrekken eener gedaante
teruggeeft. Ja, er zijn karakters die voorloopig een gebrek dat met
hunne kracht in overeenstemming is, niet verkiezen af te leggen; maar
de zoodanige personen verheffen zich nooit op die fouten, evenmin als
zij met hunne deugden pralen; immers deze staan in eene onpersoonlijke
verhouding tot henzelf. Met een nimmer mistastend instinct kiest de
vrije mensch datgene wat voor zijnen aard en zijn temperament van het
meeste belang is, om het even of dit hem leed of vreugde oplevert, of
het goed is of kwaad, in den gewonen zin van het woord: een droombeeld
of eene daad. Voor hem is het physiek onmogelijk om in een oogenblik
van onbeheerschte drift, in eene hartstochtelijke opwelling, een
misdaad te begaan. Zijne weloverdachte, zorgvuldige ontwikkeling van
eigen persoonlijkheid gaat bovendien gepaard aan een steeds fijner en
teederder wordend besef van de grenslijnen voor zijn gedrag, juist ook
ten opzichte van anderen. Iemand, die zelf weet wat hij wil en kan;
die nimmer tevreden is met minder dan het beste wat hij geven kan en
zich nooit laat verleiden om buiten zijne grenzen te gaan--zoo iemand
ontziet ook stellig de meening en opvatting van anderen.
Maar het gebeurt ook, dat hij niet kan toegeven dat de eigenaardige
opvatting van een ander recht van bestaan heeft; dat zijn
nauwgezet geweten eene wet of eene instelling moet afkeuren. Dan
komt hij met zijn gevoelen hieromtrent ruiterlijk voor den dag,
niet onder den indruk eener plotselinge opwelling, maar duidelijk
en op welberedeneerde gronden. Hoewel hij voor zich zelf en anderen
elke onnoodige smart verfoeit, heeft hij toch in zijn karakter den
moed aangekweekt om, waar dit geeischt wordt, eene noodige wonde te
kunnen slaan. Maar er is, ook bij zulke aanleidingen, geen zweem te
bespeuren van de ruwheid, die onnoodig de handen met bloed bevlekt,
door het wroeten in de hartewonden van den naaste.
Men kan het veel gemakkelijker en aangenamer hebben in de wereld
dan de individualist, als men behoort tot de menigte van reizigers
door het leven, die plaats nemen op "de groote pleizierboot", het
vaartuig dat, met de vlag der algemeen-gebruikelijke moraal in top,
zachtjes over de golven henen glijdt. Ieder reiziger behoeft niets
anders te doen dan zich kalm de haven te laten binnen brengen. Maar
naast de stoomboot ziet men hoe
"Alleen, in een gebrekkig scheepje
Een zeiler zich waagt op de groote zee...",
hoe die zeeman, veel grooter gevaren trotseerend, maar met oneindig
meer krachtsinspanning, den tocht aanvaardt, onder het heerlijk gevoel,
die onstuimige golven te beheerschen door de macht van zijn vasten
wil. Dàt is het ware, volle leven!--
Er wordt vaak gezegd--vooral bij gelegenheid der jubileumsfeesten van
het protestantisme--dat in onze dagen ieder in zijn eigen geweten zijn
hoogsten rechter heeft. Maar zoodra iemand dit beginsel van het eigen
persoonlijk recht in toepassing wil brengen, haasten die "wachters over
de gebruikelijke instellingen" zich, te prediken, dat een dergelijk
subjectisme alle verhoudingen in de samenleving onmogelijk zoude maken.
Nu is het er zoo mede gesteld, dat het geweten der meerderheid zich
in de eerste plaats door overgeërfde zeden en gebruiken laat leiden;
dat dit, in de meeste gevallen niets anders is dan een echo van het
sociale geweten. Het groote gebrek is, dat men verzuimt zijn eigen
persoonlijk gevoel van recht, dat toch het éenige voor ieder van
ons geldige geweten is, te ontwikkelen en op te voeden; al gaat die
opvoeding soms met misstappen vereenigd--dit hindert niet; immers
alleen door de gevolgen van zijn eigen daden te ondervinden, kan men
tot de ontdekking komen dat men den verkeerden weg had ingeslagen en
leeren op zijn hoede te zijn.
