1 Halt

Juist op dit oogenblik, achter de huizen, scheurde de krijschende gil

eener stoomfluit als een noodkreet de reine morgenlucht. Met een schok

keerden de bengels zich om, ontwaarden, op een honderdtal meters

afstands, de zware, vierkante karkas eener tram-locomotief, die

scheefhellend, uit een bocht op hen af kwam, in bruisend geroffel van

stoom en metaal. Met een scherpen angstkreet sprongen zij op zijde en

vluchtten ijlings weg, hun hoepels in de hand.

* * * * *

Op dat zelfde oogenblik verliet Mercié het huisje der twee oudjes. Het

was in hem als een weerlicht gevolgd van een donderslag, toen hij zijn

wagen aan het uiteinde van 't straatje niet meer zag en tegelijkertijd

den scherp-trillenden gil van de locomotief vernam. Het sloeg hem in de

beenen. Hij snelde zwak vooruit met een instinctmatig angstgehuil, hij

kwam, om zoo te zeggen, op het vreeselijk schouwspel vallen: zijn paard

en wagen als door een storm omvergezweept en verbrijzeld, het zwaar

stalen monster uit de rails geschokt en nog een eind ver door de mulle

aarde ploegend, in een afgrijselijk gekraak, alarmgefluit en wild

schreeuwende menschenstemmen.

* * * * *

Het waren enkele minuten van woeste verwarring.

De trein had twintig meters verder in een klaverveld gestopt, enkele

reizigers kwamen er gillend uitgevlucht en holden in het veld, anderen

keerden naar de plaats der ramp terug, omringden, met wilde gebaren en

kreten, het verbrijzelde gespan. In een oogwenk was ook de helft van het

gehucht daar aangesneld en twee mannen hielden met geweld den

rampzaligen Mercié in bedwang, die zich de haren uit het hoofd rukte en

luidkeels schreide dat hij zich om 't leven wou brengen. Het paard, op

slag door de locomotief gedood, lag op de rechterzijde uitgestrekt,

tusschen de witte splinters der verbrijzelde draagboomen, de huid boven

den linkerschouder van het rauwe vleesch gerukt, den mond, waaruit

langzaam een straaltje bloed liep, dat zich een stap verder tot een

donkeren plas uitbreidde, half geopend in een wreeden grijnslach, die de

groote gele tanden en de bleeke tong liet zien. De glasachtige oogen

stonden vervaarlijk wijd open; en uit den gedeeltelijk vernielden wagen

waren de brooden gerold tot over de spoorbaan, de gouden korsten

blinkend in de zon, enkelen vertrapt reeds, bezoedeld met bloed en

modder: een ontroerend symbool van verbrijzelde vrede en zachtheid in

't midden van dat jammerlijk moordtafereel.

* * * * *

Mercié was weggevlucht. Hij had zich in een herberg laten leiden, hij

had er, als onbewust, een glas jenever, dat men hem dringend voorhield,

uitgedronken, en in 't geharrewar was hij gevlucht, als een bezetene

door een afgrijselijke nachtmerrie vervolgd, in de richting van de stad.

Hij wist niet meer wat hij deed, hij dacht niet meer, hij voelde niet

meer; er was niets meer in hem, benevens de wilde inpulsie die hem

instinctmatig, onweerstaanbaar vooruitstuwde, dan een ontzettende

duizeling van smart, een afschuwelijk, physiek-onuitstaanbaar gedruisch,

dat in zijn ooren, in zijn hoofd, door gansch zijn lichaam gonsde, als

werden al zijn zintuigen en krachten er in opgelost en overweldigd. Dat

bromde in zijn binnenste gelijk een vloed die stroomt, gelijk een storm

die huilt in naakte boomen; dat stuwde hem vooruit, zinneloos,

blindelings vooruit, vooruit om er den adem bij te verliezen, vooruit

naar een doel, dat hij zelfs niet vermoedde.

Hij werd het zich eerst bewust, dat onbestemde doel, toen hij 't bereikt

had. Werktuigelijk hadden hem zijn wilde stappen naar de stad terug

gebracht. Werktuigelijk, langs een doolhof van kleine straten, was hij

tot de groote broodfabriek _"De Veldbloem"_ weer teruggekeerd.

