CONVENTIONEELE VROUWELIJKHEID.

Het conventionalisme is de stilzwijgende overeenkomst, den schijn

voor het wezen, vorm voor inhoud, en bijzaken voor de hoofdzaak

in de plaats te stellen. In zekeren zin behooren ook de, bij de

verwisseling van het schoonheidsgevoel in verscheidene tijdperken

veranderende, modes ertoe. In de diepere beteekenis van het woord

valt altijd een gedeelte van deze aangenomen leer der welvoegelijkheid

tezamen met die van zeden en gebruiken, met het begrip van de mate van

zelfbeheersching en zelfverzaking, die ieder persoon heeft in acht te

nemen in den omgang met anderen. Hoe meer men vordert in de beschaving

en ontwikkeling, des te ruimer worden de grenzen genomen, waarin aan de

samenleving de beoordeeling wordt toegestaan van ieders persoonlijk

geloof en zienswijze, van ieders arbeidsveld en gewoonten in het

dagelijksch leven. Hoe langer hoe meer begint men te begrijpen, dat

elke uiting van persoonlijke gevoelens, die op het recht van anderen

geen inbreuk maakt, vrij behoort te wezen. Een vrij groot gedeelte

van de taak der beschaving in het tijdperk van elk nieuw geslacht,

heeft altijd bestaan en bestaat ook nog, in het afschaffen van eenige,

tot ledige vormen ontaarde gebruiken, doode overblijfselen van hetgeen

vroeger bestond, die de nieuwe planten verhinderen om krachtig op

te schieten. Wij hooren in onze dagen telkens weer stemmen opgaan

die vrijheid en keuze tegenover de tot richtsnoer aangenomen zeden

verlangen voor het persoonlijk geweten en de persoonlijke neiging. In

dezen eeuwigdurenden strijd komt het er vooral op aan te beslissen,

wat ook nu in werkelijkheid nog recht van bestaan heeft en wat alleen

hinderpalen zijn voor een edeler vrijheid, eene diepere waarheid,

een grooter oorspronkelijkheid, een rijkeren levens-inhoud; in éen

woord: wat daarin is ontaard tot ledige vormlijkheid.

Maar niet alleen met verouderde gebruiken en vormen moet afrekening

gehouden worden. In elken kring worden nog voortdurend dergelijke doode

overblijfselen van voorheen opgegraven en in den vorm van vooroordeel,

van kleinzielige beweegredenen en wankelmoedige, onzelfstandige

gewoonten, gehuldigd. Bij de vrouwen is die vormendienst ten allen

tijde sterker ontwikkeld dan bij de mannen. Want de zucht tot

het bijbehouden van "hetgeen altijd zoo is geweest" wordt helaas

dikwijls een steun voor het conventioneele gedrag der vrouw in de

samenleving. Zelden zijn de vrouwen zóo persoonlijk ontwikkeld dat

zij, bij hetgeen zij wenschen te behouden, schijn van wezen, vorm

van inhoud, kunnen onderscheiden; en zelfs, al zien zij het verschil

in, ontbreekt het haar toch gewoonlijk aan den moed om inhoud en

degelijkheid te verkiezen boven vormen en schijn, wanneer de groote

meerderheid vóor de laatstgenoemden stemt.

In het laatste tiental jaren is er in de letterkunde, zelfs in de

werken van vrouwelijke auteurs, een krachtige stem tegen die ledige,

holle vormen opgegaan. Die oppositie werd vooral gericht tegen het

verouderde ideaal der vrouw, volgens hetwelk zelfverloochening de

edelste vrouwelijkheid vertegenwoordigde en tegen het verouderde

begrip omtrent de zedelijkheid, volgens hetwelk de liefde zonder

huwelijk onzedelijk, maar een echt, ook zonder liefde gesloten,

voor zedelijk gehouden wordt.

De vrouwen welke thans het nieuwe ideaal huldigen: "zelfontwikkeling

tot toewijding van haar persoon en leven aan anderen," ontmoeten

van de vooruitstrevende geémancipeerden onzer dagen dezelfde weinig

beteekenende verwijten als die, welke in 1850-60 gericht werden tot

de voorstanders der toen nieuwe beweging op dat gebied.