Om deze reden werkt elke voortdurende gewetensdwang dien de regeering
op bijzondere personen uitoefent, op den langen duur nadeelig voor
den Staat zelf. Want het geweten der maatschappij wordt slechts
verfijnd en veredeld onder gunstige voorwaarden voor de vrijheid
van den afzonderlijken persoon; dat is te zeggen, wanneer de enkele
individuen in staat gesteld worden, om naar de inspraak van hun eigen
geweten te handelen en voor hun eigen verantwoording. Middelerwijle
ontstaan juist hierdoor botsingen en toestanden, die aan een ieder
gelegenheid geven zijn gemoed ernstig te onderzoeken; door aldus dezen
toets en die besliste keuze uit te lokken, wordt een nieuw zedelijk
geweten bij de geheele samenleving gewekt en ontwikkeld.
Maar deze nieuwe schepping op ethisch gebied heeft niet plaats doordat
flauwe menschen voortdurend blijven zondigen tegen de wetten die zij
blijven goedkeuren; ook niet doordat losbandige menschen aan hunne
onbeteugelde passies toegeven, ondanks die wetten der zedelijkheid.
Zij komt alleen tot stand door de medewerking van hen, die van
natuurmenschen leden der samenleving geworden zijn en van dezen tot
persoonlijke karakters werden ontwikkeld. Dat zij aldus zijn gevorderd
op den weg der beschaving geeft hun het recht om de sociale zedewet te
toetsen en zelf te beslissen in hoever zij niet genegen zijn daaraan
in alle opzichten te gehoorzamen. Aangezien nu de menschen de wetten
der zedelijkheid hebben gemaakt om in hunne behoeften te voorzien,
hebben zij ook het recht om daarin veranderingen aan te brengen,
waar zij dit noodig en nuttig achten.
De eisch van Kant: "dat het individu zòo moet handelen, als of zijne
handelwijze een wet voor alle menschen worden moest"--is in lijnrechte
tegenstelling tot de bedoeling der persoonlijke vrijheid. Deze toch
hoopt en verwacht het hoogste geluk en de grootste vorderingen op het
gebied der beschaving van de groote meerderheid te zullen bereiken,
daardoor dat men ten laatste geen absolute, voor allen verplichtend
geachte wetten meer zal erkennen, maar dat ieder individu zijn eigen
wet, naar de stem van zijn geweten, leert gehoorzamen.
Zij, die nog niet zoover in de ethische ontwikkeling gevorderd zijn, om
op die hervorming der wet aanspraak te kunnen maken; groote kinderen;
of plichtmenschen zonder persoonlijk oordeel; of driftmenschen zonder
sociaal geweten; alle dezen hebben den dwang van de maatschappij
noodig, om te worden verhinderd anderen ongelukkig te maken.
Zelfs een flink karakter heeft in bepaalde tijdperken zijner opvoeding,
behoefte aan zulk een steun. Toch zal het groote doel der samenleving
niet bereikt zijn, eer zij in haar geheel overwonnen wordt door de
ethische volmaaktheid der individuen.
Omtrent dit punt ontmoeten wij behoudende en radikale idéalisten. De
conservatieve idéalist gelooft, dat de maatschappij--evenzoo als het
huisgezin, de kerk, het vaderland--in haar tegenwoordigen vorm, voor
altijd beslissende, afgeronde idéen en formules bevat. De radikaal
heeft den moed te gelooven, dat alles wat bestaat--regeering,
godsdienst en huwelijk--voor verandering en verbetering vatbaar
is. Deze overtuiging wordt wederom gewraakt door het wantrouwen,
dat eigenlijk niets anders is dan de instinctmatige zelfverdediging
van al het bestaande, door den mensch van heden. Die twijfel is de
droevige angst van den ouderdom; twijfel aan het leven en aan de
groote levenswet, die luidt: hernieuwing, hervorming aller dingen.