Met den onzekeren stap van een slaapwandelaar trad hij onder de hooge

wagenpoort, klom rechts eenige treden op, volgde een smallen, duisteren

gang, kwam vóór een glazen binnendeur die uitzicht had op eene lage,

ruime zaal, waar, over hooge lessenaars gebogen, talrijke bedienden,

onder brandende gasbekken met groengeverfde lichtweerkaatsers, zaten te

schrijven. Zachtjes, als in een droom, klopte Mercié op een der ruiten,

vernam het korte "binnen" eener onverschillige stem, opende de deur,

stond voor een lage houten balustrade, bleek als een lijk, zijn pet in

de bevende hand.

- Eiwel?"

Hij zag een kleinen commies, in linnen werkbuisje en de pen achter het

oor, met deze vraag tot hem naderen. Hij antwoordde werktuigelijk, met

een schorre stem, bijna den klank van zijn eigen woorden niet vernemend:

- Er es 'n ongeluk gebeurd: de stoomtram hê mijn peird deud gerêjn en

mijn waogen kapot geslegen, ginder op de stienwig van Baovel."

Al de bedienden, geschokt, hadden het schrijven gestaakt, en keken

roerloos, in scheeve houding over hun lessenaars gebogen, naar het

ontdane gezicht van den broodvervoerder, die zich met zijn beide handen

als in onmacht op de balustrade had geleund, terwijl hij nog eens, in

gehorte, afgebroken zinnen, de onheilspellende tijding herhaalde.

Gedurende ettelijke oogenblikken heerschte een volkomen stilte als van

verslagenheid in de ruime zaal.

Toen stond in den versten hoek een man op, die plechtig, tusschen de

lessenaars, tot Mercié naderde.

Hij was hooggekleurd van gelaat en gespikkeld van haren, met een zwaren,

grijzenden knevel, die een stuursche lijn door zijn gezicht trok. In het

knoopsgat van zijn lange zwarte jas prijkte een veelkleurig ordelint.

Twee passen vóór de balustrade hield hij stil, nam den rampzaligen

Mercié in een barschen blik als van rechtmatige verontwaardiging van het

hoofd tot de voeten op, vroeg hem, brutaal, in de bange stilte der

scheef over hun lessenaars gebukte commiezen:

- Woa zegde doar? Woa hêtte gedoan?"

- 'K en hêje'k ik niets gedoan, menier den directeur, moar 'n ongeluk,

'n schrikkelijk ongeluk es mij veurgevallen: de stoomtram van Baovel hê

mijne woagen kapot geslegen en mijn peird deud gerêjn."

Een vlam van toorn schoot uit de harde grijze oogen van den chef en zijn

hooggekleurd gelaat werd purper. Een oogenblik scheen hij op 't punt in

overweldigende woede uit te barsten. Doch hij bedwong zichzelf met een

brusk gebaar en begon zijn enquête, onverbiddelijk, woord na woord, aan

de weerlooze ontdaanheid van den ellendigen Mercié de bekentenis van al

de omstandigheden en bijzonderheden van het ongeluk afpersend. Zoo

vernam hij 't gewone bezoek aan de twee oudjes, het brood ten huize

gebracht en het traditioneele borreltje, allen streng strafbare

overtredingen van 't reglement.

Hij keerde zich om tot zijn commiezen, zette ze met een blik weer aan

't werk, schelde om een anderen voerman, beval hem ter hulp naar de plaats

der ramp te rijden. En dan, na enkele seconden ingespannen denken zich

weer tot Mercié wendend, sprak hij met een trage, heldere, in de

benauwde stilte der zaal hoogmoedig-streng galmende stem, als nam hij de

gelegenheid te baat om aan allen een geduchte les te geven:

- Mercié, al wa dat er gebeurd es, es ou schuld, en doarom zilt g' euk

al de schoa betaolen. Ge zilt 't verongelukte peird betaolen, de

reparoatie aan de waogen, de verloren en beschoadigde woare. Doarom zal

er oa ieder weeke den helft van ouw leun achtergehoûen worden. En as er

in dien tusschentijd nog ne kier wa gebeurt da nie zjuust en es, eiwel,

me zillen ou wigjoagen. Hé je 't verstaan? Goa nui.

De directeur strekte de hand uit en Mercié verdween.

Uit Vlaanderen · 第 34 / 40 题