Immers die vroegere émancipatiebeweging had in hoofdzaak ook ten

doel de menschelijke rechten der vrouw te doen gelden, in het

algemeen beschouwd. De latere is er op uit het recht van iedere

vrouw als persoon, te verdedigen; dat is te zeggen: het moet der vrouw

onvoorwaardelijk vrij staan te gelooven, te denken naar haar eigen wil;

zelfs te handelen naar eigen goedvinden, wanneer zij hierbij niet de

rechten van anderen kwetst. Aangezien dat eerste in algemeenen zin kan

worden beschouwd, kon het voor een groot gedeelte collectief worden

beoefend; de zelfstandigheid der vrouw in hare daden moet natuurlijk

het recht van ieder van haar, als persoon, gelden. Dit bedenken de

vrouwen, die voortdurend ijveren voor dat eerste doel, de algemeen

menschelijke rechten der vrouw, niet genoegzaam. Zij dringen er niet

in door, dat elke vrouw niet slechts haar aandeel behoort te hebben

in het algemeene recht als mensch, maar dat ook hare persoonlijke

rechten, overeenstemmend met haar eigenaardigen aanleg en karakter,

gewaarborgd moet worden door de maatschappij. De strijd betreft in de

eerste plaats het recht der vrouw op een, misschien van alle bestaande

leerstellingen en van het tot nu toe gehuldigde ideaal afwijkend,

temperament. Dit is de groote kwestie tusschen de afzonderlijk voor

haar gevoelens pleitende vrouw en de vertegenwoordigsters van het

nieuwe tijdperk in het vrouwelijk bestaan. Dat ieder persoonlijk

karakter een nieuwe wereld is--deze ontdekking die in Shakespeare

zijn Columbus vond--een Columbus, op wiens voetspoor telkens nieuwe

reizigers nieuwe landen wonnen--dit feit, dat in de litteratuur

telkens weder wordt genoemd en toegepast op het leven, is nog

slechts tot enkelen doorgedrongen als eene op ervaring gebouwde, en

door het leven bevestigde, waarheid. Maar dat hiermede althans een

begin werd gemaakt; dat de voorheen, als onwrikbaar vast aangenomen,

gebruikelijke opvatting van den aard en het wezen van den mensch en de

daaruit afgeleide raadselen, meer en meer worden vervangen door eene

persoonlijke, van anderen onafhankelijke beschouwing,--dit hebben wij

wel in de eerste plaats te danken aan de dichters en denkers in onze

dagen; in dezen heeft het conventionalisme zijn ergsten vijand; hun

herkenningsteeken is het diep besef van alle oorspronkelijke krachten

van het menschdom, van de degelijke vraagstukken in het leven. Want al

moge het conventionalisme in de gestalte der napraters tot geestigheden

aanleiding geven, toch is juist het moderne genie een protest tegen

de leer, die elken, op zich zelf gewettigden, maar van de bestaande

regelen afwijkenden blik op de wereld en de kunst, ten hoogste afkeurt.

De dichter die in het Noorden met éen enkelen slag het veranderde,

vormlijke ideaal der vrouw, die zich onder alle omstandigheden

opofferende, zachtzinnige vrouw, verbrijzeld heeft, is Ibsen, als

hij Nora man en kinderen doet verlaten om getrouw te zijn aan haar

eigen plichten; als hij door "Het spook" in het zedelijk bewustzijn

der menschen tracht te etsen: dat eene vrouw, die aan haar eigen

persoonlijk karakter getrouw is, ook ten nutte van anderen, hooger

staat dan zij, die zich blijft vastklampen aan de eenmaal bestaande

vormen der zedelijkheid, ook al zijn deze zonder zin of beteekenis in

haar bijzondere omstandigheden. En sedert heeft Ibsen voortdurend

de vrijheid onder eigen verantwoordelijkheid gepredikt, als de

verlossing voor het individu. Langzaam-aan is men begonnen naar hem

te luisteren;--gedeeltelijk heeft men hem ook verstaan. Maar men weet

het immers, geen geweten is in dit opzicht meer hermetisch gesloten

dan dat van zekere, door de emancipatie in een opgewonden toestand

verkeerende, vrouwen. Dat alle vrouwen gelijke rechten met de mannen

moeten hebben is de scheering en inslag van het weefsel, dat zij in

hare redevoeringen over de persoonlijke vrijwording der vrouw, op het

getouw zetten. Zij vergeten, dat het recht om te worden wat zij wil,

voor de vrouw evenzoogoed als voor den man, vaak de noodzakelijkheid

medebrengt om datgene wat zij naar haren aanleg en karakter is, te

onderdrukken. Zij vergeten, dat het individu hoogere eischen moet en

mag stellen dan alleen het recht tot de keuze van een werkkring. Zij

zien ze voorbij, die eindelooze schakeeringen in gevoelens, in meening

en karakter, die de oorzaak waren, dat de eischen aan solidariteit in

de opvatting en handelingen der voor de vrouwenbeweging ijverenden,

verliepen in onderdrukking der enkele vrouwelijke persoon. Zeer

zeker is het ook nu nog de waarheid dat aaneensluiting noodig is,

om aan de vrouw, de rechten die haar tot heden onthouden werden, te

verschaffen. Maar elk verplichtend in gesloten gelederen optrekken

is in deze zaak gevaarlijk te achten; immers de vooruitgang in den

toestand der vrouw, in den ernstigen, diepen zin van het woord,

verlangt juist, dat de zoo oneindig verschillende individuen, zoo

onbelemmerd mogelijk, zullen kunnen toonen, waartoe zij op zeer

verschillend gebied, in staat zijn.