Wat de ouden van dagen bovenal vreezen is juist die persoonlijke
vrijheid; wat het jonge geslacht in de eerste plaats hoopt is
diezelfde persoonlijke vrijheid, waardoor het leven niet langer
zal blijven eene plaats vol onvruchtbare droombeelden, maar vol van
verwezenlijkte idéalen.
Dan zal het blijken, dat niet de deugd gelukkig maakt, zooals het
christendom predikt, maar dat het een geluk is goed te zijn. Deze
overtuiging zal ingang vinden waar ieders persoonlijk geloof zijn
godsdienst geworden is, die alle andere belangen in zich sluit.
De aanhangers van dezen nieuwen godsdienst zullen--zooals hierboven
gezegd werd, hoe langer hoe zorgvuldiger luisteren naar de stem
van hun geweten, waar het erop aankomt hun demon te volgen, hunne
handelingen en beweegredenen ernstig te toetsen aan hun beste weten
en kunnen. Zelfs eene daad, die niemand anders benadeelde dan den
persoon zelf, waarvan niemand iets weet dan hijzelf, kan, als zij
in strijd was met het persoonlijk karakter van den dader, dezen nog
jarenlang hinderen en bedroeven; evenzoo als een onherstelbare fout
aan zijn kunstwerk toegebracht den beeldhouwer bedroeft.
Hiertegenover staat, dat hij geen ander schuldgevoel erkent, dan dat
jegens zijn eigen idéaal;--hem ontbreekt het besef van schuld dat
altijd dengene beheerscht, die zich gedwongen ziet elke wilskrachtige
opwelling, elke spontane handeling te vergelijken met een buiten hem
staand voorbeeld.
Hoe vele christenen, die een krachtig zelfbewustzijn met zich omdragen,
brengen, bijvoorbeeld, niet een groot gedeelte van hun leven, in den
gebede en geknield door om daardoor eindelijk zich te dwingen tot de
ootmoedige belijdenis: van nietswaardig te zijn voor God!
Hoe vele christenen, die uit hunnen aard een levendig gevoel hebben
voor recht; die sterk sprekende sympathiën en antipathiën hebben in
hun hart, strijden niet op diezelfde wijze om een misdaad te leeren
vergeven en den misdadiger te blijven liefhebben! Gelukt dit niet,
dan hebben die dwepers diep berouw en met reden; immers zij waren
niet in staat het hun gegeven voorbeeld na te volgen.
Hij daarentegen, die de éthiek van het individualisme aanhangt,
beschouwt het zelfbewust gevoel zoolang als gewettigd, als hij kans
ziet aan de mogelijke eischen die dit hem stelde, te voldoen. En
hij acht den drang om--tengevolge van zekere waarnemingen--een
persoon buiten, of beneden de sfeer zijner sympathie te plaatsen,
ook een deel te zijn van zijn instinct tot zelfbehoud. Aangezien de
individualist het recht van anderen tegenover een hem onsympathiek
persoon erkent, wordt wraaklust voor hem evenzoo onmogelijk als
vergiffenis schenken. Hij bepaalt er zich eenvoudig toe, zulk een
persoon te schrappen uit den kring met wien hij verkeert; deze behoort
van nu af tot een ander geslacht, tot een ander tijdperk dan het zijne.
