III.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag steeg Raniero te

paard. Hij was gekleed in volle wapenrusting, maar daar overheen

had hij een groven pelgrimsmantel geworpen, opdat de ijzeren

kleedingstukken niet al te zeer door de zon verhit zouden worden. Hij

was met een zwaard en strijdknots gewapend, en hij reed op een goed

paard. Hij hield een brandende kaars in de hand en aan zijn zadel

had hij een paar groote bossen lange kaarsen vastgemaakt, zoodat de

vlam niet zou behoeven uit te gaan door gebrek aan voedsel. Raniero

reed langzaam door de lange drukke rijen tenten en zoolang ging alles

goed. Het was nog zoo vroeg, dat de nevels, die uit de diepe dalen om

Jeruzalem heen opstegen, nog niet opgetrokken waren, en Raniero reed

voort als door een witten nacht. Het heele leger sliep en Raniero kwam

gemakkelijk voorbij de wachtposten. Geen van hen riep hem aan, want de

dichte nevel belette hun hem te zien, en op de wegen lag een voet hoog

mul stof, dat de hoefslagen van het paard onhoorbaar maakte. Raniero

was spoedig buiten het leger en nam den weg, die naar Joppe leidde.

Hij had nu een beteren weg, maar hij ging steeds heel langzaam voort,

ter wille van de kaarsvlam. Die brandde slecht, met een rood trillend

schijnsel, in den dikken nevel. Voortdurend kwamen er groote insecten,

die met klapperende vleugelslagen recht op de vlam afvlogen.

Raniero had de handen vol om die te beschermen, maar hij was

heel opgewekt en vond aldoor, dat wat hij op zich genomen had zoo

gemakkelijk was, dat een kind het wel had kunnen doen.

Intusschen werd het paard dat langzaam loopen moe. Toen begon de

kaarsvlam door den tocht te flikkeren. Het hielp niet, dat Raniero

ze met den mantel trachtte te beschutten. Hij zag dat zij op het punt

was om uit te gaan.

Maar hij had geen lust de zaak zoo gauw op te geven. Hij hield het

paard in en zat een poos stil na te denken. Hij sprong eindelijk uit

het zadel en probeerde er achterste voor op te gaan zitten, zoodat

hij met zijn lichaam de vlam voor wind en tocht beschutte. Op die

manier gelukte het hem die aan te houden, maar hij merkte nu, dat de

tocht moeilijker zou worden dan hij in het begin gedacht had. Toen

hij over de bergen gekomen was, die Jeruzalem omgeven, was de nevel

opgetrokken. Hij reed nu in de grootste eenzaamheid. Daar waren

geen menschen of gehuchten of groene boomen en gewassen,--enkel

kale heuvels.

Hier werd Raniero door roovers aangevallen; het waren losloopende

mannen, die zonder vergunning het leger volgden en van roof en

plundering leefden. Zij hadden achter een bergje gelegen en Raniero,

die achteruit reed, had ze niet gezien, voor ze hem reeds omringd

hadden en hun zwaarden tegen hem ophieven. Het waren twaalf mannen,

ze zagen er ellendig uit en reden op slechte paarden. Raniero zag

dadelijk, dat het hem niet moeilijk zou vallen zich door den troep heen

te slaan en weg te rijden. Maar hij begreep, dat hij dat niet doen

kon, zonder de kaars weg te werpen, en hij vond toch, dat hij na de

fiere woorden, die hij den vorigen nacht gesproken had, zich niet zoo

spoedig van zijn plan kon laten afbrengen. Hij zag dus geen anderen

uitweg dan een overeenkomst met de roovers te sluiten. Hij zei tegen

hen, dat daar hij zoo goed gewapend was en een flink paard bereed het

hun moeilijk vallen zou hem te overwinnen als hij zich verdedigde,

maar daar hij zich gebonden voelde door een gelofte, wilde hij geen

weerstand bieden, maar hen laten nemen wat zij wilden zonder strijd,

als zij maar beloofden zijn licht niet uit te blazen.