Het dreigend gevaar van den vormendienst in de vrouwenbeweging

uit zich echter niet alleen in de te hoog opgedrevene eischen tot

aaneengesloten handelen, maar ook in de wijze waarop de meening der

tegenstanders wordt "afgemaakt". Het verraadt zich in het gebrek aan

nauwlettende waakzaamheid, die ons zeggen zou, dat de vrouwenbeweging,

op het gebied van den arbeid althans, meer en meer ingrijpt in de

sociale vraagstukken van den dag. Het openbaart zich vooral in de

onbekwaamheid om in te zien, dat de vrouwenbeweging juist door hare

groote vorderingen van den laatsten tijd hoe langer hoe ingewikkelder

wordt en dat hierdoor steeds grooter moeilijkheid ontstaat, om zich

op een beslist maar onpartijdig standpunt te plaatsen tegenover de

daartoe behoorende zeer verschillende onderwerpen.

Hiervoor is het onder anderen bepaald noodig dat den vrouwen

meer gelegenheid gegeven worde om zich te beschaven en te

ontwikkelen. Goed. Maar of al die inrichtingen van onderwijs

ook de persoonlijkheid als zoodanige ontwikkelen, daaraan zou ik

twijfelen. Immers wij hebben de fijnste en beminnelijkste personen

ontmoet onder weinig geleerde dames van zeventig en tachtig jaar;

en het scherpzinnig eigen oordeel dezer dames, evenzoo als dat van

sommige vrouwen en meisjes, die nimmer geregeld onderwijs ontvingen,

is wel geschikt om onze moderne, over alles meê-pratende, "ontwikkelde"

vrouwen en meisjes beschaamd te doen staan.

Het is niet meer dan billijk dat het loon voor vrouwelijken arbeid

verhoogd worde; maar wordt die arbeid werkelijk in diezelfde

verhouding beter? Kan men het wel van het meerendeel van die, over

haar lessenaar gebogen zittende vrouwen verlangen, dat zij eene

levendige belangstelling voor haar dagwerk zullen koesteren, terwijl

haar eigen innerlijk wezen slechts aan het woord komt als zij over

eene wieg gebogen staan?

Er is veel voor te zeggen dat ook dochters van rijke ouders naar een

werkkring verlangen. Maar ligt het gevaar niet voor de hand dat zij,

die met gering loon tevreden kunnen zijn, den arbeid ontstelen aan

andere, misschien meer bevoegde arme vrouwen en mannen, die, omdat

zij van hunne verdiensten moeten leven, genoodzaakt zijn hooger

loon te vragen? Terwijl deze en nog veel meer vragen onbeantwoord

blijven, verbaast men er zich over, hoe het conventionalisme zich

onvoorwaardelijk verheugt over de vele jonge meisjes die studeeren,

of voor een algemeenen arbeid de ouderlijke woning verlaten, waar

zij toch zoo nuttig en noodig zijn; al zouden wij de laatsten zijn,

om den horizont der vrouw, zooals in grootmoeders dagen, tot keuken,

kinderkamer en huiskamer te willen beperken.

Het is tot heden nog altijd niet beslist of de vrouw, in fysiologisch

en psychologisch opzicht zoo bijzonder welvaart, of hare gezondheid

en gelijkmatigheid verhoogd wordt, door in den strijd om het bestaan

mede te dingen. De vrouw op dit standpunt is een nieuw onderwerp voor

studie en slechts de volle vrijheid tot arbeidskeuze en persoonlijke

ontwikkeling dezer eeuw, zal de stof leveren tot het maken van

weloverwogen gevolgtrekkingen.

De teekenen des tijds duiden het aan: altijd zal er een op lichamelijk

verschil gebouwd, onvermijdelijk geestelijk onderscheid tusschen den

man en de vrouw blijven bestaan; een onderscheid, dat haar hoogst

waarschijnlijk bij voorkeur tot de in het huisgezin scheppende kracht

zal blijven stempelen, terwijl hij bij voorkeur zich zal blijven

wijden aan den arbeid der kultuur op algemeen gebied en dàar zijn

scheppingsdrang zal trachten te bevredigen. Maar er is geen zeggen

van hoever eene volkomene gelijkstelling met den man, eene onbeperkte

ontwikkeling op het gebied van den arbeid, de vrouw zal kunnen brengen,

ten opzichte van het besturen der maatschappij en van de kultuur,

als groot geheel beschouwd.

De hierbovengenoemde, in onze dagen door oppervlakkige vrouwen en

meisjes onvervaard nagepraatte gezichtspunten op de vrouwenbeweging,

verhinderen juist de vrouwelijke ontwikkeling van het individu,

door de vele en groote raadselen in de natuur kalm voorbij te zien.