Dit verklaart hoe het gevoel van schuld, in den christelijken
zin, moet ophouden wanneer de menschen niet langer copiën vormen
van hun voorbeeld: den Christus. Toch ligt hierin volstrekt geen
aanleiding tot bandeloosheid. De vrijheid in denken en handelen
van den individualist onderscheidt zich van teugelloosheid,
evenzoo als de krachtsvertooningen van den atleet, verschillend
zijn van de luchtsprongen en duikelpartijtjes onzer kinderen. De
eerstgenoemde heeft zijne vrijheid met groote inspanning en na
ernstig worstelen, gewonnen. Maar tot belooning is ook zijne
vrijheid edeler, vertrouwbaarder, "natuurlijker" zelfs, dan die
"vanzelf ontstaande." Het menschdom nadert op deze wijze een ander
tijdperk van onschuld; het herwint een Paradijs, waar Adam en Eva
zich mogen verzadigen aan de vruchten van den boom der kennis van
goed en kwaad--en daarbij kalm kunnen bouwen en wonen onder den
boom des levens, aangezien de strenge wachter bij de poort van Eden,
glimlachend, zijn zwaard, waarmede hij alleen uit de verte gedreigd
had, aan hunne voeten heeft neergelegd.
Wanneer eenmaal het grondbeginsel der persoonlijke vrijheid geheel
tot ons zal zijn doorgedrongen; wanneer het zal zijn vleesch van
ons vleesch en bloed van ons bloed, dan zullen ouders en opvoeders
er evenzoo ijverig naar streven oorspronkelijke wezens te vormen,
als zij tegenwoordig trachten zedelijke menschen op te voeden. Een
volkomen "zoet kind", zal dan een even zoo onaangenaam en treurig
gezicht opleveren als een mismaakt schepsel. Men moet bij een kind
vooral zijn natuurlijke wilskracht beschermen, maar deze trachten
op te leiden voor de groote taak, een beschaafd mensch te worden,
zijne bijdrage te leveren, tot de algemeene cultuur in de wereld
der menschheid.
En de wilskracht van het kind kan bewaard blijven als het zijne
neigingen en hartstochten mag behouden, maar daarbij leert--uit
eerbied voor den mensch die in hem leeft,--den tijger te temmen en
den aap te tuchtigen--die ook in hem leven.
Daarom kan met de opvoeding van het kind niet te vroeg worden begonnen;
reeds aan de borst der moeder moet daarmede een aanvang worden gemaakt;
en dan moet zij worden voortgezet in eene lijnrechte tegenstelling
met de tegenwoordig gevolgde methode.
In de opvoeding mag niets verplichtend worden geacht, dan het verwerven
van die eenvoudige kundigheden, die, als het ware, mes en vork bij
den feestmaaltijd der wetenschap vertegenwoordigen. Later zal deze hun
worden aangeboden, ieder persoonlijk, volgens een menu van uitgezochte,
krachtige spijzen, waaruit door oordeelkundige opvoeders voor elk der
kinderen eene keuze zal worden gedaan, overeenkomstig ieders aard en
gestel. Na eenige generaties van aldus opgevoede individualisten zal
men eerst in staat zijn te begrijpen, wat de gedachte der persoonlijke
vrijheid van de menschelijke natuur maken kan.
Het was natuurlijk te verwachten, dat deze idée, in een geheel
onvoorbereid geslacht tot handeling omgezet, een aantal afschrikkende
gevolgen zoude vertoonen. Zijn eigen ik te believen; zijn eigen leven
te leven; gehoorzaam te zijn aan zijn temperament--deze roepstemmen
werden, gericht tot in leeftijd en gemoed onrijpe menschen, of tot
dezulken voor wie alleen de zinnelijkheid beteekenis en inhoud aan
hun bestaan geeft, vaak misbruikte wachtwoorden.
