Den nacht, na den dag, dat Jeruzalem veroverd was, heerschte er groote
vreugd in het leger der kruisvaarders buiten de stad.
Bijna in iedere tent werd een drinkgelag gehouden, en ver in 't rond
hoorde men gedruisch en gejoel.
Raniero di Ranieri zat ook met eenige krijgsmakkers te drinken en
bij hem ging het bijna nog wilder toe dan ergens anders. De dienaren
konden nauwlijks de bekers vullen, voor ze opnieuw geledigd waren.
Maar Raniero had alle reden om een groot feest te vieren, want hij
had dien dag grooter eer behaald dan ooit te voren.
Dien morgen, toen de stad bestormd werd, was hij de eerste geweest,
die de muren beklommen had, na Godfried van Bouillon. En op dien
avond was hem eer bewezen om zijn dapperheid voor het heele leger.
Toen plundering en moord voorbij waren en de kruisvaarders in
boethemden en met onaangestoken waskaarsen in de hand, in de Kerk
van het Heilige Graf getrokken waren, was hem namelijk door Godfried
aangezegd, dat hij de eerste wezen zou, die zijn licht mocht aansteken
aan de heilige vlammen, die voor het graf van Christus brandden. Toen
meende Raniero, dat Godfried hem op die wijze toonen wilde, dat hij
hem voor den dapperste in het heele leger aanzag, en hij was zeer
verheugd over de wijze, waarop hij voor zijn dapperheid beloond werd.
Laat in den nacht, toen Raniero en zijn gasten in de beste luim
waren, kwamen een nar en een paar muzikanten, die door het heele kamp
rondgeloopen en de menschen met hun invallen vermaakt hadden, in de
tent van Raniero, en de Nar vroeg om toestemming om een vermakelijk
verhaal te doen.
Raniero wist, dat die nar heel bekend was om zijn vroolijkheid,
en hij beloofde naar zijn vertelling te luisteren.
"Het gebeurde eens," zei de Nar, "dat Onze Lieve Heer en de heilige
Petrus een heelen dag in den hoogsten toren op den burg in het Paradijs
gezeten en naar de aarde gekeken hadden. Zij hadden zooveel gehad
om op te letten, dat ze nauwlijks tijd hadden gehad een woord te
wisselen. Onze Lieve Heer had al dien tijd heel stil gezeten, maar
de heilige Petrus had nu eens in de handen geklapt van blijdschap,
en dan weer met afschuw het hoofd gewend; nu eens had hij gejubeld
en gelachen, en dan weer had hij geschreid en gejammerd.
Eindelijk, toen de dag ten einde liep, en de avondschemering over het
Paradijs daalde, wendde Onze Lieve Heer zich tot den heiligen Petrus
en zei, dat hij nu wel blij en tevreden moest zijn.
"Waar zou ik tevreden mee zijn?" vroeg de heilige Petrus heftig.
"Nu," zei Onze Lieve Heer zachtmoedig, "ik dacht, dat je blij zou
zijn met wat je vandaag gezien hadt."
Maar de heilige Petrus wilde zich niet zachter laten stemmen.
"Het is waar," zei hij, "dat ik er jaren lang over geklaagd heb,
dat Jeruzalem in de macht van de ongeloovigen was, maar na wat er
vandaag gebeurd is, dunkt mij, dat het evengoed had kunnen blijven
zooals het was."
Raniero begreep nu, dat de Nar spreken wou over wat er in den loop
van den dag gebeurd was. Hij en de andere ridders begonnen met grooter
belangstelling te luisteren dan in het begin.
"Toen de heilige Petrus dit gezegd had," ging de Nar voort, terwijl
hij een listigen blik op de ridders wierp, "boog hij zich over de
tinnen van den toren en wees naar de aarde. Hij liet Onzen Lieven
Heer een stad zien, liggend op een groote eenzame rots, die uit een
bergdal naar boven stak.
"Ziet Ge die hoopen lijken daar," zei hij; "en ziet Ge het bloed, dat
op die straten stroomt en ziet Ge de naakte, ellendige gevangenen,
die jammeren over den kouden nacht? En ziet Ge al die rookende
brandhoopen?"
Onze Lieve Heer scheen niets te willen antwoorden.
Maar Petrus ging voort met zijn gejammer. Hij zei, dat hij wel dikwijls
boos geweest was op die stad daar, maar zóó veel kwaad had hij haar
nooit toegewenscht, dat zij 't zoo slecht hebben zou.
Toen antwoordde Onze Lieve Heer eindelijk en trachtte een tegenwerping
te maken.
