Na dien tijd spraken de arbeider en zijn vrouw nooit meer met de oude
vrouw over den keizer. Onder elkaar verwonderden zij er zich over,
dat zij op haar hoogen leeftijd de kracht gehad had al dien rijkdom en
macht, waaraan zij gewend was, te verzaken. "Zou ze niet gauw weer naar
Tiberius teruggaan?" vroegen zij elkander af. "Zij heeft hem zeker
nog lief. 't Is in de hoop, dat dit hem tot bezinning zal brengen
en hem er toe brengen zich te bekeeren van zijn slechte handelwijze,
dat ze hem verlaten heeft."
"Zoo'n oud man als de keizer komt er nooit toe een nieuw leven te
beginnen," zei de arbeider. "Hoe wil je zijn groote verachting voor
de menschen van hem wegnemen? Wie zou bij hem kunnen komen en hem
leeren ze lief te hebben? Vóór dit gebeurd is, kan hij niet van zijn
wantrouwen en wreedheid genezen worden."
"Je weet, dat er een is, die dat werkelijk zou kunnen," zei de
vrouw. "Ik denk er dikwijls aan, hoe het gaan zou, als die twee elkaar
ontmoetten. Maar Gods wegen zijn onze wegen niet."
De oude vrouw scheen haar vorig leven in 't geheel niet te
missen. Eenigen tijd later kreeg de jonge vrouw een zoon en toen de
oude dien mocht verzorgen, was ze zóó vergenoegd, dat het scheen,
of ze al haar verdriet vergat.
Ieder half jaar wikkelde zij zich in den langen grijzen mantel en
ging naar Rome. Daar bezocht ze niemand, maar ging regelrecht naar
het Forum. Daar stond ze stil voor een kleinen tempel, die aan de
eene zijde van de prachtig versierde markt was opgericht.
Die tempel bestond eigenlijk alleen uit een buitengewoon groot
altaar, dat onder den blooten hemel op een met marmer bevloerde plaats
stond. Hoog op het altaar troonde Fortuna, de godin van het geluk en
aan zijn voet stond een beeld van Tiberius. Om de plaats heen lagen
gebouwen voor priesters, bewaarplaatsen voor brandstof en stallen
voor offerdieren.
De wandeling van de oude Faustina strekte zich nooit verder uit dan
tot dezen tempel, want daar plachten zij te komen, die om geluk voor
Tiberius wilden bidden.
Als zij een blik naar binnen geworpen en gezien had dat het beeld
van de godin en dat van den keizer beide met bloemen versierd waren,
dat het offervuur vlamde en een schaar eerbiedige aanbidders voor het
altaar verzameld waren, als ze gehoord had hoe de hymnen der priesters
er omheen klonken keerde zij om en begaf zich weer naar de bergen.
Op die manier kwam zij te weten, zonder dat ze iemand behoefde te
vragen, dat Tiberius nog onder de levenden behoorde en dat het hem
wel ging.
Den derden keer, toen ze dien tocht ondernam, wachtte haar een
verrassing. Toen ze bij den kleinen tempel kwam, vond ze dien stil en
verlaten. Geen vuur vlamde voor de beelden en zij zag geen enkelen
aanbidder. Een paar verdroogde guirlanden waren nog aan het altaar
blijven hangen, maar dat was ook alles wat nog van de vroegere
heerlijkheid getuigde. De priesters waren weg en het keizersbeeld,
dat daar onbewaakt stond, was beschadigd en bezoedeld.
De oude vrouw wendde zich tot den eersten den besten voorbijganger:
"Wat moet dat beteekenen?" zei ze. "Is Tiberius dood? Hebben wij een
and'ren keizer?"
"Neen," antwoordde de Romein, "Tiberius is nog keizer. Maar wij hebben
opgehouden voor hem te bidden. Onze gebeden baten hem niet meer."
"Vriend," zei de oude, "ik woon ver weg in de bergen, waar men niets
hoort van wat er in de wereld gebeurt. Wilt ge me niet zeggen welk
ongeluk den keizer getroffen heeft?"
"Het vreeselijkste van alle," zei de man. "Hij is aangetast door een
ziekte, die vroeger niet in Italië bekend geweest is, maar die schijnt
voor te komen in 't oosten. Sinds die ellende over den keizer kwam,
is zijn aangezicht veranderd, zijn stem is als die van een knorrend
dier geworden en zijn teenen en vingers teren weg. En voor die
ziekte schijnt geen geneesmiddel te bestaan. Men gelooft, dat hij
binnen eenige weken zal sterven, maar als hij niet sterft moet men
hem afzetten, want zoo'n ziek, ellendig mensch kan niet regeeren. Ge
begrijpt dus wel, dat zijn lot beslist is. Het baat niet de godin
om geluk voor hem aan te roepen. En 't is ook de moeite niet waard,"
voegde hij er bij met een glimlach, "niemand heeft nu meer iets van hem
te hopen en te vreezen. Waarom zullen we nu moeite doen om zijnentwil?"
Hij groette en ging heen, maar de oude vrouw bleef als bedwelmd staan.
Voor 't eerst in haar leven zonk ze ineen en zag er uit als iemand, die
door den ouderdom overwonnen was. Ze stond met gebogen rug en trillend
hoofd en handen, die hulpeloos voor zich uittastten in de lucht.
Zij verlangde van die plaats weg te komen, maar ze verzette de voeten
langzaam en bewoog zich wankelend voort. Ze zag om naar iets wat ze als
staf gebruiken kon. Eenige oogenblikken later gelukte het haar toch
met een ongehoorde krachtsinspanning haar matheid te overwinnen. Ze
richtte zich op en dwong zich met vaste schreden door de dicht bevolkte
straten te gaan.