Daarentegen vormen de eenmaal aangenomene denkbeelden van

zelfverloochening als de uitdrukking der echte vrouwelijkheid, op

hunne beurt het doorbreken der vrouwelijke persoonlijkheid van uit

de nevelen der vormen en gebruiken in de maatschappij.

Met een zalig gevoel te gronde te mogen gaan voor een innig dierbaar

wezen, is voorzeker een van de schoonste voorrechten der vrouw. Maar

door dit onder alle omstandigheden te verheffen tot haar ideaal,

had de vrouw haar eigen ontwikkeling in den weg gestaan, evenzoo als

die van den man.

Als men de huwelijken uit de vorige generaties vergelijkt met die van

het jonger geslacht, dan valt er bij de mannen van heden een grooten

vooruitgang waar te nemen, ten opzichte van oplettende teederheid voor

en sympathieke waardeering van de thans meer persoonlijk levende en

hierom meer eischende vrouwen. Beide partijen hebben er bij gewonnen

dat de vrouw begonnen is zich te oefenen in de moeilijke kunst

van zichzelf-opheffende zelfverloochening. Want voor elk waarlijk

liefhebbend vrouwenhart is het oneindig moeilijker haar recht te

eischen dan dit op te offeren.

De vereering van het conventioneele vindt bij voortduring krachtigen

steun bij de opvoeding.

Voorzeker men onderdrukt tegenwoordig niet meer, of althans hoogst

zelden, de individualiteit van een kind op de voorheen gebruikelijke

ruwe en wreedaardige manier. Maar zij verdwijnt toch hoe langer hoe

meer. In den ouden tijd genoten de kinderen van een zekere vrijheid

in de kinderkamer, waar de ontwakende persoonlijke gewaarwordingen

van blijdschap en verdriet, van liefde en tegenzin, niet voortdurend

in toom behoefden te worden gehouden. Thans zijn de kinderen om en

bij de volwassenen en dit samenzijn legt hun reeds vroeg de taak op

de jonge schouders, van dwang en fatsoen.

De kinderen moeten bezig gehouden worden, dat is hun recht; zij

kunnen niet meer op hun eigen gelegenheid spelen, want zij hebben

den lust verloren die voorheen gebouwd was op de vrijheid der altijd

weder scheppende kinderlijke verbeeldingskracht; zij hebben er ook

den slag niet meer van om "aardig alleen te spelen".

Op deze manier hebben de ouders geen rust en de kinderen

evenmin. Altijd met volwassenen te zamen zijnde, worden zij zoo

aanmatigend, dat de gehoorzaamheid er onder lijden moet. Dus leeren zij

zich niet voegen; zij raken niet gewoon aan de voor hunne ontwikkeling

zoo noodige orde en tucht; zij leeren ze niet, die moeilijke, maar

onmisbare les van levenswijsheid: hunne opwellingen van minder

beteekenis te onderdrukken voor iets van ernstiger aard en ook in

deze zich te voegen onder de beproevingen van het kinderleven--eene

ontginning van de woeste gronden van het kinderlijk karakter,

waarmede men zeer vroeg beginnen moet om er een vruchtbaren akker

van te kunnen maken.

Deze ontginning heeft plaats als de opvoeder zelf duidelijk weet,

wat hij als hoofdzaak bij de ontwikkeling van het kinderlijk

verstand beschouwt en hiermede rekening houdende, zijn bevel en

verbod weet toe te passen; deze moeten weinig in aantal zijn, maar

onwrikbaar vast gehouden worden als wetten der natuur; en waar tegen

deze gezondigd werd, moet hij het kind niet met door hem bedachte,

onzinnige straffen plagen, maar het eenvoudig de gevolgen van zijne

ongehoorzame handelwijze laten ondervinden en aanwijzen. Zoodoende kan

men, door zich aan vaste beginselen te houden, een natuurkind vormen

tot een beschaafd mensch, dat uit ontzag voor zichzelf en anderen,

zijne driften, als die met de maatschappij in botsing komen, weet

te beteugelen,--zonder dat daardoor het persoonlijk gevoel wordt

onderdrukt. Want buiten het gebied dezer bestaande, onveranderlijke

wetten, moeten de kinderen nooit worden gedwongen of aangemaand, om

in strijd met hunnen aard en aanleg te handelen; laat hen daarin hunne

gezonde zelfzucht en hun eigenaardigen smaak ongehinderd botvieren.

Er zijn vele moeders die, door zichzelve onverstandig al te zeer op den

achtergrond te plaatsen, de volstrekt niet te verdedigen zelfzucht

harer kinderen aankweeken. Daarentegen verlangen zij op andere

oogenblikken van diezelfde kinderen eene mate van zelfbeheersching, van

bedachtzaamheid, gematigdheid en ontzag, die een geheel leven meestal

niet in staat was, die moeders te leeren. Van de zachte stof die

bedoeld was een persoonlijk wezen te worden, maken ouders, dienstboden

en onderwijzers een man of vrouw van de wereld; in sommige gevallen

een bruikbaar lid der maatschappij--maar zeer zelden een mensch.