"Je kunt toch niet ontkennen, dat de Christenridders hun leven gewaagd
hebben met de grootste onverschrokkenheid."
Hier werd de Nar in de rede gevallen door betuigingen van bijval,
maar hij haastte zich met verder vertellen.
"Neen, stoor me niet," zei hij, "nu weet ik niet meer waar ik gebleven
ben. O ja, 't is waar, ik wou juist zeggen, dat de heilige Petrus een
paar tranen afdroogde die in zijn oogen kwamen en die hem beletten te
zien. "Ik had nooit kunnen denken dat ze zulke wilde dieren waren,"
zei hij. "Ze hebben den heelen dag gemoord en geplunderd. Ik begrijp
heelemaal niet, dat Gij lust hadt U te laten kruisigen om zulke
volgelingen te krijgen."
De ridders namen die scherts goed op. Ze begonnen luid en vroolijk te
lachen. "Wel zoo! is de heilige Petrus zoo boos op ons, Nar?" riepen
ze.
"Houdt je nu stil en laat ons hooren of Onze Lieve Heer ons niet
verdedigt," zei een ander.
"Neen, Onze Lieve Heer zweeg vooreerst maar," zei de Nar.
"Hij wist van ouds, dat als de heilige Petrus zoo aan den gang was,
het niets hielp als hij tegengesproken werd. Hij praatte maar door, en
zei, dat Onze Lieve Heer nu niet zeggen moest, dat ze eindelijk er aan
dachten in welke stad ze waren, en naar de kerk gingen in boethemden
en op bloote voeten. Die godsdienstoefening duurde niet zoo lang,
dat het de moeite waard was er over te praten. En daarop boog hij
zich nog eens neer over de tinnen van den toren en wees naar beneden
naar Jeruzalem. Hij wees op het leger van de Christenen buiten de
stad. "Ziet Gij nu hoe Uw ridders hun overwinning vieren?" vroeg hij.
"En Onze Lieve Heer zag, dat er overal in 't leger een drinkgelag
gehouden werd. Ridders en krijgsknechten zaten naar Syrische
danseressen te kijken. Gevulde bekers gingen rond; met dobbelsteenen
verspeelde men den buit en...."
"Men luisterde naar Narren, die domme verhalen deden," viel Raniero
in. "Was dat ook niet een groote zonde?"
De Nar lachte en knikte Raniero toe alsof hij zeggen wilde: "Wacht
maar, dat zal ik je wel betaald zetten."
"Neen, val me nou niet in de rede," verzocht hij weer. "Een arme Nar
vergeet zoo licht wat hij zeggen wou. O ja, dit was het: "De heilige
Petrus vroeg Onzen Lieven Heer met zijn strengste stem, of Hij veel
eer behaalde met dat volk daar. En hierop moest Onze Lieve Heer wel
antwoorden, dat hij dat niet zeggen kon.
"Ze waren roovers en moordenaars, eer ze van huis gingen," zei
de heilige Petrus, "en roovers en moordenaars zijn ze nog op dezen
dag. Dit werk hadt Ge evengoed ongedaan kunnen laten, daar komt niets
goeds van terecht."
"Nar, Nar," zei Raniero waarschuwend. Maar de Nar scheen er een eer
in te stellen te probeeren hoe ver hij gaan kon, zonder dat iemand
opvloog en hem de deur uitgooide, en hij ging onvervaard voort.
"Onze Lieve Heer boog het hoofd als iemand, die erkent dat hij met
recht bestraft wordt, maar in 't volgend oogenblik boog Hij zich
haastig voorover en zag nog oplettender naar beneden dan vroeger.
"De heilige Petrus keek toen ook naar beneden. "Waar ziet Ge
naar?" vroeg hij verwonderd."
De Nar vertelde dit met een zeer levendige mimiek. Alle ridders zagen
Onzen Lieven Heer en Petrus voor zich, en ze waren nieuwsgierig wat
Onze Lieve Heer in 't oog gekregen had.
