Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een republiek geworden
was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri heette. Hij was de
zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk geleerd, maar hij
hield er niet veel van om het uit te oefenen.
Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij
een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een
zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen
van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis,
waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven
te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond,
brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in
te storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak
de armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was
balken en stutten te halen, om het te steunen.
Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit
in Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon
krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep
hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan,
waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht
hij evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij
vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met
zijn tegenstanders.
Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar bestond
grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden niet
beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke mannen
genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij stelden er
een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan ergens anders.
Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren
was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde,
en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen
zou zijn.
Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard
voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou
mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene
litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in 't besluiten,
en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets ruws.
Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti,
een wijs en machtig man.
Jacopo had niet veel lust om zijn dochter aan zoo'n vechtersbaas als
Raniero te geven; en had zich lang tegen het huwelijk verzet. Francisca
had hem gedwongen toe te geven, door te zeggen, dat ze nooit met
iemand anders zou trouwen. Toen Jacopo eindelijk zijn toestemming
gaf, had hij tegen Raniero gezegd: "Ik meen opgemerkt te hebben,
dat mannen als gij de liefde van een vrouw gemakkelijker winnen dan
die behouden. Daarom moet ge mij beloven, dat, als mijn dochter het
zoo moeilijk bij u krijgt, dat zij naar mij wil terugkeeren, ge het
haar niet beletten zult."
Francisca zei, dat het onnoodig was zooiets te beloven, omdat ze
Raniero zoo liefhad, dat niets hem van haar zou kunnen scheiden. Maar
Raniero gaf die belofte dadelijk. "Daar kunt ge zeker van zijn,
Jacopo," zei hij; "dat ik nooit een vrouw zal terughouden, die van
mij weg wil."
Francisca ging nu bij Raniero inwonen, en alles was goed tusschen hen
beiden. Toen ze eenige weken getrouwd waren, kreeg Raniero den inval,
dat hij zich in het schijfschieten zou oefenen. Hij schoot eenige
dagen op een bord, dat hij aan den muur hing. Hij was spoedig geoefend
en trof iederen keer het doel. Eindelijk wilde hij eens probeeren op
een moeilijker doel te schieten.
Hij keek rond naar iets geschikts, maar ontdekte niets dan een kwartel,
die in een kooi boven de deur van de plaats zat. De vogel behoorde
aan Francisca, en zij hield heel veel van het dier. Maar Raniero zond
toch een knecht om de kooi open te maken, en schoot den kwartel toen
hij opvloog, in de lucht.
Dat vond hij een mooi schot en hij beroemde er zich op bij iedereen,
die het maar hooren wilde.
Toen Francisca hoorde, dat Raniero haar vogel doodgeschoten had,
werd zij bleek en zag hem verbaasd aan. Het verwonderde haar, dat hij
iets had willen doen, dat haar verdriet moest doen, maar zij vergaf
het hem spoedig en had hem even lief als tevoren.
Alles ging nu een poos weer goed.
De schoonvader van Raniero, Jacopo, was linnenwever. Hij had een groote
werkplaats, waar veel werk verricht werd. Raniero meende ontdekt te
hebben, dat er hennep door het vlas gemengd was in Jacopo's werkplaats
en hij verzweeg dit niet, maar sprak er hier en daar in de stad over.
Eindelijk hoorde ook Jacopo die praatjes en hij trachtte ze dadelijk
te stuiten. Hij liet door verscheidene andere linnenwevers zijn
garen en weefstoelen onderzoeken, en zij vonden, dat het alles van
het fijnste vlas was. Alleen in een pak, dat bestemd was om buiten
Florence verkocht te worden, vonden ze eenig mengsel. Jacopo zei toen,
dat dit bedrog gepleegd was buiten zijn weten door eenige van zijn
knechten, maar hij begreep spoedig, dat hij dat den menschen moeilijk
kon laten gelooven.
Hij had altijd een buitengewoon goeden naam gehad wat eerlijkheid
betreft, en hij leed er onder, dat zijn eer was aangetast. Raniero
daarentegen pochte er op, dat hij een bedrog ontdekt had en hij blufte
er ook op, als Francisca het hoorde.
