VIII.

Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar

slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden. Zij

was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk vroeg zij

de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde toen,

dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.

"Ik had hem graag willen spreken," zei de jonge vrouw.

"Meesteres," zei de slavin, "dat gaat moeilijk nu midden onder het

rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is."

Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg ze:

"Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit Nazareth?"

"De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch wonderdoener," antwoordde

dadelijk een der slavinnen.

"Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem vraagt,"

zei een andere slavin. "Hij is het juist, dien de Joden hier naar het

paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren."

Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was

aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.

Toen zij terugkwam zei ze: "Ze klagen hem aan, omdat hij zich tot

koning over dit land maken wil en zij roepen, dat de landvoogd hem

moet laten kruisigen."

Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer

verschrikt en zeide: "Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt hier

vandaag een ontzettend ongeluk."

Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was,

begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen,

zoodat ze zei:

"Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd,

zal ik trachten hem die te brengen."

Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een

wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.

Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen

hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar

de gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had

Pilatus een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in

Jeruzalem waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge

leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen.

Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd

zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.

Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de

landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden

had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch

landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen

van een vrouw.

Zij antwoordde stil en bedroefd: "Voorwaar, dit was geen droom, maar

een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt tenminste den man

dezen eenen dag nog in 't leven moeten laten."

Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten

troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een

onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.

Maar na een poos hief een van hen 't hoofd op en zei: "Wat is

dat? Hebben we zóó lang aan tafel gezeten, dat de dag al voorbij is?"

Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde. 't

Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel, dat

over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat

alles eentonig grijs scheen.

Evenals al 't andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur.

"Wij zien er uit als dooden", zei de jonge redenaar met een

rilling. "Onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart."

Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge

vrouw toe.

"Ach, liefste!" riep ze eindelijk uit, "ziet ge nu nog niet in, dat

de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn vertoornd, omdat ge

een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat,

al is hij nu misschien al aan 't kruis geslagen, hij nog niet gestorven

is. Laat hem afnemen van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden

verbinden. Sta alleen toe, dat hij in 't leven teruggeroepen wordt."

Maar Pilatus antwoordde lachend: "Zeker hebt gij gelijk, dat

dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans

niet verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood

veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen

verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang

nog de oude Tiberius..."

Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was zóó diep geworden,

dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan. Hij

hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen.

Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten

zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte,

onmogelijk ontgaan.

"Zie nu eens," zei hij tot zijn vrouw. "Nu komt' t mij voor, dat het

u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen. Maar als ge nu

eenmaal aan niets anders denken kunt, laat ons dan liever hooren,

wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij zullen beproeven de

bedoeling te begrijpen."

Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij 't eene

visioen na het andere vertelde, werden haar gasten al ernstiger. Zij

lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun

voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles onzin noemde, was de

landvoogd zelf.

Toen 't verhaal uit was, zei de jonge redenaar: "Voorwaar, dat is

meer dan een droom, want ik heb vandaag niet den keizer, maar zijn

oude vriendin Faustina de stad zien binnentrekken. Het verwondert

mij alleen, dat zij zich nog niet heeft vertoond in 't paleis van

den landvoogd."

"Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een vreeselijke

ziekte is aangetast," merkte de aanvoerder op. "'t Komt ook mij

mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is, door

de goden gezonden."

"'t Is in 't geheel niet ongelooflijk, dat Tiberius iemand tot den

Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen," stemde de

jonge redenaar toe.

De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak:

"Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener

bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen, dat hij

hem in 't leven vindt."

Pilatus antwoordde half boos: "Is 't die duisternis, die u allen

tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen droomuitleggers en

profeten geworden waart."

Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: "'t Zou misschien

niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge een

ijlbode zondt."

"Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken," antwoordde de

landvoogd. "Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in 't

land, als men hoorde, dat de landvoogd een misdadiger genade schonk,

omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad."

"'t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in Jeruzalem gezien

heb," zei de jonge redenaar.

"Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen,"

zei Pilatus. "Hij zal wel begrijpen, dat deze dweper, die zich,

zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet mishandelen,

hem niet had kunnen helpen."

Op 'tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde het huis

als door een geweldigen rollenden donderslag, en een aardbeving deed

het veld schudden. 't Paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd

staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving duurde, hoorde

men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen

en vallende pilaren.

Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd

een slaaf.

"Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de Profeet

van Nazareth van het kruis genomen moet worden."

De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal

naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de

aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen

wachtten op de terugkomst van den slaaf.

Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan.

"Vondt ge hem nog in leven?" vroeg deze.

"Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den geest gaf,

kwam de aardbeving."

Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de

buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er

een nieuwe aardbeving gekomen was.

Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: "Het is de oude Faustina en

Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen om u te

vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te zoeken."

Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen werden

gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden zich

van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het ongeluk

gekomen is.

Christuslegenden(#44506) · 第 19 / 28 题