Toen Raniero van Jeruzalem wegging was hij voornemens over zee van
Joppe naar Italië te gaan. Maar hij veranderde van besluit toen de
roovers hem zijn geld afgenomen hadden, en besloot over land te reizen.
Dat werd een lange reis; hij trok van Joppe noordwaarts naar de kust
van Syrië. Vandaar ging de reis naar 't westen langs het schiereiland
van Klein-Azië. Later weer naar het noorden heel tot Konstantinopel. En
van daar was het nog ver tot Florence.
Al dien tijd leefde Raniero van vrome giften. Meestal waren het de
pelgrims, die nu in menigte naar Jeruzalem stroomden, die hun brood
met hem deelden.
Hoewel Raniero bijna altijd alleen reed, werden zijn dagen toch niet
lang of eentonig. Hij moest aldoor op de kaarsvlam passen en hij was
daar nooit rustig over. Er was maar een windzuchtje noodig, of een
waterdroppel en alles was uit! Terwijl Raniero op eenzame wegen reed,
en er alleen maar aan dacht zijn vlam brandend te houden, schoot het
hem te binnen, dat hij vroeger nog eens zooiets had bijgewoond. Hij
had nog eens een mensch iets zien bewaken, dat even teer was als
een kaarsvlam. Dat stond hem in 't begin zoo flauw voor den geest,
dat hij zich afvroeg of 't ook iets was dat hij gedroomd had.
Maar terwijl hij zoo alleen door het land trok, kwam het hem
onophoudelijk voor, dat hij zooiets al eens beleefd had.
"Het is alsof ik mijn heele leven van niets anders gehoord heb,"
zei hij.
Op een avond reed Raniero een stad binnen. 't Was avond en de
huismoeders stonden in de deur en keken uit naar haar man. Raniero
zag toen een van haar, die lang en teer was en ernstige oogen had. Zij
herinnerde hem aan Francesca degli Uberti.
Op hetzelfde oogenblik werd het Raniero duidelijk waar hij over had
loopen denken. Hij dacht er aan, dat voor Francesca haar liefde als
een kaarsvlam geweest was, die ze brandend had willen houden, en dat
ze aanhoudend bang geweest was, dat Raniero die uit zou dooven. Hij
was verbaasd over die gedachte, maar hij werd er meer en meer van
overtuigd, dat het zoo was. Voor het eerst begon hij te begrijpen
waarom Francesca hem verlaten had, en dat het niet met wapenfeiten was,
dat hij haar zou terugwinnen.
De reis, die Raniero deed, werd heel lang. En niet het minst omdat
hij niet buiten wezen kon, wanneer het weer ongunstig was. Hij zat dan
in de herberg en paste op de kaarsvlam. Dat waren heel moeilijke dagen.
Op een dag, dat Raniero over den berg Libanon trok zag hij,
dat er een onweer begon op te komen; hij was toen hoog op den
berg tusschen vreeselijke afgronden en steilten, ver van iedere
menschenwoning. Eindelijk ontdekte hij op een rotspunt een Saraceensch
heiligengraf. 't Was een klein vierkant gebouwtje van steen, met
een gewelfd dak. Hij vond, dat het 't beste was, daar zijn toevlucht
te nemen.
Nauwelijks was Raniero daar binnen gekomen, of er barstte een
sneeuwstorm los, die twee dagen aaneen raasde. En tegelijk werd het
zoo vreeselijk koud, dat hij bijna doodgevroren was. Raniero wist,
dat er buiten op den berg veel rijs en takjes te vinden waren, zoodat
het niet moeilijk voor hem geweest zou zijn brandhout te verzamelen
en vuur aan te maken. Maar hij vond de kaarsvlam, die hij droeg,
heel heilig, en wilde er niets anders meê aanmaken dan kaarsen voor
't altaar van de Heilige Maagd.
't Onweer werd al erger en eindelijk hoorde hij den donder rollen en
zag hij de bliksemstralen.
En een bliksemstraal sloeg in op den berg dicht voor 't graf en stak
een boom in brand. En zoo kreeg Raniero zijn vuur aan zonder dat hij
het heilige licht hoefde te gebruiken.
