VI.

De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok door het afgelegen

Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den profeet te

zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar

zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht: wat wij

van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met geweld

of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons,

als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer

verkeert. En wie kan beter Tiberius' voorspraak zijn dan iemand,

die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf?

De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw

verjongd. Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden

en op weg naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te

paard. Zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden,

als de Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar

gevolg uitmaakten.

Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw

met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron,

waarover zij den eersten dag hadden gereden, was één enkel schitterend

kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen ze in de bergen van

Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de verschillend gevormde

heuvels, waar de weg zich tusschen door slingerde, waren beplant met

vruchtboomen, die in vollen bloei stonden. En toen de reizenden de

witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden, konden zij hun

oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien, dat uit de

zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide,

dat men meende het te kunnen zien groeien.

Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis

zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen,

die dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en

paden, van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de

vlakte kwamen de reizigers. Toen zij den weg naar Jeruzalem bereikt

hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote

scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op

een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn

schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot,

dat ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om

te loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich

fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.

Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij

maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze

wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich

te beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien

gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de

pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg,

maar bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn

zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van

den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van

zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd

voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend

op wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen,

die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel.

Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze

werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij

spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een

jongen Romein, die naast haar reed, zeide: "Ik droomde vannacht,

dat ik Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen,

maar juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. 't Komt mij voor alsof de

goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er

dezen mooien morgen heen te trekken."

Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug

bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. Vóór haar lag een

groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de donkere,

schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots, die op

haar schedel Jeruzalem droeg.

Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond

kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag

duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven,

waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.

't Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele land

bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote

plechtigheid. Die 't verst woonden, waren al gekomen en hadden hun

tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad

woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van alle lichte heuvels

zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren,

zangen en feestvreugde.

De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun

lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast

haar reed:

"Voorwaar, Sulpicius, 't geheele volk moet naar Jeruzalem gekomen

zijn."

"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de Romein, die door Tiberius was

uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij verscheidene jaren

in Judea gewoond had. "Zij vieren nu het groote lentefeest en dan

trekken alle menschen, oude en jonge, naar Jeruzalem."

Faustina bedacht zich een oogenblik:

"Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat het

volk hoogtij viert," zei ze. "Dat kan niet anders beteekenen dan

dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge 't niet voor mogelijk,

dat hij, dien we zoeken--de Profeet van Nazareth, ook naar Jeruzalem

is gekomen om aan 't feest deel te nemen?"

"Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina," sprak de Romein. "Hij is

hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een beschikking der

goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge blij zijn, dat

ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet behoeft te maken."

Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij kwamen

en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich in

Jeruzalem bevond.

"Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien," antwoordde een van

de wandelaars. "Zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij

is een vroom en rechtvaardig man."

Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten

oosten van de stad lag. "Ziet ge die berghelling, met olijfboomen

begroeid?" vroeg ze. "Daar richten de Galileërs gewoonlijk hun

tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem,

dien ge zoekt."

Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar 't

diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op zijn

top te bereiken.

De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop

zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de

barmhartigheid van de reizigers inriepen.

Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op

Faustina toe: "Zie daar," zei ze, op een van de bedelaars wijzend,

die op den muur zat, "dat is een Galileër. Ik herinner me, dat ik hem

onder de leerlingen van den Profeet gezien heb. Hij kan u zeggen waar

ge hem vinden zult, dien ge zoekt."

Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen. 't

Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar grijs

werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en zijn

handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen;

integendeel, hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins,

dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.

Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn

vraag een paar maal herhalen.

"Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galileër zijt. Ik verzoek

u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan vinden."

De Galileër sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar toen

hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door toorn

en ontzetting aangegrepen. "Wat zegt ge toch!" stoof hij op. "Waarom

vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van hem! Ik ben geen

Galileër."

De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. "Ik heb u toch in

zijn gezelschap gezien," viel zij in. "Wees niet bang, maar zeg deze

voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den keizer is, waar

ze hem 't beste kan vinden."

Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder. "Zijn

dan alle menschen waanzinnig vandaag?" zei hij. "Zijn ze door een

boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij naar dien man komen

vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg, dat ik den Profeet

niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb hem nooit gezien."

Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast

hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken.

"Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord," zeiden zij. "Wij weten

allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen zijt."

Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: "Ik heb het vandaag

niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat men mij

niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij niet

gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?"

Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. "Laat ons verder

gaan," zeide ze. "Die man daar is immers waanzinnig. Van hem komen

we niets te weten."

Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan

twee stappen van de stadspoort, toen de Israëlietische vrouw, die haar

had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig te

wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg lag,

vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt

in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een

wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.

De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder

uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten

dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij

bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis

over zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde

om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden.

"Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?" vroeg Faustina.

Op 'tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te

roepen: "Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden en

lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot

stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!"

Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het

ter zijde.

"Dat is een zondaar, die boete wil doen," zei hij. "Laat u dat

niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang

laten gaan."

De man op den weg ging voort met roepen: "Zet uw hielen op mijn

hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven

in mijn oogen zetten."

Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden

zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil

naast hem.

De Israëlietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen helpen,

drong nu weer tot haar door: "Die man hoorde ook tot de leerlingen van

den Profeet," zei ze. "Wilt ge, dat ik hem naar zijn meester vraag?"

Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den liggende.

"Wat hebt gij, Galileërs, vandaag met uw meester gedaan?" vroeg

ze. "Ik zie u verspreid op wegen en paden, maar hem zie ik nergens."

Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in het stof van den

weg lag, zich op de knieën. "Wat is dat voor een boozen geest, die

u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?" zei hij met een stem,

waarin de grootste wanhoop klonk. "Ge ziet immers, dat ik mij in het

stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden. Is dat u nog niet

genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb?"

"Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt," zei de vrouw. "Ik wil

alleen weten, waar ge uw meester hebt."

Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen

voor de ooren. "Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven,"

riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat zich voor de

poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting, terwijl zijn

verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels.

"'t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn,"

zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij was ontstemd door het

zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een man, die zulke dwazen

onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor den keizer te doen?

Ook de Israëlietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met

grooten ernst tot Faustina: "Vrouwe, draal niet met hem op te zoeken,

dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen is,

nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen,

dat men over hem spreekt."

Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder 't poortgewelf door en

kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen waren. 't

Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad. De rijdenden moesten

keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs

wegen te banen. De menschen bleven zich voortspoeden in een dichten,

niet te keeren stroom.

"Voorwaar," zei de oude vrouw tot Sulpicius, "de straten van Rome

zijn stille lusthoven in vergelijking met deze."

Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden

hen wachtten.

"Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan

te rijden," zei hij. "Als gij niet al te moe zijt, zou ik u willen

raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan. Dat ligt

wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar zeker niet voor

na middernacht."

Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard

en gaf dit over aan een der slaven.

Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de stad.

Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het

hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins

breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.

"Zie daar, Faustina," zeide hij, "als wij daar maar komen kunnen,

dan zijn we waar we wezen moeten. Die straat loopt recht op onze

herberg aan."

Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den

eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de

straat bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort

der Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een

gevangene, die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.

Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die

de terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat

over, strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten

onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat

niet alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in

zijden kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen

van de stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,--vele

met beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee,

onder kreten, die de ooren verscheurden.

"O God," riepen ze. "Red hem! Zend Uw engel om hem te redden! Zend

toch een helper in den uitersten nood!"

Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden. Zij

waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen

om hem te bevrijden.

Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, die den man, die

gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot, zwaar

houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak voor

dezen last. Die drukte hem zóó, dat zijn lichaam geheel tot op den

grond gebogen werd. Hij hield het hoofd zóó diep voorover, dat niemand

zijn gezicht kon zien.

Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den

zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op,

dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn

hoofd gedrukt was.

"Wie is die man?" vroeg zij.

Een van de omstanders antwoordde: "Dat is een, die zich keizer

maken wou."

"Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard is,"

zei de oude vrouw weemoedig.

De veroordeelde bezweek onder 't kruis, hij liep al langzamer. De

beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen

daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij

dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.

Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden

moeite het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een

paar vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene

te helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te

dwingen tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk

vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten.

Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht

zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn

voorhoofd, dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar

bloeddruppels. Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet

en bloed. Hij hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen

trilden, alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende

oogen waren vol tranen en bijna dof,--gekweld en uitgeput als hij was.

Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als

in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol

majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen

door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien

vreemden man.

"O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?" barstte zij uit en ging hem

een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen schoten. Ze

vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen

gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van medelijden

zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem toeloopen,

om hem aan zijn beulen te ontrukken.

De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was,

alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen,

die hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knieën, hij drukte

zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.

De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl

haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij

haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn

hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt,

zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om

de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren

de beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den

gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij

hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen

hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij

bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen

haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren,

had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en

zij riep uit: "Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet

sterven, hij kan niet sterven!"

Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd

werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit

hun handen rukken.

Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling

en een onmacht overvallen.

Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande

te houden.

Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg

haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was een

barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude

een bed op den steenen vloer.

Zij was niet bewusteloos, maar zóó sterk was de duizeling, die

haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden, maar moest

gaan liggen.

"Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad

zijn te veel voor haar geweest," zei Sulpicius tegen den koopman. "Zij

is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat hij door den ouderdom

niet overwonnen wordt."

"Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn," zei de

koopman. "De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het zou mij

niet verbazen als we een hevig onweer kregen."

Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep met

rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen

van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien,

terwijl hij op haar ontwaken wachtte.

Christuslegenden(#44506) · 第 17 / 28 题