Deze vorming noemt men opvoeding. Nu moet wel een gedeelte van

de vroegste opvoeding inderdaad in zulk vormen bestaan, zooals ik

onlangs zeide. Maar na de eerste levensjaren moet het hoofddoel der

opvoeding wezen, juist al wat louter vorm is, te verjagen; de volle

vrijheid te laten tot ontwikkeling van de éenige kracht, die in 't

groot geheel beschouwd, voor de menschenwereld het feit dat nieuwe

geslachten de ouden vervangen, belangrijk maken kan: de kracht der

nieuwe, oorspronkelijke persoonlijkheid.

Ieder kind vormt een nieuwe wereld--eene wereld, waarin zelfs niet

het oog der teederste liefde geheel vermag door te dringen. Hoe

trouwhartig dat open kinderoog ons moge aanzien; hoe vol vertrouwen

het zachte handje in onze hand wordt gelegd--toch zal dit jonge

menschenkind ons misschien later kunnen vertellen hoeveel verdriet

het er van gehad heeft, door ons te worden behandeld alsof kinderen

eenvoudig herhalingen van het bestaande waren, niet oorspronkelijke,

nieuwe, persoonlijke schepsels. En in zekeren zin is het kind ook

eene herhaling van de kindernatuur in alle tijden; maar tegelijk,

en in een veel hoogeren graad, eene geheel nieuwe samenstelling

van hoedanigheden naar geest en lichaam; die aanleiding geven tot

blijdschap en smart, tot kracht en zwakheid.

Dit nieuwe jeugdige menschje moet, op eigen verantwoordelijkheid, op

goed geluk vertrouwend, het vreeselijk-ernstige leven intreden. Wat

het zal kunnen leveren aan scheppende krachten, aan nieuwe beginselen;

wat het bezitten zal aan geestelijke veerkracht onder den druk van het

noodlot; aan de kracht om gelukkig te maken en gelukkig te zijn--dit

alles hangt, behalve van de aangeboren natuur, in zeer ernstige mate

af van de manier van opvoeding, die op dit persoonlijk kindergemoed

wordt toegepast.

Reeds Goethe klaagde er over dat de ouderlijke tucht,--de opvoeding

over het algemeen,--trachtte persoonlijke wezens tot ledepoppen te

maken. En dit is sedert nog veel erger geworden; de opvoeding is

door schoolmeesters in de hand genomen, maar er niet zielkundiger

op geworden.

Alleen hij die de gevoelens, den wil en de rechten van het kind

behandelt, evenzoo voorzichtig als die van een volwassen mensch; die

aan de persoonlijkheid van het kind geen andere beperkingen opdringt

dan die der natuur en dezulke die op goede gronden noodig zijn voor het

welzijn van het kind en zijne kameraadjes, alleen hij kan met recht

aanspraak maken op den naam van een opvoeder der jeugd. De opvoeding

behoort zeker ten doel te hebben de persoonlijke ontheffing van de

overmacht der eigene hartstochten. Maar nooit mag zij haar streven zoo

ver richten die hartstochten uit te roeien of ter zijde te dringen. Zij

toch vormen juist de kracht der persoonlijkheid, die nu eenmaal niet

kan bestaan zonder gevaar voor de daaraan gepaard gaande gebreken.

Het overwinnen van de in elk gemoed levende gebreken door het

opkweeken der daarmede gepaard gaande goede hoedanigheden in datzelfde

gemoed--dit alleen is eene zuiver persoonlijke opvoeding. En deze

methode werkt uiterst langzaam; het onmiddellijk handelen beteekent

hierbij zeer weinig; de geestelijke atmosfeer van de huiskamer,

huiselijke gewoonten en illusies zijn daarentegen bijna alles. Het

komt er vooral op-aan dat de opvoeder de kunst versta van afwachten,

van het berekenen der werking die de toekomst zal geven--minder waarde

te hechten aan het heden.

Er zijn ouders en opvoeders die gelooven het kind voor later verdriet

te bewaren door het "in zijne eigenzinnigheid tegen te gaan", zooals

men dit noemt. Men bedenkt dan niet, dat door op deze wijze een kind

te dwingen iets te doen dat lijnrecht in strijd is tegen zijnen aard,

niets anders bereikt wordt dan dien natuurlijken aanleg te verflauwen;

vaak zelfs behoudt men alleen de zwakheid van het karakter, zonder

de daarmede vroeger vereenigde kracht.

Vaak denkt men er niet eens zooveel bij en wordt men alleen tot zulk

eene handeling geleid, door het gedachteloos navolgen van den ouden

sleur, die leerde dat zelfverloochening het ideaal van den mensch

is. Men onderdrukt den lust tot onderzoek in zijn ondernemenden

geest; men kwetst zijn zoo bijzonder prikkelbaar gevoel voor 't

schoone; men oefent dwang uit op zijne meest persoonlijke uitingen,

zijne bewijzen van teederheid; men berispt zijn tegenzin en dempt

zijne geestdrift. Onder deze en dergelijke inbreuken op hunne

persoonlijkheid, op hunne bijzondere gevoelens en neigingen groeien

de kinderen, vooral de meisjes, tegenwoordig meest allen op. Daarom

is het waarlijk niet te verwonderen dat de volwassenen zelden op

hunne kindsheid terug zien als op een gelukkigen tijd.

Een krachtig bewustzijn van te leven, 't gevoel van volheid,

heelheid, veelzijdige krachtsontwikkeling, van willen en kunnen--dat

is geluk. Kinderen hebben dezelfde voorwaarden tot geluk, eigenlijk

meer nog dan volwassenen, want zij kunnen van dien levenslust meer

onverdeeld genieten. Men moest hen van deze mogelijkheid om gelukkig

te zijn vrij laten gebruik maken zoolang zij nog onder de leiding

hunner ouders staan en dezen macht over hen hebben. Maar al te spoedig

beginnen zij, op hun eigen handje proefnemingen te doen; geld te

verdienen, 't vermaak op te zoeken; en in dat gevaarlijke tijdperk

van het jonge leven blijkt geene opvoedingsmethode van grooter invloed

en van meer belang te zijn, dan deze: te zorgen dat het kind niet te

veel is opgevoed, zoodat het eigen krachten over heeft voor het rijke,

maar ernstige, leven dat hem wacht; dat wil zeggen: om 's levens lasten

te dragen; van zijne vreugde te genieten; zijn arbeid te verrichten;

zijn eigen oordeel te behouden; zich met hart en ziel toe te wijden

aan de hem opgelegde levenstaak;--dit toch is de groote en éenige

voorwaarde om gelukkig te kunnen leven, te beminnen en te sterven.

Er ligt een diepe waarheid in het oude gezegde: "Den kinderen

behoort het hemelrijk." Want geen onzer kan het hoogste bereiken,

zonder eenvoud, onbaatzuchtigheid en volharding, om zonder eenige

bijbedoeling alles dienstbaar te maken aan dat éene doel. Dit nu is

juist de groote kracht van het kinderhart. Heeft eene moeder door

hare opvoedende leiding die heilige kracht bewaard en tot bewustheid

ontwikkeld, dan heeft zij niet alleen een nieuw schepsel, maar een

nieuwe persoonlijkheid aan de maatschappij gegeven.

Maar de opvoeding, in huis en in de school, slaat tegenwoordig juist

de hier tegenovergestelde richting in. Het versplinteren van het

persoonlijk wezen en karakter is dien ten gevolge het groote kwaad

onzer eeuw.--

Maar de mensch is gelukkig een sterk gebouwd organisme. Zij, wier

persoonlijkheid door hunne opvoeding geknakt of onderdrukt werd,

kunnen zich toch uit die vernederende gebogen houding oprichten,

zichzelf baanbreken tot vrijheid van ontwikkeling, als zij zich van

de groote waarde dezer vrijheid helder bewust worden.

Weinige menschen, en onder dezen weinige vrouwen, kunnen op genialiteit

roemen. Maar al is ook slechts bij enkelen de kiem voor een groote

persoonlijkheid aanwezig, toch zouden de meesten wel een zekeren graad

van zelfstandigheid kunnen ontwikkelen, ook na een mislukte opvoeding,

als zij er zich met vollen ernst op toelegden.

Maar hiervoor is moed een eerste vereischte; moed en volharding.

Als het waar is dat "gebrek aan verstand gebrek is aan moed" dan is

dit nog meer waar ten opzichte van gebrek aan individualiteit.

Hier is al aanstonds eene der redenen gevonden waarom men onder

de vrouwen minder persoonlijke zelfbewustheid ontmoet dan onder

mannen. Een man is meer door-en-door ijverende voor zijne idée,

zijn doel waarvoor hij arbeidt; hij is meer intensief in zijn

weten en willen. Dien ten gevolge wordt hij vaak--juist als een

kind--éenzijdiger, zelfzuchtiger, maar tevens meer éen geheel vormende,

dan eene vrouw onder dezelfde omstandigheden wezen of worden zal.

Zij is, behalve in de liefde, zelden geheel van éen onderwerp

vervuld. Het valt haar dus minder moeilijk om het gevoelen van

anderen te ontzien en voorzichtig op alles en allen rondom haar te

letten. Zij is beweegelijker, meer gevoelig voor van buiten op haar

werkende indrukken, veelzijdiger en buigzamer dan de man--en hierin

ligt hare kracht. Maar evenzoo goed als bij den man, is deze gewonnen

ten koste van een daaraan gepaard gaand verlies. Want het evenwicht

in alle dingen te behouden is nu eenmaal zoo moeilijk voor ons,

menschenkinderen, dat eene deugd vaak niet de uitkomst is van eene

vermenigvuldiging-som, maar van een aftreksom.