"Onze Lieve Heer antwoordde, dat 't niets bijzonders was," zei de Nar,
"maar Hij bleef toch steeds naar beneden kijken. De heilige Petrus
volgde de richting van Zijn blikken en hij kon niets anders zien
dan dat Onze Lieve Heer naar een groote tent zat te kijken, waar
buiten een paar Saracenenkoppen op lange lansen stonden en waar een
menigte prachtige matten, gulden bokalen en kostbare wapens, die uit
de heilige stad waren weggenomen, lagen opgestapeld. In die tent ging
het op dezelfde wijze toe als overal elders in het leger. Daar zaten
scharen ridders en ledigden de bekers. 't Eenige verschil was, dat er
daar meer gedruisch was en meer gedronken werd dan ergens anders. De
heilige Petrus kon niet begrijpen waarom Onze Lieve Heer zoo blij was
toen Hij daarheen keek, dat de vreugd in Zijn oogen schitterde. Zooveel
strenge en schrikwekkende gezichten als hij daar bijeen zag, meende
hij nooit te voren om een feestdisch bijeen gezien te hebben. En
hij, die gastheer was op dit feest, was de vreeselijkste van allen,
't Was een man van vijfendertig jaar, vreeslijk groot en grof,
met een koperrood gezicht, doorsneden met litteekens en schrammen,
met harde vuisten en sterke, luidruchtige stem."
Hier hield de Nar een oogenblik op, alsof hij bang was om verder te
gaan, maar Raniero en de anderen vonden het wel aardig om hem over
henzelf te hooren spreken en zij lachten maar om zijn onbescheidenheid.
"Je bent een brutale kerel," zei Raniero, "laat ons nu eens hooren
waar je heen wilt."
"Eindelijk zei Onze Lieve Heer iets," ging de Nar voort, "dat maakte,
dat de heilige Petrus begreep waarom Hij zoo blij was. Hij vroeg den
heiligen Petrus of hij goed zag, of het werkelijk zoo was, dat een
van de ridders een brandende kaars naast zich had."
Raniero voelde een schok door de leden bij deze woorden. Hij werd
nu eerst recht boos op den Nar en strekte de hand uit naar een zware
wijnkan om hem die in 't gezicht te werpen, maar hij bedwong zich om
te hooren of wat die kerel daar zei hem tot eer of oneer zou strekken.
"De heilige Petrus zag nu," vertelde de Nar, "dat hoewel de tent
overigens door fakkels verlicht was, een van de ridders een brandende
kaars naast zich had. 't Was een groote dikke kaars, een die er op
berekend was een dag en een nacht te branden. De ridder, die geen
kandelaar had om ze in te zetten, had een massa steenen bij elkaar
gezocht en er omheen gelegd om ze overeind te houden."
't Gezelschap barstte in luid lachen uit bij deze woorden. Allen wezen
op een kaars, die naast Raniero op tafel stond en die heelemaal zoo was
als de Nar beschreven had. Maar Raniero steeg het bloed naar het hoofd,
want dit was de kaars, die hij een paar uur geleden aan het Heilige
Graf had aangestoken. Hij had 't niet over zich kunnen verkrijgen,
die uit te laten gaan.
"Toen de heilige Petrus die kaars daar zag," zei de Nar, "werd het
hem natuurlijk duidelijk waar Onze Lieve Heer blij om was, maar toch
kon hij niet laten een beetje medelijden met Hem te hebben."
"Nu ja," zei hij, "dat is die ridder, die vanmorgen op den muur sprong
na den Heer van Bouillon en die vanavond zijn kaars vóór alle anderen
mocht aansteken aan het Heilige Graf."
"Ja, zoo is het," zei Onze Lieve Heer, "en zooals je ziet, heeft hij
zijn kaars nog aan."
De Nar sprak nu heel snel, terwijl hij telkens een loerenden blik op
Raniero wierp: "De heilige Petrus kon maar steeds niet laten een beetje
medelijden met Onzen Lieven Heer te hebben. "Kunt Ge niet begrijpen
waarom hij die kaars nog aan heeft?" zei hij. "Ge meent zeker, dat
hij aan Uw lijden en dood denkt, als hij er naar kijkt. Maar hij
denkt aan niets anders dan aan de eer, die hij won toen hij erkend
werd als de dapperste in 't leger naast Godfried van Bouillon."
Bij deze woorden lachten alle gasten van Raniero. Raniero was heel
boos, maar hij dwong zich om meê te lachen. Hij wist, dat allen
het dwaas zouden vinden, als hij een beetje scherts niet had kunnen
verdragen.
"Maar Onze Lieve Heer sprak Petrus tegen," zei de Nar. "Zie je niet
hoe bang hij voor die kaars is?" vroeg Hij. "Hij houdt de hand voor
de vlam, zoodra iemand de tent uit of in gaat, uit angst dat ze
uitwaaien zal. En hij is aldoor bezig de nachtvlinders weg te jagen,
die er omheen vliegen en dreigen ze uit te blazen."
Men lachte al luider, want wat de Nar zei was de zuivere
waarheid. Raniero had steeds meer moeite zich te bedwingen. Hij
voelde, dat hij niet verdragen kon, dat iemand over de heilige
kaarsvlam schertste.
