V.

Eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de

eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den avond, en de

arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan

in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam op hen toe

en groette hen. Daarop nam hij een zware beurs, die hij in den gordel

droeg en hij legde die in de hand van den man.

"Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij barmhartigheid

bewezen hebt," zei de slaaf; "zij verzoekt u voor dit geld u een eigen

wijngaard te koopen en u een huis te bouwen, dat niet zoo hoog op de

bergen ligt als een arendsnest."

"Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?" zei de man; "we hebben haar

gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet meer terugkwam, meende

ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen."

"Herinner je je niet," zei de vrouw, "dat ik niet wilde gelooven,

dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer naar den keizer

teruggegaan was?"

"Ja," gaf de man toe; "dat heb je werkelijk gezegd, en ik ben blij,

dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina op die manier rijk

genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen, maar ook ter

wille van den armen keizer."

De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken

te komen vóór de nacht inviel. Maar dit stonden de beide echtgenooten

niet toe.

"Ge moet bij ons blijven tot morgen," zeiden ze. "We kunnen u niet

laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat met Faustina gebeurd

is. Waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan? Hoe was hun

ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij elkaar zijn?"

De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder

den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van

Faustina's terugkomst.

Toen de slaaf zijn verhaal geëindigd had, zag hij den man en de

vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen

neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet

te verraden.

Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: "Gelooft ge niet,

dat dit een beschikking van God is?"

"Ja," zei de vrouw, "zeker was het hiervoor, dat de Heer ons over zee

zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn bedoeling, toen Hij de oude

vrouw hierheen voerde naar onze deur."

Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich

weer tot den slaaf.

"Vriend," zeide hij tot hem, "ge moet een boodschap voor mij naar

Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor woord: "Zoo groet u uw

vriend, de wijngaardarbeider uit de Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge

vrouw gezien, die mijn echtgenoote is. Vondt ge haar schoonheid niet

lieflijk en haar gezondheid bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw

eenmaal aan dezelfde ziekte geleden, die nu Tiberius heeft aangetast."

De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging

voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:

"Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg haar dan, dat mijn

vrouw en ik uit Palestina in Azië komen, een land, waar die ziekte

dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de melaatschen worden

verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame plaatsen moeten wonen,

zich hun woning zoekend in greppels en grotten. Zeg Faustina, dat mijn

vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een

kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd,

werd zij door de ziekte aangetast."

Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend

het hoofd en sprak tot hen:

"Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers uw

vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers,

dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?"

Maar de man antwoordde: "Het zou het beste voor haar zijn, als ze mij

geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet boodschappers

zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch bevestigen

wat ik gezegd heb."

"Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god, dat uw

vrouw genezen is?" vroeg de slaaf.

"Ja," antwoordde de arbeider; "het is zooals ge zegt. Op een dag

verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in de eenzaamheid

leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in Nazareth in

Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte genezen door

alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te leggen." Maar de zieken,

die daar lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht

waarheid was.

"Ons kan niemand genezen," zeiden ze; "al sinds de dagen van de

groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk

kunnen redden."

Maar er was één van hen, die geloofde, en dat was een jonge maagd. Zij

ging weg van de anderen om te trachten naar de stad Nazareth te komen,

waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag, toen ze over

groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en slank was,

een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag. Zijn

donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar eer ze

elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:

"Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den

Profeet van Nazareth vinden kan."

Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar stond,

vroeg hij:

"Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?"

"Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en

mij van mijn ziekte genezen."

Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij sprak

tot hem:

"Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij zijt

geen profeet."

Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:

"Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en vertoon

u aan de priesters."

De zieke dacht: "Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk, dat

ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik

vraag." En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man,

die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen

hij zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe:

"Kom niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den

profeet van Nazareth vinden kan."

"Wat verlangt ge van den profeet?" vroeg de man en reed langzaam naar

haar toe.

"Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en

mij van mijn ziekte genezen."

Maar de man reed nog nader bij.

"Van welke ziekte wilt ge genezen worden?" vroeg hij. "Gij hebt geen

geneesmeester noodig."

"Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?" zeide zij. "Ik ben uit

zieke ouders geboren in een grot."

Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer,

als een pas uitgekomen bloem.

"Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!" barstte hij uit.

"Spot nu ook niet met mij," zei ze. "Ik weet dat mijn trekken verwoest

zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier."

Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: "Uw stem is

helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over

de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek."

En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar

gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel

versierde.

"Ge kunt u hier spiegelen," zei hij.

Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de

vleugel van een pas ontpopten vlinder.

"Wat is dat?" riep ze, "dat is mijn gezicht niet."

"Ja, dat is uw gezicht," zei de ruiter.

"Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof wagens

voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?"

"Neen, zij klinkt als de schoonste melodieën van een citherspeler."

Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was.

"Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken

verdwijnt?" vroeg zij den ruiter.

"Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de Profeet

van Nazareth," antwoordde de man.

Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen

vol tranen.

"O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!" riep zij uit. "Gij

hebt mij genezen!"

En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad

op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters

en vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig

naar alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de woestijn uit

zieke ouders geboren was, wilden zij niet gelooven, dat zij hersteld

was. "Ga terug vanwaar ge gekomen zijt," zeiden zij. "Als ge ziek

geweest zijt, moet ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier

naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten."

Zij sprak tot hen: "Ik weet, dat ik gezond ben, want de Profeet van

Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd gelegd."

Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: "Wie is hij, dat hij de

onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze

geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het

verderf stort."

Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich

in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar beschermde,

ook onrein zou verklaard worden.

Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot den

man, die haar op het veld gevonden had: "Waar moet ik nu heengaan? Moet

ik weer naar de woestijn, naar de zieken terug?"

Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar: "Neen,

gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan, maar

wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land, waar

geen wetten voor reinen en onreinen zijn. En zij ..." maar toen de

arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal, stond de slaaf op en

viel hem in de rede.

"Ge behoeft me niets meer te zeggen," zei hij, "sta liever op en ga

met mij mee--gij, die de bergen hier kent, zoodat ik mijn terugtocht

al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten. De

keizer en Faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren."

Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in

de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.

"Ik kan niet slapen," zei ze. "Ik moet er steeds aan denken, dat deze

twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle menschen liefheeft en hij,

die ze haat.

"Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen

brengen."

Christuslegenden(#44506) · 第 16 / 28 题