Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag steeg Raniero te
paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar daar overheen
had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de ijzeren
kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden worden. Hij
was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op een goed
paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn zadel
had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat de
vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero
reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles
goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om
Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed
voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam
gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de
dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog
mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero
was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde.
Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel langzaam voort,
ter wille van de kaarsvlam. Die brandde slecht, met een rood trillend
schijnsel, in den dikken nevel. Voortdurend kwamen er groote insecten,
die met klapperende vleugelslagen recht op de vlam afvlogen.
Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was
heel opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo
gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen.
Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de
kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero
ze met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt
was om uit te gaan.
Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het
paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit
het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat
hij met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die
manier gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de
tocht moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen
hij over de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel
opgetrokken. Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren
geen menschen of gehuchten of groene boomen en gewassen,--enkel
kale heuvels.
Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende
mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en
plundering leefden. Zij hadden achter een bergje gelegen en Raniero,
die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds omringd
hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf mannen,
ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero zag
dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep heen
te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen
kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de
fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo
spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen
uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen
hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het
hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde,
maar daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen
weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd,
als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen.
De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij met
het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen. Zij
namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn
geld. 't Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en de
beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen
zijn kaars niet uit.
Een van hen was op Raniero's paard gesprongen. Toen hij merkte hoe
goed dat was scheen hij een beetje medelijden met den ridder te
krijgen. Hij riep hem toe: "Zie eens, we zullen niet al te hard zijn
voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te rijden."
Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en stijf,
alsof het van hout was.
Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard
ging zitten, zei hij in zich zelf: "Ik moet betooverd zijn door die
kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden
als een dwaze bedelaar."
Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de
onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk
verlangen om het tòch te doen was over hem gekomen, dat hij den lust
niet kon weerstaan het door te zetten.
Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele
heuvels om zich heen.
Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten
hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht
hij in zich zelf: "Zouden ze aarde eten?"
De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem
door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen
zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij
snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was
zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens tegen een herder
verdedigen kon. Hij trok alleen de kaars wat dichter naar zich toe
om die te beschutten. De herder sloeg er nog een paar keer naar,
maar toen bleef hij verwonderd staan en hield op met slaan. Hij zag
dat Raniero's mantel in brand geraakt was, maar dat hij niets deed
om het vuur te stuiten, zoolang de vlam in gevaar was. Men kon aan
den herder zien, dat hij zich schaamde. Hij liep Raniero lang na, en
op een plaats, waar de weg heel smal was en tusschen twee afgronden
doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde het paard voor hem.
Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige
hield, die boete deed.
Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van
den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust
doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt
om daarheen te trekken. 't Waren pelgrims, die jaren lang op de
gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. 't Waren nieuw
aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen spoedden
met ladingen levensmiddelen.
Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam rijden,
met een brandende kaars in de hand, riepen ze: "Een gek, een gek!"
De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn
eigen taal: "pazzo, pazzo!" dat beteekent: "een gek, een gek!"
Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen, werd
hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen. Opeens
sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de roependen
te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen aankwamen
gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig alleen op
den weg.
Raniero kwam nu weer tot zichzelf. "Ze hadden wel gelijk toen ze je
"pazzo" noemden," zei hij tot zich zelf, terwijl hij naar de kaars
keek; want hij wist niet waar die gebleven was. Eindelijk zag hij,
dat die van den weg was afgerold in een greppel. De vlam was uit,
maar hij zag vuur glinsteren in een droog bosje gras daar dicht bij
en hij begreep dat het geluk hem gediend had, zoodat de kaars het
gras had kunnen aansteken vóór ze was uitgegaan.
"Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite geweest," dacht
hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in den zadel zette. Hij
was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet heel waarschijnlijk,
dat zijn tocht hem zou gelukken.
Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats, die
de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. 't Was een groote,
overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde plaatsen,
waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen kamers,
maar de menschen moesten bij de dieren slapen.
't Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch plaats
voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en een
middagmaal aan hun heer.
Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij: "Ik
begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan hebben
door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker gemakkelijker
door de wereld, als men mij voor een gek houdt."
Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos
stroo zitten, en hield de kaars in de handen. 't Was zijn bedoeling
niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was toch maar
nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk moe, hij
strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door tot
den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars,
hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens.
"Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan," zei hij. En hij
probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu voorbij was
en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had.
Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel
van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met
iets wat hij zich voorgenomen had.
Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het.
Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met
een brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: "Ik moest
u gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar
hier hebt gij ze weer."
Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: "Het was verstandig
van u dat gij ze uitgedaan hebt."
"Ik heb ze niet uitgedaan," zei de man, "ik zag dat ze brandde toen
gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang voor u was dat ze
zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze geworden is zult
gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand heeft."
Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed
verder in de beste stemming.