De man is de bevoorrechte schepper van nieuwe gedachten en nieuwe

instellingen door zijn grooteren moed om 't gevaar te trotseeren,

door zijn krachtiger wil; de vrouw, het ligt in haren aard, blijft

meestal angstig volhouden met "hetgeen altijd zoo geweest is." Zij

waakt trouw niet alleen over de zeden, gebruiken en tradities van

eigen huis en haard, maar ook van de uit vroeger dagen overgeleverde

vormen en rechtsbegrippen in de maatschappij kan zij moeilijk afstand

doen. Nu is het duidelijk, dat deze algemeene vasthoudendheid aan het

eenmaal bestaande die in de natuur der vrouwen ligt, eene der grootste

hinderpalen moest vormen voor de ontwikkeling van het vrouwelijke

individu, op zich zelf staande.

Voor de persoonlijke zelfstandigheid van den man is het vaak moeilijk

om zich te ontwikkelen, doordien hij in den regel met verscheidene

anderen tezamen moet werken en aldus door partijzucht of kruiwagens,

door het vooruitzicht op bevordering of op andere voordeelen, in

zijne handelingen beperkt wordt.

De persoonlijkheid der vrouw wordt meer gekneld door het vasthouden aan

eenmaal gebruikelijke vormen en begrippen van zedelijkheid; door haar

conventioneel ideaal. Zij wil het groote onderscheid tusschen eene

zelfopofferende liefde van hooge waarde en eene zelfverloochening,

die in geen enkel opzicht iets beteekent, liever niet zien. Zij

wantrouwt haar eigen natuurlijk oordeel over goed en kwaad, zoodra

dit instinct haar ook slechts een haarbreedte zou doen afwijken, van

de gehuldigde en algemeen gebruikelijke vormen in de samenleving. Hem

die tegen een dergelijk begrip heeft gezondigd wil zij wel vergeven,

onder voorwaarde dat hij de wettigheid daarvan erkent; maar haar

oordeel is zonder mededoogen over den schuldige, die tegen het

principe handelde, omdat zijne opvattingen omtrent goed en kwaad,

niet met de nu eenmaal bestaande zienswijze overeenstemden. Zij

vermengt in haar vonnis temperament en beginselen, leer en leven,

op een treurige wijze door elkander en deze vermenging is de oorzaak

van alle geestelijke dwingelandij, van elke sociale onverdraagzaamheid.

Dit geldt vooral met het oog op de onderwerpen die de verhouding

tusschen de twee geslachten onderling raken. Hier staat namelijk ieder,

die eene van de gebruikelijke vormen afwijkende opvatting te kennen

geeft, eene opvatting die ook maar eenigszins in botsing komt met het

conventioneele vrouwelijke ideaal, bloot aan alles behalve vleiende

gevolgtrekkingen en grievende lasterpraatjes over zijn persoonlijk

leven. Van de zijde der vrouwen moest het waarlijk--althans wanneer er

sprake is van eene vrouw--wel worden bedacht, dat er niet slechts een

gloeiend geloof, maar ook een rein geweten vereischt wordt, voor den

moed om de samenleving in een van haar meest geliefde vooroordeelen

te trotseeren.

Het conventionalisme der vrouw bereikt zijn toppunt in het

gedachtelooze en gewetenlooze napraten, waardoor een aantal vrouwen

haar geestelijk peil verlagen, haar karakter bederven en ten slotte

haar eigen persoonlijkheid laten opgaan in die van iedereen.

Eene vrouw die op werkelijke beschaving aanspraak wil maken,

bewijst dit onder anderen, door het vermijden van elke geleende,

of geveinsde weelde. Zij vindt het verachtelijk om door den schijn

indruk te maken en daarom vermijdt zij in hare kleeding en huisraad

elke onechte versiering.

Maar diezelfde vrouw geeft kalm oordeel en opvatting die zij van

anderen napraat, voor echt uit. Zelfs al bezat zij die, zou zij toch

den moed niet hebben om een frissche, oorspronkelijke gedachte te

uiten; om blijk te geven van een warm, buiten den algemeenen regel

werkend, gevoel. Hare vervalschingen worden door andere napraatsters

van den eenen kring naar den anderen overgebracht. Hierdoor ontstaat

"de algemeene beoordeeling" van de meest kiesche vraagstukken des

levens, van de ernstige raadselen, waarvoor men de aanleiding zou

moeten kennen om ze ook maar uit de verte te verstaan. Hierdoor

worden schoone en edele daden in een twijfelachtig licht geplaatst en

vuige lasterpraatjes voor waarheid aangenomen. Aldus wordt de lucht

verontreinigd door de opstuivende zandkorrels waaronder het werk en

de eer van een medemensch begraven wordt.

