De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge vrouw en zij had
den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen droomen.
Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, en neerzag op de
mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche zeden met marmer
geplaveid was en met edele gewassen beplant.
Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en
gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met
lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde
aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos
op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en
pijn. En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele
van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.
Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging
staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.
Toen antwoordden zij hem en zeiden: "Wij zoeken den grooten Profeet,
dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van Nazareth? Hij,
die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons verlossen
kan van al ons lijden?"
Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals
paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen
afwijzen: "Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken. Pilatus
heeft hem gedood."
Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen
op, dat zij het niet aanhooren kon. Haar hart werd verscheurd door
medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen. Maar doordat ze
was beginnen te schreien, was ze wakker geworden.
Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van
haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed
als een markt was.
En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en
zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die
naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen
die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en
meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en
meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden
over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die
zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En
weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond spraken.
Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die het
dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen. Eindelijk
werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun:
"Wat verlangt ge?"
Toen begonnen allen te roepen en zeiden:
"Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God gezonden
is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?"
Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van
de wereld: "Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet zoekt,
Pilatus heeft hem gedood."
Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk
als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen
zij zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot,
en toen zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te
wringen en te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.
Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op
het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op
de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte
bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.
Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: "Ga naar de balustrade,
die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats."
Maar in den droom weigerde zij, en zeide: "Ik wil niets meer zien
van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen."
Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen
en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout
sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar
de balustrade en keken naar beneden.
En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag
neer op de binnenplaats.
Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme
gevangenen van de wereld.
Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd
met zware ijzeren ketenen.
Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen
aansleepen met hun mokers.
En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware
roeiriemen van ijzer gesmeed.
En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met
hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.
Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen
en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven,
die moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van
geeselslagen.
Al die ongelukkigen riepen uit één mond en zeiden: "Doe open! doe
open!"
Toen trad de slaaf, die den ingang bewaakte, naar buiten en hij vroeg
hun: "Wat is het dat gij verlangt?"
En dezen antwoordden als de anderen:
"Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde gekomen
is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk."
De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht:
"Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem gedood."
Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die
ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij
voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend
van schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.
Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei
in zichzelf: "Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen
nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef
te zien."
Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap
haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en
was ingeslapen.
Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar
zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.
Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de balustrade,
die 't dak omgeeft en zie, wie het zijn, die op de plaats staan
te wachten."
Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: "Ik heb vannacht zooveel
ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven waar
ik ben."
Op 'tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die
buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op
het hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.
Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer
zag zij, dat de plaats vol menschen was.
En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond
waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen
en met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele
plaats er door overstroomd werd.
En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun geliefden
op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen, die hun
verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar geliefden
riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.
Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de poortwachter
kwam zooals te voren en opende de deur.
En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren: "Wat
zoekt gij in dit huis?" En zij antwoordden: "Wij zoeken den grooten
Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op
aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een zeis zal maken
en het zwaard tot een wijngaardmes."
Toen antwoordde de slaaf: "Laat nu niet meer menschen mij komen plagen,
ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: "De groote Profeet is hier
niet. Pilatus heeft hem gedood."" Daarop sloot hij de poort. Maar
zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu komen zou. "Ik
wil het niet meer hooren," zei ze en snelde weg van de balustrade. Op
'tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze, dat zij in haar
schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.
Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en
weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had
en was beginnen te droomen.
Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man,
en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.
En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de menschen
zien, die op uw binnenplaats wachten."
Maar zij dacht: "Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht ongelukkigen
genoeg gezien."
Op 'tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar
man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn huis
verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het hek
gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.
"Kent gij dien man niet?" vroeg hij en wees naar beneden.
Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die
vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen
te ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger
was aangekomen.
Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met breede
schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk.
De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar
man toe: "Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is. Het
kan niemand anders zijn."
"Ik meen hem ook te herkennen," zei haar man en legde dadelijk
den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten zijn en
luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.
Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg:
"Wien zoekt gij?"
En de reiziger antwoordde: "Ik zoek den grooten Profeet van Nazareth,
die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer Tiberius roept
hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte, die geen
ander geneesmeester wegnemen kan."
Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei:
"Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld worden."
Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de plaats
wachtten en gaf hun een bevel.
Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol
versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen
sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den
slaaf, die de poort bewaakte en zeide: "Dit alles zal 't zijne zijn,
als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der aarde
rijkdom geven."
Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide:
"Heer, wees niet vertoornd op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet
worden vervuld."
Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen
haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk van
juweelen glinsterde.
En de keizer sprak tot den slaaf: "Zie hier. Wat ik hem aanbied is de
macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter,
als hij mij maar volgt en Tiberius geneest."
Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: "Heer, het
staat niet in mijn macht u te helpen."
Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met
een gouden hoofdring en een purperen mantel.
"Zie," sprak hij, "dit is de wil des keizers. Hij belooft hem te
benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te
geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens
den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt
en Tiberius geneest."
Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak
jammerend:
"Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij zoekt,
is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood."