II.

De oude vrouw kwam zoo inwonen in de hut van den arbeider en zij sloot

groote vriendschap met de jongelieden. Maar toch zei ze hun nooit

van waar ze gekomen was of wie ze was, en zij begrepen, dat ze het

niet aangenaam zou gevonden hebben, als zij het haar gevraagd hadden.

Maar op een avond, toen 't werk gedaan was en ze alle drie op den

grooten platten steen voor de deur zaten en 't avondmaal gebruikten,

zagen zij een oud man het pad opkomen.

't Was een groot en sterk gebouwd man, met schouders zoo breed als

die van een worstelaar. Op zijn gezicht lag een strakke, sombere

uitdrukking. 't Voorhoofd stak vooruit over de diep liggende oogen,

en de lijnen om den mond spraken van bitterheid en verachting. Zijn

houding was fier en zijn bewegingen waren snel.

De man droeg eenvoudige kleeren, en de arbeider dacht zoodra hij hem

zag: "Die man is een oud soldaat, een die uit den dienst ontslagen

is en nu op weg naar huis is."

Toen de vreemde dicht bij hen gekomen was bleef hij als in twijfel

staan. De arbeider, die wist, dat de weg een eind boven de hut

doodliep, legde zijn lepel neer en riep hem toe: "Zijt ge verdwaald,

vreemdeling, dat ge bij deze hut komt? Niemand neemt de moeite hierheen

te klimmen, die niet een boodschap heeft voor ons, die hier wonen."

Terwijl hij zoo vroeg kwam de vreemdeling dichter bij: "Ja, 't is

zooals ge zegt," zei hij. "Ik ben verdwaald en nu weet ik niet waar

ik heen moet. Als ge me hier een poos wilt laten uitrusten en mij

dan zeggen welken weg ik moet inslaan om bij een hoeve te komen,

zal ik heel dankbaar zijn."

Met deze woorden nam hij plaats op een van de steenen, die voor de

hut lagen.

De jonge vrouw vroeg of hij geen deel aan hun maaltijd wilde nemen,

maar hij wees dat glimlachend af. Daarentegen was hij zeer geneigd

met hen te spreken; onder het eten vroeg hij de jonge menschen naar

hun levenswijze en hun werk en zij antwoordden opgeruimd en openhartig.

Maar plotseling wendde de arbeider zich tot den vreemde en begon hem

uit te hooren: "Ge ziet hoe verlaten en eenzaam we wonen," zei hij. "'t

Is wel een jaar geleden, dat ik iemand anders sprak dan herders en

arbeiders in den wijngaard. Kunt gij, die van een of ander leger komt,

ons niet wat vertellen van Rome en van den keizer?"

Nauwelijks had de man dit gezegd of de jonge huismoeder merkte, dat

de oude vrouw hem een waarschuwenden blik toewierp, en dat zij met de

hand het teeken gaf, dat men met zijn woorden voorzichtig moest zijn.

De vreemdeling antwoordde intusschen zeer vriendelijk: "Ik begrijp,

dat ge me voor een soldaat aanziet, en ge hebt geen ongelijk, hoewel ik

al lang geleden uit dienst gegaan ben. Onder de regeering van Tiberius

was er niet veel werk voor ons, krijgslieden. En toch was hij eens een

groot veldheer. Dat was zijn gelukkige tijd. Nu denkt hij aan niets

anders dan om zich te beschermen tegen samenzweringen. In Rome spreken

alle menschen er over, dat hij verleden week den senator Titus heeft

laten gevangen nemen en terechtstellen,--alleen op een verdenking."

"Die arme keizer, hij weet niet meer wat hij doet," barstte de jonge

vrouw uit. Ze breidde de handen uit en schudde treurig en verwonderd

het hoofd.

"Ge hebt werkelijk gelijk," zei de vreemde, terwijl een trek van diepe

somberheid op zijn gezicht kwam. "Tiberius weet, dat alle menschen

hem haten, en dat brengt hem bijna tot waanzin."

"Wat zegt ge?" antwoordde de vrouw. "Waarom zouden we hem haten? Wij

beklagen hem alleen, omdat hij niet meer zulk een groot keizer is

als in 't begin van zijn regeering."

"Ge vergist u," zei de vreemde. "Alle menschen haten en verachten

Tiberius. Waarom zouden ze anders doen? Hij is niets dan een wreede

en onbarmhartige tiran. En in Rome gelooft men, dat hij van nu af

aan nog erger wordt dan hij geweest is."

"Is er dan iets gebeurd, dat hem tot een nog grooter monster maken

zal dan hij al is?" vroeg de man.

Toen hij dat zei, merkte de huisvrouw, dat de oude hem opnieuw een

waarschuwend teeken gaf, maar zóó in 't verborgen, dat hij 't niet

zien kon.

De vreemdeling antwoordde hem vriendelijk, maar een eigenaardige

glimlach gleed op hetzelfde oogenblik over zijn lippen.

"Ge hebt misschien hooren vertellen, dat Tiberius tot nu toe in

zijn omgeving een vriendin had, waarop hij vertrouwen kon en die hem

altijd de waarheid zeide. Alle anderen, die aan zijn hof leven, zijn

gelukzoekers en huichelaars, die de booze en listige daden van den

keizer evenzeer prijzen als zijn goede en edele. Toch was er, zooals

ik zei, een enkele, die nooit bang was hem te zeggen wat zijn daden

waard waren. Die mensch, die moediger was dan senatoren en veldheeren,

was de oude min van den keizer: Faustina."

"Dat is waar, ik heb van haar gehoord," zei de arbeider. "Men heeft mij

gezegd, dat de keizer haar altijd groote vriendschap bewezen heeft."

"Ja, Tiberius wist haar genegenheid en trouw op prijs te stellen. Hij

heeft die arme boerenvrouw, die in een ellendig hutje op de

Sabijnerbergen geboren werd, als zijn tweede moeder behandeld. Zoolang

hij zelf zich in Rome ophield, liet hij haar wonen in een huis op

het Palatino, om haar altijd in zijn nabijheid te hebben. Geen van

Rome's voornaamste matronen had het beter dan zij. Ze werd in een

draagstoel door de straten gedragen en haar gewaad was als dat van

een keizerin. Toen de keizer naar Capri verhuisde, moest zij hem

daarheen vergezellen, en hij liet daar voor haar een landgoed koopen

vol slaven en kostbaar huisraad."

"Zij heeft het werkelijk goed gehad," zei de man.

Nu was hij het, die alleen het gesprek met den vreemde gaande hield. De

jonge vrouw zat zwijgend de verandering na te gaan, die er met de oude

vrouw gebeurde. Reeds van 't oogenblik, dat de vreemde gekomen was,

had zij geen woord meer gesproken. Zij had haar zacht en vriendelijk

uiterlijk verloren. Zij had het eten van zich af geschoven en zat

daar stijf en strak tegen den deurpost gedrukt. Zij staarde recht

voor zich uit met een streng gezicht, als versteend.

"Het was de bedoeling van den keizer, dat zij een gelukkig leven zou

hebben," zei de vreemdeling, "maar niettegenstaande al zijn weldaden

is zij hem nu ook ontrouw geworden."

De oude vrouw kromp ineen bij deze woorden, maar de jonge vrouw legde

troostend de hand op haar arm.

Daarop begon ze te spreken met haar warme, zachte stem. "Ik kan toch

niet gelooven, dat de oude Faustina zoo gelukkig geweest is aan 't

hof, als ge zegt," zeide ze, zich tot den vreemde wendend. "Ik ben

er zeker van, dat zij Tiberius heeft liefgehad, alsof hij haar eigen

zoon was. Ik kan me begrijpen hoe trotsch ze op zijn edele jeugd was,

en ik kan ook begrijpen, wat een verdriet het voor haar geweest is,

dat hij op zijn ouden dag wantrouwend en wreed geworden is. Ze heeft

hem zeker elken dag vermaand en gewaarschuwd. 't Moet vreeslijk voor

haar geweest zijn, dat dit alles vergeefsch was. Eindelijk heeft zij

't niet kunnen uithouden hem al dieper en dieper te zien zinken."

De vreemde boog zich verrast een weinig voorover bij 't hooren van

deze woorden. Maar de jonge vrouw keek niet naar hem op. Ze hield de

oogen neergeslagen en ze sprak heel zacht en ootmoedig.

"Misschien hebt ge gelijk met wat ge van de oude vrouw zegt,"

antwoordde hij. "Faustina is werkelijk niet gelukkig geweest aan

't hof. Maar 't is toch vreemd, dat zij den keizer in haar hoogen

ouderdom verliet, nu zij het een heel leven bij hem had uitgehouden."