Voor sterke, levendig gevoelende persoonlijkheden, werd de verzoeking
van een anderen aard, om gesteund door den in een dieperen zin waren
levensregel: "Alle Schaffenden sind hart", ruwheid en hardvochtigheid
te verdedigen; zelfgenoegzaamheid of koelheid, listen en driften
uit zijne bloedsmenging voortkomende, te gaan beschouwen als een
belangrijk gedeelte van hunne persoonlijkheid; een woeste grond, die
niet mag worden ontgonnen, maar die er, in tegendeel, voor bewaard
worden moet misschien zijn oorspronkelijke wilskracht te verliezen,
of zijne scheppings- en daadkracht te dòen verminderen.
Deze beide soorten van zichzelf verheffende menschen, maken nu gebruik
van Nietzsche, als den verdediger hunner teugelloosheid, of laagheid,
van hunne zelfzucht en hun gemis aan ontzag voor anderen. Van alle
dingen kan misbruik gemaakt worden; waartoe heeft het christendom
al niet tot voorwendsel gediend!? Nietzsche had een voorgevoel van
hetgeen hem te wachten stond, toen hij een doornenhaag rondom zijn
tuin liet zetten, opdat het vee daar niet in zou kunnen dringen!
Voor iederen ernstigen lezer van Nietzsche is het, ondanks zijne
onbewust elkander tegensprekende gezegden en zijne met opzet gebruikte
paradoxen, toch zeer duidelijk wat een zijner biografen zegt: dat de
grondgedachte waarop Nietzsche zijne stellingen heeft gebouwd:--dat
ieder persoonlijk met geheel de kracht van zijn lichaam en geest,
met inspanning van al zijne gaven en vermogens, moet streven naar
veredeling, en daarnaar, éenmaal het hoogste punt der menschelijke
volmaking te bereiken,--dat die gedachte niet alleen het individu,
maar het geheele menschdom ten goede zal komen en dat zij dus geen
zelfzuchtig maar wel degelijk een altruïstisch doel beoogt. En hoe
Nietzsche zelf zijne leer van den veredelden mensch in practijk heeft
gebracht, hieromtrent weten wij nu althans zooveel, dat het voor goed
uit moest zijn met dat onzinnig gepraat over Nietzsche als den profeet
der teugelloosheid; over hem, die uit zijnen aard en aanleg bezield
was met eene onwrikbare liefde voor de waarheid, met eene bijzondere
neiging voor beleefde en waardige vormen in de samenleving; met een
groote behoefte aan vriendschap en sympathie; met eene opgewektheid,
die hem onder de eenvoudigste omstandigheden vroolijk en tevreden deed
zijn; met eene zelfstandigheid, die hem leerde anderen te ontzien;
met een zeldzame gave om zichzelf te beheerschen!
De zedeleer van het christendom was hem tot een tweede natuur geworden;
zijn gevoel voor alles wat schoon is en welluidt, maakte iedere
leelijke of ruwe handeling voor hem tot een onmogelijkheid.
Al misbruiken de "gewone menschen" uit onwetendheid de leer van dezen
Meester, toch zal dit misbruik op den langen duur niet veel kwaad
doen. Want vroeg of laat komen dezen toch in botsing met de grens
hunner eigen persoonlijkheid: de individualiteit van anderen. De ruwe,
koele, zelfgenoegzame zal hierom ten laatste alleen staan; tegelijk
daalt hiermede zijne persoonlijkheid en tevens de waarde van zijne
betrekking in de maatschappij, waarvoor hij zijne ruwe wilskracht
had willen bewaren. De zinnelijke, laagstaande mensch ontmoet zijn
tuchtmeester in den tegenstand der samenleving en van dien der op
een hooger standpunt van beschaving gekomene, enkele personen in
zijn kring.
Ook de aanhanger der nieuwe zedenleer komt niet eer tot zijn recht
dan wanneer hij dit kan verwerven, door zijne persoonlijke rechten
te bewijzen. Hij moet hierom vooruit goed de kosten van zijn proces
berekenen en wel weten wat hij waagt, wat hij wil. En in dien strijd
tusschen de samenleving en den afzonderlijken persoon; bij deze
moeilijkheden voor den ontwikkelden mensch, om zich op het juiste
standpunt te plaatsen, ligt het tegengif tegen de gevaren, die anders
zoo licht het gevolg zijn van den--allezins gewettigden--eisch, eener
grootere zedelijke vrijheid voor de hoogerstaanden, een beperkter
grens voor de lagerstaanden, op de ladder der beschaving.
