Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide voor lange,
lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die door de
woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te bewonderen,
want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht te zeggen,
dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou worden.
Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien
over de woestijn, kreeg hij op een dag iets in 't oog, dat zijn
geweldige bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen
van verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee
eenzame menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk
een afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch
zeker twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,--want de
palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen,
geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden.
"Voorwaar," zei de palm tot zichzelf, "die twee zijn hier gekomen om
te sterven."
De palm wierp snel een blik om zich heen.
"Het verwondert me," zei hij, "dat de leeuwen dien buit nog niet
vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik nog geen
van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht een
zevenvoudige dood," dacht de palm. "De leeuw zal ze verslinden, de
slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen, de zandstorm
zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek zal hen
treffen en de vrees ze doen sterven."
En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen
stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle
kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend
jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest
weer aan die twee zwervers denken.
"Bij de droogte en den storm!" zei de palm, de twee gevaarlijkste
vijanden van het leven aanroepende, "wat heeft die vrouw daar op den
arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij zich hebben."
De palm, die vèrziende was, zooals de ouden van dagen gewoonlijk
zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op den arm,
dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep.
"'t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan," zei de palm. "Ik zie,
dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt en dat om het kindje
heengeslagen. Zij heeft het in groote haast uit zijn bedje genomen
en is er meê weggesneld. Nu begrijp ik het: deze menschen zijn
vluchtelingen."
"Toch zijn het dwazen," ging de palm voort. "Als niet een engel
hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun vijanden moeten
afwachten, dan de woestijn in te gaan.
"Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan is. De man was aan
zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is naar buiten
gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur gekomen was,
heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen gevlogen,
heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te volgen, en
is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de vlucht
geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles gegaan,
maar toch zeg ik:--als geen engel ze beschermt....
"Zij zijn zóó bang, dat ze nog geen moeheid of ander lijden voelen,
maar ik zie hoe de dorst hun uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht
van een dorstig mensch maar al te goed."
En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door
zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om,
alsof ze boven het vuur gehouden werden.
"Als ik een mensch was," zij hij, "zou ik me nooit in de woestijn
wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder wortels te bezitten, die bij
de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet wel heel moedig
zijn. Zelfs voor palmen kan 't hier gevaarlijk zijn. Zelfs voor palmen
zooals ik.
"Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken terug te keeren. Hun vijanden
kunnen nooit zoo wreed zijn als de woestijn. Misschien meenen zij,
dat het gemakkelijk is hier te leven. Maar ik weet, dat zelfs ik vaak
moeite gehad heb om in 't leven te blijven. Ik herinner me nog hoe in
mijn jeugd een stormwind een heelen berg zand over me heen gooide. Ik
was bijna gestikt. Als ik had kunnen sterven, zou dat mijn laatste
uur geweest zijn."
De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk doen.
"Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon gaan," zei
hij, "alle punten aan mijn bladen moeten trillen. Ik weet niet, wat
me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme vreemdelingen. Maar
die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me aan het
wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde."
En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen,
herinnerde de palm zich hoe eens, héél lang geleden, twee schitterende
schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de koningin
van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo vergezeld. De
schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de koning had
haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden.
"Ter herinnering aan dit oogenblik," zei toen de koningin, "leg ik nu
een dadelpit in den grond en ik wil, dat daaruit een palm ontkiemen
zal, die zal groeien en leven tot er in Juda een koning zal opstaan,
die grooter is dan Salomo." En toen zij dit gezegd had, stak zij de
pit in den grond en haar tranen bevochtigden die.
"Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk," zei de
palm. "Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de schoonste
aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik geleefd
heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?"
"Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen," zei de palm, "en het
klinkt droevig als een doodslied. Het is als een voorteeken. 't Is
goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan, want ik kan niet
sterven."
De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers
gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure
naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als
zij voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten
van den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar
voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze
moesten omkomen....
Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich
daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen,
zonken zij ineen van wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De vrouw
legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand van
de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met zijn
beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er samen
over spraken, dat zij sterven moesten.
Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van
twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote,
verwachte koning van Juda geboren zou zijn.
"Het suist al sterker in mijn bladen," zei de palm. "Spoedig zal voor
deze arme vluchtelingen hun laatste ure slaan."
Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn.
De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de
krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat
zij zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven.
"God zal ons bijstaan," zei de vrouw.
"Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen," zei de man. "Wij
hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons bijstaan?"
Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen
den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in
het hart.
De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knieën. Maar de
uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van
grenzenlooze vertwijfeling.
De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker
werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd
op en zag naar de kroon van den boom.
"O, dadels, dadels!" riep zij.
Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm wenschte,
dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels zoo
gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik. Hij
wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe
zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op
kunnen klimmen?
De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen
hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw,
niet naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had
rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep
van zijn moeder gehoord.
Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet
alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had
hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd
trok hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er
een glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij
ging op den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn
lief kinderstemmetje:
"Palm, buig je, palm, buig je."
Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm suisde, alsof een orkaan
zijn takken schudde en door den langen palmestam ging de eene rilling
na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te machtig was. Hij
kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam voor het kind,
zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen boog zonk hij
ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de groote kroon
met de trillende bladen het woestijnzand raakte.
Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een vreugdekreet
kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen los uit
de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de boom
nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam,
streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje:
"Sta op, palm, sta op, palm."
En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn
veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen.
"Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen," zei de oude palm
in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. "Dat is niet voor een van
deze menschen."
Maar de man en de vrouw lagen op hun knieën en loofden God.
"Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de sterke,
die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze
vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?"
Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok, zagen
de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord was.
"Hoe kan dit zijn?" zeide een reiziger. "Deze palm zou immers niet
sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter was dan Salomo?"
"Misschien heeft hij dien ook gezien," antwoordde een ander van de
woestijnreizigers.