Toen Raniero door een eenzaam gedeelte in een bergstreek in
Sicilië reed, raakten zijn kaarsen op. De bossen, die hij met zich
meegenomen had uit Jeruzalem, waren al lang verbruikt, maar hij had
zich toch kunnen redden, doordat er langs den heelen weg christelijke
gemeenten waren, waar hij om nieuwe kaarsen gebedeld had. Maar nu was
zijn voorraad op en hij dacht, dat nu wel het einde van zijn tocht
naderen zou.
Toen de kaars zoo ver opgebrand was, dat de vlam hem de hand
verbrandde, sprong hij van het paard en raapte takjes en dor gras op
en stak die aan met het laatste vlammetje. Maar er was niet veel op
dien berg, dat branden kon en het vuur zou spoedig opgebrand zijn.
Terwijl Raniero daar zat en er over treurde, dat de heilige vlam
sterven moest, hoorde hij gezang op den weg en een processie van
pelgrims kwam het pad op met kaarsen in de hand. Zij waren op weg
naar een grot waar een heilige geleefd had en Raniero ging meê. Onder
hen was een oude vrouw, die moeilijk liep en Raniero hielp haar den
berg op.
Toen zij hem later dankte, gaf hij haar een teeken, dat ze hem haar
kaars geven zou. En dat deed ze en ook vele anderen gaven hem de
kaarsen, die ze droegen.
Hij blies de kaarsen uit en spoedde zich 't pad af en stak een van de
kaarsen aan met het laatste vonkje van het vuur, dat met de heilige
vlam was aangemaakt.
Op een middag was het heel warm en Raniero was gaan liggen slapen in
een groep dichte struiken. Hij sliep vast en de kaars stond naast hem
tusschen een paar steenen, maar toen hij een poos geslapen had, begon
het te regenen en het duurde tamelijk lang eer hij wakker werd. Toen
hij eindelijk uit den slaap opsprong was de grond om hem heen nat,
en hij durfde nauwelijks naar de kaars zien uit angst, dat ze uit
zou zijn.
Maar de kaars brandde kalm en stil midden in den regen en Raniero zag
dat dit kwam doordat een paar vogeltjes een eind boven de vlam heen
en weer fladderden. Zij streelden elkaar met de snavels en hielden de
wiekjes uitgespreid, en zoo hadden zij de vlam voor den regen beschut.
Raniero nam dadelijk de muts op en hing die boven de vlam. Toen
strekte hij de hand uit naar de vogeltjes, want hij had lust ze
te streelen. En geen van beide vloog voor hem weg, maar hij kon ze
vangen. Raniero was er zeer verbaasd over, dat de vogels niet bang
voor hem waren maar hij dacht: "Dat is omdat ze weten, dat ik nergens
anders aan denk dan om het teerste, wat er is, te beschermen. Daarom
zijn ze niet bang voor mij."
Raniero reed in de richting van Nicea en ontmoette daar heeren uit
het westland, die een hulpleger aanvoerden naar het Heilige Land. In
die schaar bevond zich ook Robert Taillefer, die een ridder en
troubadour was.
Raniero kwam in zijn versleten mantel met de kaars in de hand
aanrijden, en de soldaten begonnen als gewoonlijk te roepen: "Een
gek! een gek!" maar Robert gebood stilte en sprak den ruiter aan:
"Hebt ge lang op deze wijze gereisd?" vroeg hij hem.
"Ik ben op deze manier van Jeruzalem gekomen," antwoordde Raniero.
"Is uw kaars dikwijls uit geweest onderweg?"
"Op mijn kaars brandt nog dezelfde vlam, als toen ik uit Jeruzalem
ging," antwoordde Raniero.
Toen sprak Robert Taillefer tot hem: "Ik ben ook een van hen, die een
vlam dragen, en ik wilde, dat die eeuwig brandde. Maar misschien kunt
gij, die uw licht brandende gehouden hebt heel van Jeruzalem hierheen,
mij zeggen wat ik doen moet, opdat die niet zal uitdooven."
Toen antwoordde Raniero: "Heer, dat is een zwaar werk, al lijkt het
ook onbeduidend. Want deze kleine vlam eischt van u, dat ge volkomen
zult ophouden met aan iets anders te denken. Ze staat u niet toe een
liefste te hebben, als ge dat soms wenschen zoudt, en ook moogt ge
ter wille van de vlam u niet neerzetten aan eenig drinkgelag.
