Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij op de stoep
van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met vogels
te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van den
pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was
zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden
Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te
bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had
hem nooit iets durven vragen. Maar zie--hij wist nauwelijks hoe dat
gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar zijn
buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had hem
zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen maken.
Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en rood
haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die hij
gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens. Voor
't oogenblik was hij stil; hij kibbelde en vocht niet, maar werkte aan
een stuk klei op dezelfde manier als Jezus, maar die klei had hij zelf
niet kunnen krijgen, hij durfde den pottenbakker nauwelijks onder de
oogen te komen, want die beschuldigde hem van steenen op zijn broze
waar te gooien en zou hem met stokslagen hebben weggejaagd. Jezus
had zijn voorraad met hem gedeeld.
Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in een
kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er altijd
uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in plaats
van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare vleugels.
Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de
kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend
omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij
kon hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en
dan van ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn
vogels zoo mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de
bosschen op Tabor.
Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene kwam
hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en liefde;
zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en zusjes;
zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden, liedjes voor
hem zingen, als zijn moeder van hem wegging. Hij had zich nooit zoo
rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu eenzaam of verlaten wezen.
De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn
zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat
te zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote,
leege teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus' lichte,
krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem,
dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren
uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld,
wat alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak zóó, dat de waterdrager
en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om naar hem
te luisteren.
Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. "Kijk eens wat
mooie vogels Judas maakt," zei hij.
Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of
zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar
niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn
werk. En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels
en reed door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver,
dat haar schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die
met een Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat
verhief, en de zonneschijn die tegen den avond kwam was rozerood,
alsof die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg
kwam, terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten
van den pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de
zaag van den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria.
Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes,
die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat
bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het
dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels
met den fonkelenden zonneglans te verven, die 't water, den huismuren
en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf.
En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit
een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van
klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als
van diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te
zien of hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet
van blijde bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei
met zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van
de straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en
trachtte den zonneschijn op te vangen.
Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn
vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem
te grijpen, de zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur aan
zijn arme vogels geven.
"Wacht, Judas!" zei Jezus. "Ik zal bij je komen en je vogels verven."
"Neen," zei Judas, "je moogt er niet aankomen, ze zijn mooi genoeg,
zooals ze zijn."
Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En
hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na
den ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels
vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat
te streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje
zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van.
Toen hij zijn voet terugtrok en 't vogeltje in een propje klei
veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te
lachen, en hij hief den voet op om er nog een te vertrappen.
"Judas!" riep Jezus, "wat doe je? weet je niet, dat ze leven en
kunnen zingen?"
Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel.
Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had
geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij
was niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels
kunnen vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier
van zijn vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over.
Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich
lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in
de handen en riep ze toe: "Vliegt weg, vliegt weg!"
Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig
fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze
veilig waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen
en wegvlogen op Jezus' bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich
de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze
in angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus' voeten.
En daar bleef hij liggen en wentelde zich in 't stof, en kuste Jezus'
voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te vertrappen,
zooals hij het zijn speelgoed gedaan had.
Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem--en haatte
hem tegelijk.
Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had,
stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot
en liefkoosde hem.
"Arm kind," zei ze. "Je weet niet, dat je iets geprobeerd hebt wat geen
schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan wordt je de ongelukkigste
mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan, als we probeerden een
wedstrijd aan te gaan met Hem, die met zonneschijn schildert en den
adem des levens in de doode klei blaast?"