I.

In een van de laatste jaren van de regeering van keizer Tiberius

gebeurde het, dat een arme wijngaardarbeider en zijn vrouw zich

neerzetten in een eenzame hut, hoog in de Sabijnsche bergen. Zij waren

vreemden en leefden in de grootste eenzaamheid, zonder ooit van iemand

bezoek te ontvangen. Maar op een morgen, dat de arbeider zijn deur

opendeed, vond hij tot zijn verbazing een oude vrouw, ineengedoken op

den drempel zitten. Zij was in een eenvoudigen grijzen mantel gewikkeld

en zag er uit alsof ze heel arm was. Maar niettegenstaande dat, kwam ze

hem zoo eerbiedwaardig voor, toen ze opstond en hem te gemoet ging, dat

hij onwillekeurig denken moest aan wat de sagen vertellen van godinnen,

die in de gedaante van een oude vrouw de menschen bezocht hadden.

"Mijn vriend," zei de oude tegen den arbeider, "ge moet u er niet over

verwonderen, dat ik vannacht op uw drempel geslapen heb. Mijn ouders

hebben in deze hut gewoond en hier werd ik voor bijna negentig jaar

geboren. Ik had gedacht, ze leeg en verlaten te vinden. Ik wist niet,

dat menschen haar opnieuw in bezit genomen hadden."

"Het verbaast mij niet, dat gij meendet, dat een hut, die zoo hoog

in deze woeste bergen ligt, leeg en verlaten zou staan," zei de

arbeider; "maar mijn vrouw en ik komen uit een ver land, en wij arme

vreemdelingen hebben geen beter huis kunnen vinden. En voor u, die

hongerig en moe moet zijn na die lange wandeling, die ge in uw hoogen

ouderdom ondernomen hebt, moet het beter zijn, dat de hut door menschen

bewoond wordt, dan door wolven van de Sabijner bergen. Nu vindt ge

toch daarbinnen een bed om op te rusten, een schotel geitenmelk en

een stuk brood, als ge dat voor lief wilt nemen."

De oude glimlachte even, maar dat lachje was zoo vluchtig, dat het

de uitdrukking van diepe smart niet kon verdrijven, die op haar

gezicht rustte.

"Ik heb mijn heele jeugd hier in de bergen doorgebracht," zei ze; "ik

ben de kunst nog niet vergeten een wolf uit zijn hol te verdrijven."

En ze zag er werkelijk zoo sterk en krachtig uit, dat de arbeider er

niet aan twijfelde, dat zij, niettegenstaande haar hoogen ouderdom,

nog kracht genoeg had om te strijden met de wilde dieren in het bosch.

Hij herhaalde intusschen zijn uitnoodiging en de oude vrouw trad de

kamer binnen.

Zij zette zich aan den maaltijd met de arme lieden en nam daaraan

deel zonder aarzelen.

Maar hoewel zij heel tevreden scheen met het grove brood in melk

geweekt, dachten de man en de vrouw beiden: "Waar kan toch die

oude zwerfster vandaan komen? Zij heeft zeker vaker faisanten van

zilveren schotels gegeten, dan zij geitenmelk heeft gedronken uit

aarden schotels."

Nu en dan hief zij haar oogen op van den grond en keek rond, alsof ze

trachten wilde alles in de hut te herkennen. De armoedige woning met

haar kale wanden van klei en haar aarden vloer waren zeker niet veel

veranderd. Zij wees zelfs haar gastheer en gastvrouw hoe op de muren

nog enkele sporen te zien waren van honden en herten, die haar vader

daar geteekend had tot vermaak van zijn kleine kinderen. En op een

plank in de hoogte meende zij nog de scherven te zien van een aarden

vat, waarin zij zelf de melk placht te gieten.

Maar de man en de vrouw dachten: "Het zal zeker wel waar zijn, dat

zij in deze hut geboren is, maar zij heeft toch wel anders in het

leven te doen gehad dan geiten melken en boter en kaas maken."

Zij merkten ook, dat zij dikwijls ver weg was met haar gedachten,

en dat ze diep en zwaar zuchtte zoo vaak ze tot zichzelf kwam.

Eindelijk stond ze op van den maaltijd. Ze dankte vriendelijk voor

de gastvrijheid, die ze genoten had en ging naar de deur.

Maar toen kwam het den arbeider voor, dat zij zoo deerniswaardig

eenzaam en arm was, dat hij uitriep: "Als ik mij niet vergis, was

het uw plan niet, zoo spoedig deze hut te verlaten, toen ge vannacht

hierheen kwaamt. Als ge werkelijk zoo arm zijt als ge schijnt, zal

het wel uw bedoeling geweest zijn, hier al de jaren te blijven, die

ge nog te leven hadt. Maar nu wilt ge heengaan, omdat mijn vrouw en

ik de hut reeds in bezit genomen hebben."

De oude ontkende niet, dat hij goed geraden had. "Maar deze hut, die

zooveel jaren alleen gestaan heeft, hoort evenzeer van u als van mij,"

zei ze. "Ik heb geen recht u daaruit te verdrijven."

"Maar het is toch de hut van uw ouders," zei de arbeider; "en ge hebt

er zeker meer recht op dan ik. Bovendien zijn wij jong en gij zijt

oud. Daarom moet gij blijven en wij zullen heengaan."

Toen de oude deze woorden hoorde, was zij zeer verwonderd. Zij wendde

zich om op den drempel en staarde den man aan, alsof zij niet begrepen

had wat hij met zijn woorden meende. Maar nu mengde zich de jonge

vrouw in 't gesprek:

"Als ik mocht doen wat ik wilde," zei ze tegen den man, "zou ik die

oude vrouw willen vragen, of ze ons niet als haar kinderen beschouwen

wil en ons hier bij haar laten blijven om haar op te passen. Wat

zou het haar helpen, of we haar al deze armoedige hut gaven en haar

dan verlieten? Het zou vreeselijk voor haar zijn alleen hier in de

wildernis te wonen en waar zou ze van leven? Het zou hetzelfde zijn

als haar dood te laten hongeren."

Maar de andere ging naar den man en de vrouw toe en keek ze

onderzoekend aan.

"Waarom spreekt ge zoo," vroeg ze; "waarom bewijst ge mij

barmhartigheid? Ge zijt immers vreemdelingen?"

Toen antwoordde de jonge vrouw: "Dat doen wij, omdat we eenmaal zelf

groote barmhartigheid ondervonden hebben."

Christuslegenden(#44506) · 第 12 / 28 题