Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een kind, die in
den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje was zulk een
mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden als sterren.
De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was
om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en
lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen,
vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te
onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen,
het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote
koperen poorten, die zóó zwaar waren, dat er dertig man voor noodig
waren om ze op haar hengsels te doen draaien.
Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel
om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het
merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang
duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, waar zij
woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken.
Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof
hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats
daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de
nauwe straat te Nazareth te spelen.
Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde,
des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar
toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid.
Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder
medelijden met hem kreeg. "Nu hebben we te lang met je geloopen,"
zei ze. "Kom, nu moet je een poosje rusten."
Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest
gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep
spoedig in.
Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man:
"Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik, dat hij
hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als hij
dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven."
"Ik ben ook bang geweest voor deze reis," zei de man. "Toen hij geboren
werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er op wezen dat hij een
machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent de waardigheid van
een koning onder deze bekommeringen en gevaren? Ik heb altijd gezegd,
dat het voor hem en ons het beste was, als hij nooit anders werd dan
een timmerman in Nazareth."
"Al sinds zijn vijfde jaar," zei de moeder nadenkend, "zijn er geen
wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf herinnert zich niets meer
van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd is. Hij is nu heelemaal
een kind met andere kinderen. Gods wil geschiede boven alles, maar ik
begin bijna te hopen, dat de Heer in Zijn genade een ander zal kiezen
voor die groote roeping, en Hij mij mijn zoon zal laten behouden."
"Wat mij betreft," zei de man, "ik ben er in elk geval zeker van,
dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen, die er in zijn
eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal gaan."
"Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare," zei de vrouw. "Maar
ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets gebeuren kan,
waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang voor geweest
hem hier naar dezen tempel te brengen."
"Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is," zei de man. "We
zullen hem nu gauw weer thuis hebben in Nazareth."
"Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den tempel," zei
de vrouw. "Ik was bang voor de profeten, die hier op hun matten
zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen kwam, ze zouden
opstaan en zich neerbuigen voor het kind en hem begroeten als den
koning van Judea. 't Is wonderlijk, dat ze zijn heerlijkheid niet
voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit gezien."
Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken.
"Ik kan 't bijna niet begrijpen," zei ze. "Ik dacht dat, als hij die
rechters zag, die zitten in 't huis van den Heilige en de twisten der
menschen beslechten, en die leeraars, die tot hun leerlingen spreken
en de priesters, die den Heer dienen, hij opeens wakker zou worden
en zeggen: "Hier, bij die rechters, die leeraars, die priesters wil
ik leven, daarvoor ben ik geboren."
"Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen opgesloten te
zitten?" viel de man haar in de rede. "'t Is beter voor hem rond te
dwalen op de heuvels en bergen om Nazareth."
De moeder zuchtte even. "Hij is zoo gelukkig bij ons thuis," zei
ze. "Wat is hij niet blij, als hij met de schaapherders mee mag op
hun eenzame zwerftochten, of op 't veld gaan, om te zien naar het
werk der landlieden? Ik kan niet gelooven, dat we verkeerd doen,
door te trachten hem voor ons te behouden."
"Wij besparen hem een groote smart," zei de man.
Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd.
"Zie zoo," zei de moeder, "ben je nu uitgerust? Sta nu op, want het
loopt tegen den avond en wij moeten naar onze slaapplaatsen terug."
Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw toen zij den
tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij
door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor
't eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen
den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot
en zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en
bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben
van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij
oude letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand
getracht had er een toon uit te halen.
Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd
staan. "Wat is dat daar?" vroeg hij.
"Dat is de groote bazuin, die "de Stem van den Wereldvorst heet,"
antwoordde de moeder. "Daarmeê riep Mozes de kinderen Israëls bijeen,
toen ze in de woestijn verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er
ook maar een enkelen toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan,
zal alle volken der aarde onder zijn heerschappij brengen."
Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de
knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin
was het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem
aantrok. Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed
te bekijken. Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in een grooten
breeden tempelhof kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof,
diep en breed, die al van oudsher zoo geweest was. Die spleet had
koning Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had
hij er over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen
afgrond. Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die
verscheidene ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant
naar boven lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag
de kling nog over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest;
aan de einden zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde,
zoodra iemand met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de
moeder den knaap met een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar:
"Wat is dat voor een brug?"
"Die is daar neergelegd door koning Salomo," antwoordde de moeder, "en
wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof kunt oversteken op die
zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner is dan een zonnestraal,
kun je er zeker van zijn in het Paradijs te komen." En ze lachte en
liep haastig verder, maar de knaap bleef staan en zag naar de smalle,
trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij haar gehoorzaamde, zuchtte
hij er over, dat ze hem die twee wonderbare dingen niet eerder had
laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om ze te bekijken.
Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote
ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden
in een hoek een paar pilaren van zwart marmer, op hetzelfde voetstuk,
zóó dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een strootje tusschen door
kon gestoken worden. Zij waren hoog en majestueus, met rijk versierde
kapiteelen, waarom een rij van wonderlijk gevormde dierenkoppen
liep. Maar geen duimbreed van die mooie zuilen was zonder schrammen
en scheuren, zij waren 't meest beschadigd en versleten van alles
wat in den tempel was. Zelfs de vloer er omheen was glad afgesleten
en was uitgehold door vele voetstappen.
Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: "Wat zijn dit
voor pilaren?"
"Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar Palestina
van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der Rechtvaardigheid
noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig voor God en
hij heeft nooit een zonde begaan." De knaap bleef staan en zag met
groote oogen naar de zuilen.
"Je zult wel niet probeeren er door te komen," zei de moeder
lachend. "Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door de velen,
die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je kunt
wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor het
gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er
hun schouders tegen om ze in beweging te brengen."
Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag niet
anders vóór zich dan de Poort der Rechtvaardigheid, de Paradijsbrug
en de Stem van den Wereldvorst. Van zulke wonderbare dingen had hij
vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar niet vergeten.
En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders
denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel
te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen
hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen,
maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen
waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel langzaam.
De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de verwarring
zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken. Plotseling kwam
hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan om ze nog eens
te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden. Hij zou wel
voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn.
Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen
wilde. Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het
duurde niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek,
waar de twee zwarte zusterzuilen stonden.
Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd. Hij
ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan
dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen,
rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, vond hij,
dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had.
Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee
zuilen door te dringen. Maar zij stonden zóó dicht bij elkaar, dat
het zelfs onmogelijk was het te beproeven.
Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij
meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken.
Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de rechters
van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten te
beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over
grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren
weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die
hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man,
gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht
een arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn.
De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig
handelde. Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar
dwingen het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm
dat zij, als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt
zou zijn aan den rijke haar dochters als slavinnen over te geven.
Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den rijken
man, en zei tot hem:
"Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet betaald
heeft?"
Toen antwoordde de rijke: "Heer, ik ben een rijk man; zou ik de moeite
nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik daar geen
recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand zal gaan
door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze vrouw mij
de som schuldig, die ik van haar begeer."
Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en
deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen
zou geven.
Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij
zich zelf: "Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der
Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de
waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te
zijn haar dochters tot slavinnen te maken."
Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen,
en keek door de spleet.
"Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk," dacht hij.
Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er
heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig
en zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter
wille van die arme vrouw.
Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich
een weg te banen.
En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek stonden,
naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het gewelf,
en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een rechts
en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat het
tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon.
Dat wekte de grootste verbazing en ontroering.
In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De menschen
stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een wonder
verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste van
de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en hem
voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn bezittingen
aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed gezworen had
in Gods tempel.
Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door
de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was.
Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij
verdwenen. Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar
gleden, was hij als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn
ouders en de reis naar huis herinnerd.
"Nu moet ik mij haasten," dacht hij; "anders moeten mijn ouders op
mij wachten."
Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten had voor
de Poort der Rechtvaardigheid; hij dacht, dat hij er maar een paar
minuten gebleven was. Daarom meende hij, dat hij nog wel tijd had
even naar de Paradijsbrug te kijken, die in een heel ander gedeelte
van den grooten tempel lag.
Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was
gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar
kon gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij,
dat dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging
op den rand van de kloof zitten om de kling te bekijken.
Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs
te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde
oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar
te probeeren.
En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van,
dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken.
Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich
bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen
witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden
en offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers
kwamen brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening
bijwoonden.
Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel klein mager lammetje
droeg, dat nog op den koop toe door een hond gebeten was, zoodat het
een groote wond had.
De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht
offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig
geschenk den Heer niet aanbieden kon.
De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen,
want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan
God kon offeren voor zijn genezing.
"Ge moet mij dit offer laten brengen," zei hij; "anders komt mijn
gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon zal sterven."
"Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb," zei de
priester; "maar het is bij de wet verboden een beschadigd dier te
offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als het
is over de Paradijsbrug te loopen!"
De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er dadelijk
aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen. Misschien
kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd werd.
De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond
op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op.
Hij dacht er in 't geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan om
zeker te zijn van het Paradijs. Zijn gedachten waren bij den arme,
dien hij verlangde te helpen.
Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: "Dat is onmogelijk;
zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens dragen."
Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op
sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij,
dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder
zijn voet.
En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem
heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem,
alsof hij een vogel geweest was en vleugels had.
Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap
er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om,
toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook
de anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen
kling liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen,
die daar stonden.
De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden
dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze
tot hem: "God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw
geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het offeren."
En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die over
de kloof was geloopen, maar toen zij naar hem zochten, konden ze hem
niet vinden.
Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij
weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets
van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht:
"Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te
wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de
Stem van den Wereldvorst."
En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten
naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur
geleund stond.
Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon
aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij
zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien
had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken.
Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde
te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude
bazuin zou kunnen blazen.
Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens
durfde probeeren.
Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd voorbij
ging. Hij dacht er alleen aan wat dàt wel voor een gevoel zou zijn,
alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te vereenigen.
Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man
zat en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een
van de jongelingen, die aan zijn voeten zaten en zei hem, dat hij
een bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat
deze jongeling een vreemde was en geen Israëliet. En nu vroeg hem
de heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen
onder een valschen naam.
Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen
geloopen had en over groote zeeën gevaren was, om de ware wijsheid
te hooren en de leer van den eenigen God.
"Mijn ziel versmachtte van verlangen," zei hij tot den heilige; "maar
ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als ik niet zeide,
dat ik een Israëliet was. Daarom heb ik gelogen, opdat aan mijn
verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij bij u blijven."
Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. "Gij zult evenmin
bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die groote
koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het
is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden,
daar gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn
leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den
tempel ontheiligt."
Maar de jongeling bleef staan en zeide: "Ik wil nergens anders
heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan
uw voeten sterven."
Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van den heilige
stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde,
wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap
zat daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht:
"Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin blazen,
zoodat hij geholpen was."
Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik wenschte
hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die dat
vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte
daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was.
En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of hij
haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich
ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk
klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote tempelruim.
Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een kleine
jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de klanken
aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen.
Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den
vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem:
"Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt! God
heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat
ge wordt ingewijd in Zijn dienst."
Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan
op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit
en zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: "Wij hebben onzen
zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren
was meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u
op weg ook voorbij een alleenloopend kind gereden?"
Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden:
"Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij een
heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan
door de Poort der Rechtvaardigheid."
Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders
hadden geen tijd om te luisteren.
Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen
en vroegen het hun.
Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een
heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en
dat geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles
staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden
geen tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in.
Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te
vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel.
Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: "Nu we toch hier zijn,
laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een kind is,
waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is gekomen."
Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien.
"Ga recht uit, tot waar de heilige leeraren met hun leerlingen zitten;
daar is het kind. De ouden hebben hem tusschen zich in gezet. Zij
vragen hem en hij vraagt hun en allen verwonderen ze zich over
hem. Maar alle menschen blijven staan voor den tempelhof, alleen om
een glimp te zien van hem, die de Stem van den Wereldvorst aan zijn
lippen heeft gebracht."
De man en de vrouw baanden zich een weg door het volk en zij zagen
dat het kind, dat bij de wijze leeraren zat, hun zoon was.
Maar zoodra de vrouw het kind herkende, begon ze te schreien.
En de knaap, die bij de wijze mannen zat, hoorde dat iemand
schreide. En hij herkende de stem van zijn moeder. Toen stond hij op
en kwam bij zijn moeder, en de vader en de moeder namen hem tusschen
zich in en gingen met hem uit den tempel.
Maar al dien tijd bleef de moeder schreien en het kind vroeg:
"Waarom weent ge? Ik kwam immers bij u, zoodra ik uw stem hoorde?"
"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik meende dat je voor mij
verloren waart."
Zij gingen de stad uit en het duister viel. En nog altijd schreide
de moeder.
"Waarom schreit ge?" vroeg het kind; "ik wist niet dat de dag voorbij
was. Ik dacht, dat het nog morgen was, en ik kwam bij u, zoodra ik
uw stem hoorde."
"Zou ik niet schreien?" zei de moeder; "ik heb je den heelen dag
gezocht; ik meende dat je voor mij verloren waart."
Zij liepen den heelen nacht door en aldoor schreide de moeder. Bij
het aanbreken van den dag zei het kind: "Waarom schreit ge? ik heb
niet mijn eigen eer gezocht, maar God heeft mij wonderen laten doen,
omdat Hij deze drie arme menschen helpen wilde en zoodra ik uw stem
hoorde, kwam ik weer bij u terug."
"Mijn zoon," antwoordde de moeder, "ik schrei, omdat ge toch voor
mij verloren zijt. Mij zult ge nooit meer toebehooren. Van nu af
aan zal uw geheele streven zijn: rechtvaardigheid, en uw verlangen
zal uitgaan naar het Paradijs en uw liefde zal alle arme menschen
omvatten, die de aarde bevolken."