Er zijn altijd jong blijvende woorden, woorden wier echte goudklank
nooit tot een ontvankelijk oor doordringt, zonder dezelfde
gewaarwordingen te voorschijn te roepen als toen zij, misschien
duizend jaar geleden, voor het eerst werden uitgesproken;--toen als
een nieuwe uitdrukking voor het innig besef van dien tijd.
Onder deze woorden en spreuken van een eeuwige jeugd is er een,
die voor den eersten keer door den welsprekendsten mond in Hellas
verkondigd werd:
"Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid--en dat vrijheid is moed!"
De inhoud van die spreuk kon voor Pericles voorzeker niet dezelfde
beteekenis hebben als voor ons.
Onder vrijheid verstond men feitelijk de onafhankelijkheid van den
eenen staat tegenover den anderen; met moed werd vooral de deugd van
dappere verdediging des vaderlands bedoeld.
Toch is het best mogelijk dat er bij den minnaar van Aspasia en
den vriend van Socrates, een vermoeden heeft bestaan van den tijd,
wanneer die schoone woorden, in dieperen zin, zouden beteekenen de
onmisbare voorwaarde tot welvaart en geluk; zoowel voor het geluk
van de op zichzelfstaande persoonlijkheid, als voor de vrijheid eener
geheele natie.
Edele woorden groeien in dezelfde mate als de menschheid groeit. Wij
begrijpen het nu, dat de enkele mensch evenmin geluk en vrijheid
vinden kan als de geheele Staat, wanneer de moed hem ontbreekt. Maar
hangt het dan wel van ons-zelf af moed te hebben of niet?
Zeer zeker. Moed is eene hoedanigheid die verkregen wordt door hem
of haar die haar wil verkrijgen; maar men moet willen, met ernst
en volharding. Er zijn menschen die met een hun aangeboren moed ter
wereld komen, maar de meesten hebben, voor het grootste deel althans,
hun moed zelf gekweekt.
Er is geen eigenschap die door oefening sneller toeneemt. Als men
het in onze samenleving maar duidelijker begreep dat moed den grond
vormt, waarop het karakter en de wilskracht gebouwd is, dan zouden
bijna alle menschen tot moedige wezens kunnen worden opgevoed.
Maar in de plaats van ons reeds vroeg te leeren willen, kiezen en
overwegen, leert men ons toe te geven en te buigen; het droombeeld van
vrij onzen eigen weg te gaan te onderdrukken en alleen onzen boozen
geest te volgen. Men maakt er ons opmerkzaam op, hoe verwaand het is,
een opzichzelfstaand geheel te willen beteekenen en hoe nuttig, éen van
de vele nullen te zijn die, vereenigd, eene millioen helpen vormen. Men
zegt ons dat voorspoed en vooruitgang in lijnrechte tegenstelling
zijn met het streven naar vrijheid; men wil ons overtuigen dat de
mogelijkheid om "gelukkig te maken" onvereenigbaar is met den wensch
om op onze eigene manier gelukkig te zijn. Men richt onzen blik op de
hoogte der samenleving, waar de menigte haar offer aan het vooroordeel
brengt en men waarschuwt ons, toch vooral ons niet te voegen bij de
kleine minderheid die, met ongebogen knie en fier opgeheven hoofd,
door de wereld gaat.
Men zorgt er voor het ons reeds vroeg bij te brengen hoe slecht het
altijd is afgeloopen met de overmoedigen, die hunne vrijheid van
denken en handelen onder den druk der partijen hadden trachten te
behouden; die dwazen, die trouw te zijn jegens hun eigen persoon voor
belangrijker hielden dan gelijk te staan met anderen; die hunne eigene
overtuiging verdedigden en volgden; die rond voor hunne opvatting van
het leven uitkwamen, in plaats van anderen na te praten; die leefden
van eigene middelen, liever dan van vrienden en kennissen te leenen;
die aan de opwellingen in hun eigen hart gehoor gaven en niet aan
die van zekere, heerschende kringen in de maatschappij; in éen woord,
hoe het die allen gegaan is, die eigen oordeel en meening verkozen te
hebben en zich niet wilden tevreden stellen met "de algemeene opinie".
Natuurlijk hebben die overmoedigen hun welverdiend loon
ontvangen! Hunne vrienden beklaagden er zich over nooit te weten
wat men aan hen had en haastten zich hen te verlaten, onder innig
leedwezen over hunne afvalligheid. Hunne vele kennissen hadden het
altijd wel geweten dat zij "onberekenbare, karakterlooze menschen
waren, die men nooit volkomen vertrouwen kon." En de aaneengeslotene,
toonvoerende meerderheid heeft het klaar en duidelijk bewezen dat
zij gevaarlijke menschen zijn, menschen "zonder beginselen".
Waarlijk, om door dit oordeel te worden getroffen behoefden die
menschen volstrekt niet met een nieuwen vorm van godsdienst aan
te komen, of met al het bestaande omverhalende leerstellingen in
de maatschappij!
Het was voldoende dat zij hunne beste krachten er aan hadden gewijd
om de onderdrukking van eene partij ten opzichte der andere te
verhinderen; dat zij hunne afkeuring over een onrechtvaardig oordeel
te kennen gaven en over het toepassen van gewetensdwang. Of dat zij het
karakter van een persoon verdedigden, hoewel zij zijne levensopvatting
niet huldigden; of voor die opvatting pleitten, hoewel zij zich voor
zijn karakter niet verantwoordelijk konden stellen. Ja, soms is het
wel voldoende gebleken dat iemand in een kring van conservatieven
durfde te beweren dat niet iedere radikaal een dubbelzinnig karakter
is, of in een gezelschap van radikalen te zeggen, dat niet ieder
conservatief man een domkop is, om zelf in een zeer twijfelachtig
licht te worden geplaatst ten opzichte van zijne eer, van zijn naam
als fatsoenlijk man en van zijn gezond verstand.
Laat men zich nu niet bijtijds door de vrienden waarschuwen, maar
blijft men volharden in zijn idiosynkrasi om zijn eigen meening te
zeggen, de stem van zijn geweten te volgen, te oordeelen naar de
mate van 't verstand dat hij heeft--dan hangt het van de minste
of geringste toevalligheid af welk einde zoo iemand neemt: òf de
langzame hongerdood, òf wel een beklagenswaardig alleen-staan in de
wereld zijn lot wezen zal.
En toch--ondanks dit alles hebben er in elke generatie menschen geleefd
die het durfden wagen zich zelf te zijn; die onbeschaamd genoeg waren
om te denken, te handelen, te beminnen, te dichten en te scheppen, op
hun eigen hand! Dit zijn de menschen die thans nog in ons midden leven;
zij, wier moed door hunne tijdgenooten met driestheid of brutaliteit
werd aangeduid, maar die door het nageslacht worden bezongen en
gevierd als groote mannen, aangebeden als openbaringen van wijsheid
en licht. Hunne bezwaren waren geheel dezelfde als de onze. De held
van ieder tijdperk moet het hoofd bieden aan de verzoeking die hem
nadert in den vorm van eer en een rijk bestaan; aan de meesterachtige
critiek van zijn tijd; aan den druk der partijen; aan kleingeestige
oudewijvenpraat--ja zelfs aan het toejuichend gekwaak der kikkers in de
sloot! Maar die helden hebben toch overwonnen, dank zij hun moed. Elk
tijdvak waarin nieuwe denkbeelden hun weg vonden, elk tijdvak vol licht
en gloed, vanwaar scheppende of verjongende krachten uitgingen--is
onbetwistbaar een tijdvak geweest dat vele moedige menschen opleverde.
In zulke dagen vereischt het geen bijzonderen moed om dapper te zijn;
want moed is eene hoedanigheid die het gemakkelijkst van alle deugden
op anderen overgaat--de lafheid uitgezonderd!
Alle ledige, dorre tijden, zonder glans en leven, waren laf. Wanneer
de moed niet in den dampkring ligt is er meer voor noodig om dien te
behouden, of te oefenen, dan in een gunstiger tijdperk.
De dagen waarin wij leven zijn er juist niet naar om den moed aan
te kweeken en dezen tot zijn recht te doen komen. Want alle tijden
van overgang zijn gevaarlijk voor den moed, die in buitengewone
mate versterkt wordt door getrouwheid aan vaste beginselen, door de
overtuiging te strijden voor zijn goed recht.
Maar, al gaat nu onder een tijd van worstelen en strijden aan den
eenen kant licht de moed verloren, daartegenover staan andere, en
gewichtiger redenen om te trachten dien te herwinnen, waar men zich
telkens geplaatst ziet tegenover de keuze tusschen nieuwe botsingen
en nieuwe inzichten. Er is moed noodig om de waarheid te zoeken,
maar ook om haar des noods te kunnen missen, als zij voor ons niet
duidelijk zichtbaar is; moed om werkzaam te zijn--maar ook moed om
te rusten. Er wordt moed vereischt om het geluk vast te houden als
het onder ons bereik is gekomen--ook om het prijs te geven, wanneer
de omstandigheden er toe leiden. Soms ligt het grootste bewijs van
moed in afwachten; dan weer in wagen en ondernemen. Heden kost het
moed om alleen te staan--morgen om mij bij mijne geestverwanten aan
te sluiten; nu eens om voor mijn goed recht op te komen--dan weer om
het prijs te geven.
Zonder moed kan men niet haten en nog minder liefhebben. Zonder moed
kan men niet in waarheid leven noch sterven.
Laat ons moed hebben--moed in de eerste plaats; en wij zullen tot
de bemoedigende ontdekking komen dat wij meer vrijheid en meer geluk
bezitten, dan wij dachten.
Wij zijn heusch niet zoo boosaardig, of zoo dom, of zoo kleinzielig
en "laag bij den grond" als wij schijnen. Alleen zijn wij
veel laffer dan wij zelf denken. Uit lafheid mishandelen wij
elkander--vervelen,--verdrukken--verongelijken wij elkander.