De gewettigde zelfzucht van alle anderen vormt een dam tegen de
onbillijke--of misschien ook wel gewettigde--zelfzucht van den
afzonderlijken persoon. Reeds het kind leert soms reeds in zijn prille
jeugd de wijze kennen waarop men een lid der groote maatschappij wordt:
het ondervindt al spoedig dat het niet aangaat, onzen zin te volgen
ten koste van eens anders onbehagen. En tegenover de volwassenen,
die deze les als kind niet hebben geleerd, heeft de maatschappij het
recht--zoolang als zij er de macht voor heeft--met nadruk de hand te
leggen op eene zelfverheffing ten nadeele van die van anderen. Een
bijzonder ontwikkeld mensch kan dus niet zonder strijden en worstelen,
zijn eisch voor de persoonlijke vrijheid verwezenlijkt zien en niet
eer dan wanneer het hem gelukt is den wensch om ook van die vrijheid
te genieten bij de meerderheid op te wekken. Eerst dan, en niet eer,
wordt de wet, of het aangenomen gebruik dat den alleenstaanden persoon
verhinderde zich als een vrij mensch te gedragen, herzien.
Maar in de meeste gevallen is de individualist, wanneer het hem maar
goed duidelijk is, wat zijn werkelijk belang eischt, niet onwillig
om zijne gehoorzaamheid aan de wetten der zamenleving te toonen
en deze op te houden; hij weet maar al te goed dat hij, zonder
deze, genoodzaakt worden zou, zijne krachten te verspillen tot zijn
verdediging tegen het ruwe geweld en op die wijze slechts onvoldoende
aan de ontwikkeling van zijn eigenlijke persoonlijkheid zou kunnen
werken. Indien een individualist zin en gevoel heeft voor harmonie,
dan zal hij ook spoedig verstaan, dat niet de ruwe maar de veredelde
kracht de sterkste is; dat niet de ruwe ijzerstaaf, maar het geplette
stalen lint dat men om den vinger kan winden, de uitdrukking is voor
de eigenaardige kracht van het metaal. Wilskracht bij de teederste
aandoeningen; edele uitdrukkingen ook bij de geweldigste ontboezeming
van kracht; zich niet ontzien om tot de meest gewaagde gevolgtrekkingen
door te dringen, waar het een heilige verborgenheid geldt--maar
zachtzinnigheid jegens elk wezen dat zwak is en lijdt--ziedaar de
groote kracht van den harmonisch ontwikkelden, persoonlijk vrijen,
mensch. En een zoodanig persoon vermorst geen enkelen druppel van
den nectar, die hem uit den beker van een ander, even rijk individu
wordt aangeboden. In tegendeel, voorzichtig brengt hij dien beker aan
zijne lippen en ledigt hem met den plechtigen eerbied eener heilige
ceremonie. Zulk een ontwikkeld individualist kan--voor zoover hij
niet tevens anarchist is--alleen in opstand komen tegen de hooge mate
van dwang, door de wachters der maatschappij, die toch het recht van
allen moeten beschermen, toegepast. Het ligt in de rede dat over dit
onderwerp de zienswijze der persoonlijk vrije menschen verschillend
wezen moet. Laat ons hiervan een voorbeeld opnoemen: ik veronderstel,
dat de meeste individualisten het recht der Regeering erkennen om hem,
die de godsdienstige bijeenkomsten van anderen stoort, te straffen;
maar volstrekt niet het recht om iemand tot zekere kerkelijke
handelingen te dwingen. Zeker, ook de individualist oordeelt strenge
straf noodig, op het plegen van geweld, of verleiding der onschuld;
maar toch acht hij eene ontwikkelde vrouw volkomen gerechtigd zich
aan eene ernstige liefde over te geven in vrijheid.