"Wàt zegt ge daar?" zei de man. "Heeft de oude Faustina den keizer

verlaten?"

"Ze is uit Capri verdwenen, zonder dat iemand het wist," zei de

vreemde. "Ze is even arm teruggegaan als ze gekomen is. Ze heeft niet

één van haar schatten meêgenomen."

"En weet de keizer volstrekt niet, waarheen ze gegaan is?" vroeg de

jonge vrouw met haar zachte stem.

"Neen, niemand weet zeker welken weg ze gegaan is. Maar men houdt

het voor waarschijnlijk, dat ze haar toevlucht tot de bergen van haar

vaderland genomen heeft."

"En de keizer weet ook niet, waarom ze is heengegaan?" vroeg de

jonge vrouw.

"Neen, de keizer weet er niets van. Hij kan niet gelooven, dat ze hem

verlaten heeft, omdat hij haar eens gezegd heeft, dat ze hem diende

om loon en geschenken--zij zoo goed als de anderen. Ze weet toch

wel, dat hij nooit aan haar onzelfzuchtigheid getwijfeld heeft. Hij

heeft altijd gehoopt, dat ze vrijwillig naar hem terug zou komen,

want niemand weet beter dan zij, dat hij nu geheel zonder vrienden is."

"Ik ken haar niet," zei de jonge vrouw, "maar ik geloof toch, dat

ik wel zeggen kan, waarom zij den keizer verliet. De oude vrouw is

opgevoed in eenvoud en vrome zeden hier in de bergen en zij heeft

altijd door naar hier terug verlangd. Zij zou toch zeker nooit den

keizer verlaten hebben, als hij haar niet beleedigd had, maar ik

begrijp, dat zij daarna, nu haar dagen bijna geteld waren, meende recht

te hebben ook aan zichzelf te denken. Als ik een arme vrouw uit de

bergen was, zou ik zeker handelen als zij. Ik zou gedacht hebben, dat

ik genoeg gedaan had als ik mijn heer een leven lang gediend had. Ik

zou eindelijk weggegaan zijn van een weelderig leven en keizersgunst

om mijn ziel te doen genieten van eer en rechtvaardigheid, voor zij

van mij heenging op de lange reis."

De vreemde zag de jonge vrouw droevig en somber aan. "Ge denkt er

niet aan, dat de handelingen van den keizer nu nog vreeselijker dan

ooit zullen worden. Nu is er niemand, die hem tot kalmte kan brengen,

als wantrouwen en menschenverachting hem bestormen. Denk u hier eens

in," ging hij voort en boorde zijn sombere blikken diep in de oogen

van de jonge vrouw, "in de heele wereld is er nu niemand meer, die

hij niet haat, niemand, dien hij niet veracht."

Toen hij deze woorden van bittere vertwijfeling uitsprak, maakte de

oude vrouw een snelle beweging en wendde zich tot hem, maar de jonge

zag hem vast in de oogen en antwoordde:

"Tiberius weet, dat Faustina weer bij hem komt, zoodra hij dat

wenscht. Maar eerst moet zij weten, dat haar oude oogen aan zijn hof

geen zonde en schande behoeven te zien."

Zij waren allen bij deze woorden opgestaan, en de arbeider en zijn

vrouw gingen voor de oude vrouw staan, als om haar te beschermen.

De vreemde sprak geen woord meer, maar hij zag de oude vragend aan. "Is

dat ook uw laatste woord?" scheen hij te willen zeggen.

De lippen der oude beefden en de woorden bleven haar in de keel steken.

"Als de keizer zijn oude dienares heeft liefgehad, dan moet hij haar

de rust gunnen in haar laatste dagen," zei de jonge vrouw.

De vreemde aarzelde nog, maar plotseling klaarde zijn donker gezicht

op. "Mijn vrienden," zei hij, "wat men ook zeggen mag van Tiberius,

er is toch één ding, dat hij beter geleerd heeft dan anderen--en dat

is ontberen. Ik heb nog maar één ding te zeggen: als die oude vrouw,

waar we over spraken, deze hut mocht bezoeken, ontvang haar dan

vriendelijk. De gunst des keizers rust op ieder, die haar bijstaat."

Hij wikkelde zich in zijn mantel en ging heen, langs denzelfden weg

waar langs hij gekomen was.

Christuslegenden(#44506) · 第 13 / 28 题