Zij voelde een groote droefheid en tegelijk dezelfde verbazing,
als toen hij den vogel schoot. Terwijl ze daaraan dacht was het haar
plotseling, alsof ze haar liefde voor zich zag liggen als een groot
stuk schitterend goudbrocaat. Zij zag hoe groot en hoe glanzend het
was. Maar van een hoek was een stuk afgeknipt, zoodat het niet zoo
groot en heerlijk meer was als het vroeger geweest was.
Toch was het nog zoo weinig beschadigd, dat ze dacht: "Er is nog wel
genoeg zoolang ik leef. Het is zoo groot, dat het nooit op kan raken."
Weer ging een tijd voorbij, waarin zij en Raniero even gelukkig waren
als in het eerst.
Francisca had een broeder, die Teddeo heette. Die was naar Venetië
geweest voor handelszaken. Daar had hij kleeren gekocht van zij en
fluweel, en toen hij thuis kwam, liep hij daarmee te pronken. Maar
in Florence was het geen gewoonte zich kostbaar te kleeden, zoodat
er velen waren, die met hem spotten.
Op een nacht waren Teddeo en Raniero in een herberg. Teddeo was
gekleed met een groenen mantel met sabel gevoerd en een violet buis.
Raniero verleidde hem nu om zooveel wijn te drinken dat hij in slaap
viel, nam toen zijn mantel en hing dien om een vogelverschrikker,
die tusschen de kool stond.
Toen Francisca dit hoorde, werd zij weer boos op Raniero en op
hetzelfde oogenblik zag zij het groote stuk goudbrocaat weer voor zich
en het was haar, als zag zij het kleiner worden, doordat Raniero het
eene stuk na het andere afknipte.
Na dien tijd werd het weer goed tusschen die beiden; maar Francisca was
niet meer zoo gelukkig als vroeger. Want zij verwachtte voortdurend,
dat Raniero het een of ander doen zou, dat haar liefde zou kunnen
schaden.
Dit liet ook niet lang op zich wachten, want Raniero kon zich nooit
rustig houden. Hij begeerde ook, dat de menschen altijd over hem
zouden praten en zijn moed en onverschrokkenheid prijzen.
Op de domkerk, die vroeger in Florence was en die veel kleiner is
dan de tegenwoordige, hing heel in de hoogte op den eenen toren een
groot zwaar schild, dat daar gebracht was door een van Francisca's
voorvaderen. Het was het zwaarste schild, dat eenig man in Florence
had kunnen dragen en allen in de familie Uberti waren er trotsch op,
dat een van hen in den toren had kunnen klimmen en het daar ophangen.
Maar nu klom Raniero op een dag naar het schild, hing het op den rug,
en kwam er mee naar beneden.
Toen Francisca dat hoorde, sprak zij voor het eerst met Raniero over
wat haar hinderde en ze vroeg hem, dat hij toch niet op die manier
zou trachten het geslacht te vernederen, waartoe zij behoorde.
Raniero, die verwacht had, dat ze hem zou prijzen voor zijn moed,
werd heel boos. Hij antwoordde, dat hij al lang gemerkt had, dat ze
zich niet verheugde in zijn voorspoed, maar alleen aan haar eigen
familie dacht.
"Ik denk aan iets anders," zei Francisca; "en dat is mijn liefde; ik
weet niet hoe het daarmee gaan moet, als je op die manier voortgaat."
Hierna kwamen ze er dikwijls toe, booze woorden te wisselen, want
Raniero deed bijna altijd juist dat wat Francisca het minst van al
kon verdragen.
Op Raniero's werkplaats was een knecht, die klein en mank was. Die man
had Francisca liefgehad vóór ze trouwde. En hij bleef haar liefhebben
ook na haar huwelijk.
Raniero, die dat wist, begon den gek met hem te steken, vooral als
ze aan tafel zaten. En eindelijk ging het zoo ver, dat de man, die
niet verdragen kon belachelijk gemaakt te worden in het bijzijn van
Francisca, op een dag op Raniero aanvloog en met hem wilde vechten.
Maar Raniero lachte hoonend en schopte hem op zij.
Toen meende de stumperd, dat hij niet langer leven kon. Hij ging weg
en hing zich op.