Velen zien verlangend uit naar eene wet die de rechten van het
kind tegenover zijne ouders waarborgt; een ander wenscht weder het
tot stand komen eener wet, die elk huwelijk, waarbij eene treurige
nakomelingschap met zekerheid is vooruit te zien, verbiedt.
Zulke wetten zouden eene grens bepalen tegen de misdadige
lichtzinnigheid waarmede--in en buiten het huwelijk--nieuwe
wezens tot de smart van een ziekelijk, ongelukkig bestaan, worden
veroordeeld. Intusschen rekent een ontwikkeld individualist het niet
tot deze lichtzinnige daden, als eene beschaafde, ernstig denkende
vrouw, volkomen bewust en met opgewekt gevoel van verantwoordelijkheid,
het moederworden verkiest buiten het wettige huwelijk. Ten opzichte der
rechten van een derden persoon erkennen vele vrienden der persoonlijke
vrijheid het nut van den wettigen vorm bij een huwelijk; toch verwerpen
zij beslist elken vorm, die de eene partij het recht over den andere
toekent en de vrijheid om het huwelijk te ontbinden hinderend in den
weg staat.
Hoe meer de persoonlijkheid ontwikkeld wordt, des te veelzijdiger
zal ook het liefdeleven zich ontwikkelen. Voor de bescherming van het
kind zal de toekomst ook wel voorzien in een matriarchaat, b. v. er
voor zorgen, dat elke moeder, gedurende een zeker aantal jaren,
op het onderhoud van haar kind door den staat rekenen kan.
Toegegeven dat de eer en de goede naam van ieder persoon dient
gevrijwaard te worden tegen misbruik der pers; toch mag er geen woord
blijven staan van een stuk, dat gebruikt zou kunnen worden als een
wapen tegen de vrijheid van onderzoek, tegen de vrije uiting op het
gebied van letterkunde en wetenschap.
Sommigen willen aan de Regeering niet alleen de macht geven het
leven der enkele personen te beschermen, maar hare macht vergrooten
tot het beletten van al de moorden uit de tweede hand, die door de
hedendaagsche industrie worden begaan. Anderen daarentegen gaan uit
van den stelregel, dat ieder mensch de vrije beschikking heeft over
zijn eigen leven en dat hij, hieraan een einde makend, niet laf op
de vlucht slaande, maar wel en ernstig overlegd, onder bijzondere
omstandigheden, eene zedelijk te rechtvaardigen handeling begaat.
Tot bescherming van het leven in onze dagen van opgezweepten arbeid en
onophoudelijk produceeren, is éen rustdag in de week nuttig en noodig;
deze moet door de Regeering voor alle soorten van arbeiders worden
bevolen en gehandhaafd. Maar het gaat niet aan, voor de Regeering om
zich te bemoeien met de wijze waarop ieder blieft van dien rustdag
gebruik te maken--en het voegt haar vooral niet dit te doen in den
vorm van gedwongen godsdienstoefeningen. Eene wet die de zwakken
verhindert hun leven te bederven door 't gebruik van sterken drank,
kan goed zijn; maar deze mag niet zoover gaan, te eischen dat degenen
die dezen tuchtmeester niet noodig hebben omdat zij zichzelf en hunne
neigingen kunnen beheerschen, terwille van die zwakken, onder een
zeer overvloedig dwangmiddel zullen lijden. De zwakken op te voeden
door hen te wijzen op het voorbeeld der sterken--dit is de rechte
wijze om deze en dergelijke kwesties op te lossen.