"De heilige Petrus was nog wantrouwend," ging de Nar voort. "Hij
vroeg Onzen Lieven Heer of hij dien ridder wel kende, "hij hoort
juist niet tot hen, die dikwijls naar de mis gaan of het bidbankje
verslijten." zei hij.
Maar Onze Lieve Heer liet zich niet overtuigen. "Heilige Petrus,
heilige Petrus," zei hij. "Onthoud nu, dat die ridder daar vromer
dan Godfried worden zal. Van waar zal zachtheid en vroomheid uitgaan
als 't niet van mijn graf is? Ge zult zien hoe Raniero weduwen en
noodlijdende gevangenen helpt. Ge zult hem zieken en bedroefden zien
verzorgen, zooals hij nu de heilige kaarsvlam verzorgt."
Hierom lachte men uitbundig. Dat kwam allen, die Raniero's karakter
en levenswijze kenden, zoo vermakelijk voor. Maar hij zelf vond èn
die scherts èn dat lachen onverdraaglijk. Hij vloog op en wilde den
Nar terechtwijzen en daarbij stootte hij zoo heftig tegen de tafel,
die niet anders was dan een deur, die op een paar schragen gelegd was,
dat die wankelde, en de kaars omviel. Toen bleek het hoe Raniero er
op gesteld was, de kaars brandende te houden. Hij bedwong zijn toorn,
zoodat hij den tijd nam ze op te nemen en de vlam weer aan te wakkeren,
eer hij op den Nar aanliep. Maar toen hij met de kaars klaar was,
had de Nar de tent al verlaten en Raniero begreep, dat het de moeite
niet loonen zou hem in het duister van den nacht te vervolgen. "Ik zal
hem op een anderen keer wel krijgen," dacht hij, en ging weer zitten.
De gasten hadden intusschen uitgelachen en een van hen wendde zich tot
Raniero en wilde de scherts voortzetten: "Er is toch één ding wat zeker
is, Raniero, en dat is, dat je dezen keer niet het kostbaarste wat je
in den strijd gewonnen hebt, naar de Madonna in Florence kunt sturen."
Raniero vroeg waarom hij meende, dat hij dezen keer zijn oude gewoonte
niet volgen zou.
"Nergens anders om," zei de ridder, "dan dat het kostbaarste wat je
gewonnen hebt die kaarsvlam daar is, die je onder de oogen van het
heele leger in de kerk van het Heilige Graf hebt aangestoken. En die
kun je toch niet naar Florence zenden."
Weer lachten de andere ridders, maar Raniero was nu in een stemming,
dat hij het onmogelijkste gedaan zou hebben om aan hun lachen een
eind te maken. Hij nam een snel besluit, riep een ouden wapendrager
en zei tot hem: "Maak je gereed, Giovanni, voor een groote reis,
morgen moet je naar Florence met de heilige kaarsvlam."
Maar de wapendrager antwoordde knorrig "neen" op dit bevel. "Dat is
iets wat ik niet op mij nemen wil," zeide hij. "Hoe zou het mogelijk
zijn naar Florence te reizen met een kaarsvlam? Die zou uit zijn,
voor ik buiten de legerplaats was."
Raniero vroeg den een na den ander van zijn mannen. Hij kreeg van
allen hetzelfde antwoord; zij schenen zijn bevel niet eens ernstig op
te nemen. Het was natuurlijk, dat de vreemde ridders die zijn gasten
waren, al luider en vroolijker begonnen te lachen, toen het bleek,
dat geen van Raniero's mannen zijn bevel wilde uitvoeren. Raniero
geraakte in de hevigste opgewondenheid. Eindelijk verloor hij zijn
geduld en riep uit: "Die kaarsvlam zal toch naar Florence gebracht
worden en nu niemand dat aandurft zal ik het zelf doen."
"Bedenk u wel voor gij zooiets belooft," zei een ridder, "gij laat
hier een vorstendom achter."
"Ik zweer u, dat ik die kaarsvlam naar Florence zal brengen," riep
Raniero, "ik zal doen wat niemand anders heeft aangedurfd."
De oude wapendrager verdedigde zich: "Heer, voor u is het iets anders,
gij kunt een groot gevolg meenemen, maar mij wildet gij alleen zenden."
Maar Raniero was buiten zichzelf en overwoog zijn woorden niet. "Ik
zal ook alleen reizen," zei hij.
Maar hiermee had Raniero zijn doel bereikt. Allen in de tent hadden
met lachen opgehouden; zij zaten hem verschrikt aan te staren.
"Waarom lach jelui niet meer?" vroeg Raniero. "Die onderneming is
maar een kinderspel voor een dapper man."