Toen dat gebeurde waren Raniero en Francisca zoowat een jaar
getrouwd. Het was Francisca aldoor als zag ze haar liefde voor zich als
een schitterend stuk goudbrocaat, maar aan alle zijden waren er stukken
afgesneden, zoodat het nauwlijks half zoo groot was als in den beginne.
Zij schrikte hevig toen zij dit zag en ze dacht: "Als ik nog een jaar
bij Raniero blijf, zal hij mijn liefde vernielen. Ik word nog even
arm als ik vroeger rijk geweest ben."
Toen besloot ze Raniero's huis te verlaten en bij haar vader te gaan
wonen, opdat de dag niet komen zou, dat ze Raniero even sterk zou
haten als ze hem nu liefhad.
Jacopo degli Uberti zat bij zijn weefgetouw met al zijn knechten om
zich heen te werken, toen hij haar zag aankomen.
Hij zag, dat nu gebeurd was wat hij zoo lang verwacht had, en heette
haar welkom. Hij liet dadelijk al zijn volk ophouden met werken,
en beval hun zich te wapenen en het huis te sluiten.
Later ging Jacopo naar Raniero. Hij trof hem op de werkplaats.
"Mijn dochter is vandaag bij mij teruggekomen en heeft mij gevraagd,
of ze weer onder mijn dak mag wonen," zei hij tot zijn schoonzoon,
"en nu verwacht ik, dat ge haar niet dwingt tot u terug te komen,
volgens de belofte, die ge mij gedaan hebt."
Raniero scheen dit niet heel ernstig op te nemen. Hij antwoordde
heel kalm:
"Al had ik u ook niets beloofd, zou ik toch nooit een vrouw
teruggeëischt hebben, die mij niet wil toebehooren."
Hij wist hoe innig Francisca hem liefhad en hij zei in zich zelf:
"Ze is vóór den avond alweer bij me terug."
Maar zij verscheen niet; noch dien dag, noch den volgenden.
Den derden dag ging Raniero uit om een paar roovers te vervolgen, die
reeds lang de Florentijnsche kooplieden hadden verontrust. Het gelukte
hem ze te overwinnen en ze gevangen naar Florence te brengen. Hij bleef
daar een paar dagen, tot hij zeker was dat dit heldenfeit de geheele
stad door bekend zou worden, maar het ging niet zooals hij verwachtte.
Het bracht Francisca niet bij hem terug.
Raniero had nu den grootsten lust haar met de wet in de hand te
dwingen bij hem terug te komen, maar hij vond, dat hij dat niet
doen kon om zijn belofte. Maar het kwam hem toch onmogelijk voor in
dezelfde stad te leven met de vrouw, die hem verlaten had en hij trok
weg uit Florence.
Hij werd nu eerst soldaat bij de legioenen, en al spoedig werd hij
aanvoerder van een vrijcorps en voerde vaak strijd en diende vele
heeren.
Hij won veel eer als krijgsman, zooals hij altijd voorspeld had. Hij
werd tot ridder geslagen door den Keizer en men rekende hem onder de
groote mannen.
Eer hij uit Florence wegtrok, had hij een gelofte afgelegd bij een
heilig Madonnabeeld in de domkerk, aan de heilige Maagd het voornaamste
en beste te schenken wat hij in iederen strijd zou winnen. Voor dat
beeld zag men voortdurend kostbaarder geschenken, die door Raniero
waren geschonken.
Raniero wist dus, dat al zijn heldenfeiten in zijn geboortestad bekend
waren. Hij was er heel verbaasd over, dat Francisca degli Uberti niet
weer bij hem terugkwam, nu ze van al zijn voorspoed wist.
In dien tijd werden de kruistochten gepredikt om het Heilige
Graf te bevrijden en Raniero nam het kruis aan en vertrok naar het
Oosten. Gedeeltelijk verwachtte hij, dat hij daar in den vreemde een
slot en een leengoed zou winnen om over te bevelen, ten deele dacht
hij, dat hij nu in staat zou zijn zulke schitterende heldenfeiten te
bedrijven, dat zijn vrouw hem weer lief zou krijgen en weer bij hem
terug zou komen.--