Maar een op die wijze begraven werk, of goeden naam, kan nog worden

opgedolven. Alleen de lasteraars zelf lijden er ten slotte het

meeste door.

Want alles in de wereld hangt samen: het leven bestaat uit oorzaak

en gevolgen. Niemand leeft ongestraft uit de tweede hand. Wij kunnen

op intellectueel gebied onmogelijk vooruitdringen met het leengoed

van anderen, zonder hierdoor persoonlijk verlies te lijden aan

zedelijken inhoud. Wij waren heden onbillijk ten opzichte van een

boek, eene schilderij of een tooneelstuk, door dit te beoordeelen

met de woorden van een ander, die wij voor onze opvatting wilden

laten doorgaan; of omdat wij den moed niet hadden onze ingenomenheid

ermede te toonen, in geval "de critiek" hierover anders denkt: of

door eene verontwaardiging te veinzen, die wij geenszins gevoelden,

maar die anderen van ons verwachtten, in naam der mode of van het

fatsoen. Morgen zullen wij even onbillijk--laat ons zeggen even

oneerlijk--worden, tegenover een medemensch of tegenover onze eigen

overtuiging--en zulk eene onrechtvaardigheid, zulke valschheid kan

van grooten invloed worden op een geheel levenslot.

De slotsom van geestelijken rijkdom, van geestelijke waardecijfers,

vermindert natuurlijk, als wij verzuimen ons eigen cijfer erbij te

tellen. Dit moge groot zijn of klein, rijk of gering,--als wij het

zelf hebben gevoeld en gedacht, als het oorspronkelijk ons eigendom

is, beteekent het voor anderen oneindig meer, dan hetgeen wij slechts

napraten, ook al is onze zegsman eene autoriteit. In gevallen waarin

wij genoodzaakt zijn om ons op anderen, die meer weten dan wij,

te beroepen, dringt eerlijkheid en goede trouw er ons toe, onze

verplichting aan hunne meerdere kennis openlijk uit te spreken.

Ieder van ons mag zich slechts verheugen in een zeer klein gedeelte

der uitkomsten van beschaving en cultuur; zelden zijn wij in staat

over meer dan een enkel geval met zekerheid te oordeelen. Maar één

ding kunnen wij allen leeren: in te zien dat het een bewijs is van

beschaving, geen oordeel te geven over onderwerpen waarvan wij geen

verstand hebben. Laat de goede toon ons hiertegen doen waken; evenzoo

als men zich de weelde van juweelen te dragen ontzegt als men geen

echte steenen heeft, evenzoo moet men zich onthouden van een oordeel

over personen en zaken, waarover men niet door eigen aanschouwen

of kennismaking zelf oordeelen kan. Wanneer deze oprechtheid, dit

ronduit verklaren van onbevoegdheid om onze meening over dergelijke

onderwerpen of personen te zeggen, meer algemeen wordt beschouwd als

een bewijs van beschaving, dan zal de vrouwelijke cultuur in deze

richting eene bijna even groote schrede hebben gedaan, als toen de

vrouw als student op de universiteit werd toegelaten.

Want, naast de mogelijkheid om een ruimeren blik op vele dingen te

verwerven, staat op het gebied der ernstige ontwikkeling de gave om

te begrijpen hoe begrensd die blik nog is, de moed om openlijk te

bekennen, welke kennis ons ontbreekt.

Moed en oprechtheid--deze hoedanigheden zoeken wij helaas nog vaak

te vergeefs bij de vrouw; toch moeten juist deze toenemen, zal de

persoonlijkheid der vrouw groeien.

Dit groeien wordt niet bevorderd door het studeeren der jonge meisjes,

al nemen zij hare studie nog zoo ernstig op; ook niet door de een of

andere taak in de samenleving voor hare rekening te nemen, al brengt

deze een zeer groote mate van verantwoordelijkheid mede. Niets van

dit alles werkt gunstig op de geestelijke ontwikkeling van hare

persoonlijkheid, tenzij eigen onderzoek en eigen keuze dit middel

tot hare beschaving en haren arbeid inderdaad tot een organisch

gedeelte van haar eigen leven hebben doen worden. Die keuze, dat

onderzoek zijn dan de hoofdfactoren. De vrouwelijke persoonlijkheid

te ontwikkelen--van binnen uitgaande--dit is het groote vraagstuk

der vrouwenbeweging; haar vrij te doen worden van de hedendaagsche

nietsbeteekenende formules; haar moed te geven zich te toonen zooals

zij is, te bekennen wat zij niet is--ziedaar het groote en ernstige

doel van de zoo vaak verkeerd begrepen émancipatie der vrouw.

De moedige vrouw · 第 6 / 12 题