De roovers hadden een harden strijd verwacht. Zij waren heel blij met

het voorstel van Raniero, en begonnen hem dadelijk te plunderen. Zij

namen hem zijn wapenrusting en zijn paard af, zijn wapens en zijn

geld. 't Eenige wat ze hem lieten behouden was de grove mantel en de

beide bossen kaarsen. En ze hielden ook eerlijk hun woord en bliezen

zijn kaars niet uit.

Een van hen was op Raniero's paard gesprongen. Toen hij merkte hoe

goed dat was scheen hij een beetje medelijden met den ridder te

krijgen. Hij riep hem toe: "Zie eens, we zullen niet al te hard zijn

voor een Christen. Ge kunt mijn oud paard krijgen om op te rijden."

Dat was een ellendig oud dier. Het bewoog zich zoo langzaam en stijf,

alsof het van hout was.

Toen de roovers eindelijk weg waren en Raniero op dat oude paard

ging zitten, zei hij in zich zelf: "Ik moet betooverd zijn door die

kaarsvlam. Ter wille van dat lichtje moet ik nu over den weg rijden

als een dwaze bedelaar."

Hij begreep, dat hij wijs zou doen met om te keeren, omdat de

onderneming in werkelijkheid onuitvoerbaar was. Maar zulk een sterk

verlangen om het tòch te doen was over hem gekomen, dat hij den lust

niet kon weerstaan het door te zetten.

Hij trok dus verder. Voortdurend zag hij dezelfde kale, lichtgele

heuvels om zich heen.

Na een poos reed hij voorbij een jongen herder, die vier geiten

hoedde. Toen Raniero de dieren zag grazen op het naakte veld, dacht

hij in zich zelf: "Zouden ze aarde eten?"

De herder daar had waarschijnlijk een grooter kudde gehad, die hem

door de kruisvaarders afgestolen is. Toen hij nu een eenzaam Christen

zag rijden, trachtte hij hem zooveel kwaad te doen als hij kon. Hij

snelde op hem af en sloeg met zijn staf naar zijn kaars. Raniero was

zoo gebonden door de vlam, dat hij zich niet eens tegen een herder

verdedigen kon. Hij trok alleen de kaars wat dichter naar zich toe

om die te beschutten. De herder sloeg er nog een paar keer naar,

maar toen bleef hij verwonderd staan en hield op met slaan. Hij zag

dat Raniero's mantel in brand geraakt was, maar dat hij niets deed

om het vuur te stuiten, zoolang de vlam in gevaar was. Men kon aan

den herder zien, dat hij zich schaamde. Hij liep Raniero lang na, en

op een plaats, waar de weg heel smal was en tusschen twee afgronden

doorliep, kwam hij naar hem toe en leidde het paard voor hem.

Raniero lachte en dacht, dat de herder hem zeker voor een heilige

hield, die boete deed.

Tegen den avond kwam Raniero weer menschen tegen. Het gerucht van

den val van Jeruzalem was in den afgeloopen nacht al tot de kust

doorgedrongen, en een menigte menschen hadden zich gereedgemaakt

om daarheen te trekken. 't Waren pelgrims, die jaren lang op de

gelegenheid gewacht hadden om in Jeruzalem te komen. 't Waren nieuw

aangekomen troepen, en voor alles kooplieden, die zich er heen spoedden

met ladingen levensmiddelen.

Toen deze scharen Raniero tegenkwamen, die achteruit aan kwam rijden,

met een brandende kaars in de hand, riepen ze: "Een gek, een gek!"

De meesten waren Italianen, en Raniero hoorde hoe ze riepen in zijn

eigen taal: "pazzo, pazzo!" dat beteekent: "een gek, een gek!"