"Ge moogt niet anders in uwe gedachten hebben dan deze vlam, en geen
vreugde smaken. Maar waarom ik u 't allermeest afraad denzelfden
tocht te maken, dien ik deed, is dat ge u geen oogenblik veilig
kunt voelen. Door hoeveel gevaren ge de vlam ook heengedragen hebt,
ge kunt u geen oogenblik zeker voelen, maar moet verwachten, dat het
volgend oogenblik de vlam u begeeft."
Maar Robert Taillefer hief fier het hoofd op en zei: "Wat ge voor uw
vlam gedaan hebt zal ik weten te doen voor de mijne."
Raniero was in Italië gekomen; hij reed op een dag op eenzame wegen
in de bergen. Toen kwam een vrouw hem hard achterna loopen en vroeg
hem even van zijn vlam vuur te mogen leenen. "'t Vuur is bij mij
uitgegaan," zei ze, "mijn kinderen hebben honger. Leen mij vuur,
zoodat ik mijn oven kan verwarmen en brood voor hen bakken."
Zij strekte de handen uit naar de kaars, maar Raniero hield die op een
afstand, want hij wilde niet toelaten, dat iets anders met die vlam
werd aangestoken dan de kaarsen voor het beeld van de Heilige Maagd.
Toen sprak de vrouw tot hem: "Geef mij vuur, pelgrim, want het leven
van mijn kinderen is de vlam die mij opgelegd is brandende te houden."
En ter wille van die woorden liet Raniero haar de pit van haar lamp
aansteken aan zijn vlam.
Eenige uren later reed Raniero een stad binnen. Die lag hoog op de
bergen, zoodat daar een felle kou heerschte. Een jonge boer stond op
den weg en zag den stumper, die daar in zijn versleten mantel kwam
aanrijden. Hij maakte snel de korte pelerine los, die hij droeg en
wierp ze den man, die daar op het paard zat, toe. Maar de pelerine
viel vlak op de kaars en doofde de vlam. Toen herinnerde Raniero zich
de vrouw, die vuur van hem geleend had. Hij ging naar haar terug en
stak zijn kaars opnieuw aan het heilige vuur aan.
Toen hij verder zou rijden, zei hij tot haar: "Gij zegt, dat de vlam
die gij te bewaken hebt, het leven van uw kinderen is. Kunt ge mij
zeggen welken naam de vlam draagt, die ik op verre wegen gedragen heb?"
"Waar werd uw vlam aangestoken?" vroeg de vrouw.
"Die werd aangestoken op het graf van Christus," zei Raniero.
"Dan kan ze niet anders genoemd worden dan zachtheid en
menschenliefde," zei de vrouw.
Raniero lachte om dat antwoord. Hij vond zich zelf een zonderlinge
apostel voor zulke deugden.
Raniero reed voort tusschen schoongevormde blauwe heuvelen. Hij zag,
dat hij in de nabijheid van Florence was.
Hij dacht er aan, dat hij nu spoedig van die zorg voor de kaarsvlam
af zou zijn. Hij dacht aan zijn tent in Jeruzalem die hij, vol buit,
verloren had en aan de dappere krijgslieden, die hij in Palestina
had achtergelaten en die er zich op zouden verheugen, dat hij
het oorlogsbedrijf weer ter hand zou nemen en hen aanvoeren naar
overwinningen en veroveringen.
Toen merkte Raniero, dat hij in 't geheel geen vreugde voelde bij die
herinnering, maar dat zijn gedachten liever een andere richting namen.
Raniero zag toen voor het eerst in, dat hij niet meer dezelfde man was,
die van Jeruzalem wegtrok. Deze rit met de kaarsvlam had hem gedwongen,
zich te verheugen over allen, die vreedzaam en wijs en barmhartig
waren, en de woesten en strijdlustigen te verafschuwen. Hij voelde
blijdschap, zoovaak hij dacht aan menschen, die vredig in hun huizen
arbeidden en het viel hem in, dat hij graag zijn oude werkplaats
in Florence weer betrekken zou om fraaie en kunstige werken te
maken. "Voorwaar, die vlam heeft mij geheel veranderd," dacht hij,
"ik geloof dat die mij tot een ander mensch gemaakt heeft."