Laat ons die lafhartigheid bestrijden--en het leven zal weder schoon
voor ons worden met zijne vele scheppende krachten die vrij komen;
door de algemeene welwillendheid die overal werkzaam is; door alle
sympathie, die lust tot handelen wekt; door alle gedachten en gevoelens
die hun invloed rechtstreeks op ons uitoefenen.
Nooit vermoedde eigenaardige hoedanigheden bij ons zelf en anderen,
zullen een schat van afwisseling en schakeeringen te voorschijn roepen,
waar men meende niets dan armoede en stilstand--dus achteruitgang--te
kunnen verwachten. De som van levenslust en levenskracht zou tot
in 't oneindige vermenigvuldigd worden als wij den moed hadden om
allen tezamen het groote waagstuk te ondernemen! Als wij nu eens het
vertrouwen dat wij gevonden hebben openlijk bekenden; als wij eerlijk
rekenschap durfden te geven van het geloof dat wij nu hebben in de
plaats van het vroegere dat wij verloren? Als wij ronduit verklaarden
wat onze eigen overtuiging is--niet de van anderen geleende vormen;
als wij durfden te bouwen op eigen ervaringen, zelfs al werden wij
hierdoor van onze geestverwanten gescheiden?
Als wij den moed hadden te blijven twijfelen, waar wij bij anderen
verzekerdheid vinden en onze overtuiging te behouden, ook al
ontmoetten wij twijfel daaromtrent bij anderen? Als wij eerlijk de
deugden van onze tegenstanders durfden erkennen en de gebreken van
onze geestverwanten? Als wij den moed hadden vrijgevig te zijn met ons
vertrouwen maar zuinig met onze oordeelvellingen? Als wij in ootmoed
ons hoofd durfden te buigen ten opzichte van dingen waarvan wij geen
verstand hebben, maar fier opstaan, waar het geldt de zekerheid,
die wij met worstelen en strijden gewonnen hebben, te verdedigen? Als
wij naar onzen eigen smaak, en rekening houdende met onze middelen,
durfden te leven; in bescheidenheid te genieten op onze wijze en
er ons aan gewenden te zien dat anderen dit eveneens doen? Als wij
ons meer oefenden in de groote kunst, de beweegredenen der daden van
anderen te erkennen, ook al zijn wij genoodzaakt hen tegen te spreken,
en hunne handelingen af te keuren, hoewel wij hen persoonlijk hoog
achten? Als wij het er eens op waagden elke partij te laten voor wat
zij is--behalve onze eigen overtuiging?
En ten laatste: als wij den moed hadden onze lafhartigheid in te
zien en die bij haar waren naam te noemen in de plaats van die te
verschuilen achter fraaie woorden als: eerbied, bescheidenheid,
ontzag voor de meening van anderen; gematigdheid en tact? Dan zouden
wij een geheel andere maatschappij zien worden!
Weldra zouden wij het gezellig verkeer de plaats der vroegere
maskerades zien innemen; debatten, de twisten en het spel met ijdele
woorden zien vervangen; de daad zou de vroegere spiegelbeelden
vervangen; oorspronkelijke scheppingskracht, de eenvoudige
herhaling van het bestaande; gedachtenwisseling over verschillende
gezichtspunten, het verdacht maken van die opvatting; eigene
levenservaring de eenmaal gebruikelijke holle vormen; wáár gelooven,
de van buiten geleerde formules. In één woord: wij zouden van onze
vrijheid genieten terwijl wij nu daarentegen aan snoeren geregen,
in pakken gebonden, met étiquetten beplakt, in partijen gesorteerd,
op een lijst ingeschreven, in verschillende categoriën verdeeld en
in uniform gekleed worden!
"Maar zou de baatzucht niet een al te groote ruimte gaan beslaan indien
de moed aan ieder persoon het recht eener plaats toekende?" vraagt
misschien een altruïst.
Is dan niet juist de lafheid boosaardig? Wordt er niet vaak grooten
moed vereischt om vriendelijk te zijn en goed? Is niet vrijheid de
éenige voorwaarde om tot echte humaniteit te geraken? Dringt het besef
van onafhankelijke vrijheid niet onwillekeurig tot edelmoedigheid
jegens anderen die niet vrij zijn? Gaat geduld niet samen met
moed? [1] Moest niet de prediker van onbaatzuchtige naastenliefde
juist in den dood gaan omdat hij den moed bezat alleen te staan en
geen partij rondom hem te vormen; den moed om zichzelf te zijn;
de banden waarin zijn tijd geboeid lag te verbreken; den moed te
gelooven in de vrijheid?!
Daarom is er in het goddelijk gebod, aan anderen te doen wat wij
zouden wenschen dat anderen ons deden, niets dat strijdt tegen het
betoonen van moed. In tegendeel. In dit gebod ligt--uit een ander
gezichtspunt--eeuwig dezelfde schoone gedachte als in de vermaning
van den Helleen:
"Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid en dat vrijheid is: moed!"