Raniero, die zich den heelen dag zoo goed had weten te bedwingen, werd

hevig verontwaardigd door deze, telkens weerkomende uitroepen. Opeens

sprong hij uit den zadel en begon met zijn harde vuisten de roependen

te tuchtigen. Toen de menschen voelden hoe zwaar de slagen aankwamen

gingen ze allen spoedig op de vlucht en hij stond spoedig alleen op

den weg.

Raniero kwam nu weer tot zichzelf. "Ze hadden wel gelijk toen ze je

"pazzo" noemden," zei hij tot zich zelf, terwijl hij naar de kaars

keek; want hij wist niet waar die gebleven was. Eindelijk zag hij,

dat die van den weg was afgerold in een greppel. De vlam was uit,

maar hij zag vuur glinsteren in een droog bosje gras daar dicht bij

en hij begreep dat het geluk hem gediend had, zoodat de kaars het

gras had kunnen aansteken vóór ze was uitgegaan.

"Dat was bijna een erbarmelijk eind van veel moeite geweest," dacht

hij, terwijl hij de kaars aanstak en zich weer in den zadel zette. Hij

was heel ootmoedig gestemd. Het scheen hem niet heel waarschijnlijk,

dat zijn tocht hem zou gelukken.

Tegen den avond kwam Raniero in Ramle aan en reed naar een plaats, die

de karavanen gewoonlijk voor nachtherberg gebruiken. 't Was een groote,

overbouwde plaats. Daar omheen waren met balken omheinde plaatsen,

waar de reizigers hun paarden konden zetten. Daar waren geen kamers,

maar de menschen moesten bij de dieren slapen.

't Was er overvol met menschen, maar de waard maakte toch plaats

voor Raniero en zijn paard. Hij gaf ook voer aan de dieren en een

middagmaal aan hun heer.

Toen Raniero merkte, dat hij zoo goed behandeld werd, dacht hij: "Ik

begin haast te gelooven, dat de roovers mij een dienst gedaan hebben

door mij mijn wapenrusting af te nemen. Ik kom zeker gemakkelijker

door de wereld, als men mij voor een gek houdt."

Toen Raniero zijn paard naar den stal leidde ging hij op een bos

stroo zitten, en hield de kaars in de handen. 't Was zijn bedoeling

niet te slapen; hij zou den heelen nacht waken. Raniero was toch maar

nauwelijks gaan zitten of hij sliep in. Hij was vreeselijk moe, hij

strekte zich in den slaap uit zoo lang hij was, en sliep door tot

den morgen. Toen hij wakker werd zag hij geen vlam en geen kaars,

hij zocht in het stroo naar de kaars, maar vond die nergens.

"Iemand moet ze weggenomen hebben en uitgedaan," zei hij. En hij

probeerde te gelooven, dat hij blij was, omdat alles nu voorbij was

en hij geen onmogelijke onderneming te volbrengen had.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat hij dit dacht, kreeg hij een gevoel

van leegte en gemis. Hij had nooit zooveel lust gehad te slagen met

iets wat hij zich voorgenomen had.

Hij bracht het paard naar buiten, roskamde en zadelde het.

Toen hij klaar was kwam de waard van de herberg naar hem toe met

een brandende kaars. Hij zei tegen hem in het frankisch: "Ik moest

u gister uw kaars afnemen, omdat gij in slaap gevallen waart, maar

hier hebt gij ze weer."

Raniero liet niets merken maar zei heel kalm: "Het was verstandig

van u dat gij ze uitgedaan hebt."

"Ik heb ze niet uitgedaan," zei de man, "ik zag dat ze brandde toen

gij hier kwaamt en ik meende, dat het van belang voor u was dat ze

zou blijven branden. Als gij ziet hoeveel kleiner ze geworden is zult

gij wel begrijpen, dat ze den heelen nacht gebrand heeft."

Raniero straalde van blijdschap, hij prees den waard zeer en reed

verder in de beste stemming.

Christuslegenden(#44506) · 第 26 / 28 题