Als de maatschappij innig doordrongen was van deze waarheid, dan
zou de taak der wetgeving moeilijker, maar ook veel belangrijker,
worden. De hoogst ontwikkelden zouden dan niet hunne vrijheid
opofferen en evenmin de ontwikkeling der lagerstaanden tegenwerken
door middeleeuwschen dwang.
Hierin de juiste maat te houden is moeilijk maar niet
onmogelijk. Niemand die ernstig denkt acht de persoonlijke vrijheid
het doel te zijn der beschaving, maar het middel om tot dit doel
te geraken.
De vrijheid houdt voortdurend gelijken tred met de ontwikkeling,
zoodat hoe verder men vordert op den weg van ontwikkeling men ook
van meer vrijheid geniet; en wederkeerig wordt door die vrijheid de
beschaving bevorderd.
De dienst van de industrie, de aanbidding van het kapitaal, zijn
de grootste vijanden der persoonlijke vrijheid. Al acht daarom de
individualist eene wet die aan dit misbruik paal en perk kan zetten
gewenscht, toch keurt hij de gedachte aan een ander misbruik--het
geheel op te doen gaan en op te offeren voor het algemeen--zooals de
socialen dit eischen--grootelijks af.
Wat beteekent het toch, dat men onder voorwendsel van de algemeene
zedelijkheid te bevorderen, de plichten jegens den naaste boven de
plichten jegens onszelf zet; dat het christendom verlangt, dat wij
alle menschen als onze broeders en zusters zullen liefhebben, even
hartelijk en allen gelijk? Dit is een dwang dien men aan het beginsel
der vrije keuze heeft opgelegd.
Voor den voorstander der persoonlijke vrijheid is de vraag wat iemand
gelooft van weinig beteekenis; ook de vraag wat hij doet beduidt niets;
op de vraag wat hij is komt het aan.
Hoe hooger men stijgt in het besef zijner eigene waarde des te
krachtiger lid gevoelt men zich in de samenleving: het wel en wee
der anderen treedt ons nader; het wordt als het onze. Een persoon
behoeft nu niet langer te worstelen om een plekje grond waarop
hij vrij kan opgroeien; hij gunt aan anderen diezelfde ruimte, want
immers alle boomen vormen een gedeelte van zijn eigen bosch. Hij doet
daarbij de heerlijke ondervinding op, dat ons groote levensdoel is:
de ontwikkeling van onze persoonlijke vrijheid, en die van anderen,
te bevorderen en haar te verdedigen, des noods ten koste van ons leven.
Maar al overwinnen wij, zoowel vrouwen als mannen, den zedelijken
dwang; en al stellen wij de vrije persoonlijkheid ook ten opzichte
van ons zedelijk leven daarvoor in de plaats--toch blijft er een groot
en ernstig bewustzijn van overwegend belang in alle vraagstukken des
levens, ons bij: de wet der noodzakelijkheid.
"Alles wat er gebeurt is een gevolg der noodzakelijkheid; doe daarom
wat ge kunt en verdraag dan alles wat ge lijden moet." Dit groote
woord van Schopenhauer is het eerste gebod op onze steenen tafelen
der wet gegrift.
Niets kon anders gaan dan het ging en niets kan ongedaan worden
gemaakt.
De gevolgen mijner daden, voor zoover deze uit mijn karakter zijn
voortgekomen, vormen mijn noodlot.
Alles in mijn wezen en alles in mijn werk verbindt mij met
onverbreekbare schakels aan het groot geheel van het leven; aan de
ongekende diepten, waaruit ik als een golf word opgeheven, om als
deze voort te zwemmen op de levenszee, te stijgen en te dalen. Maar
onder dat rijzen en dalen van die golf, maakt haar eigen beweging en
haar eigen vorming haar tot hetgeen zij is.
Het heerlijk bewustzijn van mensch te zijn, kan mij goddelijk maken
onder het oog der eeuwige kracht waarvan ik ben éen der golven, die
de zee vormen: de groote oceaan des levens, die grooter en krachtiger
is dan de golven.