I.

Dien morgen, evenals elken dag, was Mercié klokslag zes met zijn

vrachtwagen vertrokken.

Het was een man van omtrent vijf en veertig jaar, met zachte bruine

oogen in een beenderig gezicht, bruingebrand van buitenlucht en zon, en

omlijst van nog donker krulhaar en zwartgekroesde bakkebaarden. Hij

droeg een zwart verlakte uniformpet met blauw bandje; op zijne

linkerheup, vastgemaakt aan een blauw koordje, hing schuins de tinnen

horen, waarmede hij zijne komst in de dorpen aankondigde. En onder zijn

buis, gehecht aan een riem die om zijn lendenen gegespt was, hing een

zwart-lederen tasch, waarin hij het op zijn weg ontvangen geld

vergaarde. Elken morgen, zijn wagen geladen tot aan het dekzeil, verliet

hij aldus de groote broodfabriek _De Veldbloem_, om, in een rondreis

welke den ganschen dag duurde, de omliggende dorpen van brood te

voorzien. Een ieder, langs den weg, kende hem van aanzien, doch weinigen

wisten zijn naam; men noemde hem eenvoudig: "de Broodvervoerder."

* * * * *

Hij had de reeds woelige voorstad verlaten, zijn paard, een zwart

Brabantsch merrietje van een zeldzame sterkte, draafde zwaar, in de

regelmatig klinkende kadans der hoefijzers, langs den smallen, vaak

bochtigen, met slooten en boomen bezoomden steenweg, die van de stad

naar het dorp Baevel loopt. Enkele villa's, de vensterluiken nog

gesloten, doken poëtisch half op uit de omringende loovermassa's harer

tuinen; langs den op dit vroege uur nog weinig bezochten straatweg

ontmoette hij niets dan stadwaartsrijdende, groene melkkarretjes, hun

glimmende koperen kannen en potten half verborgen onder versch stroo,

hun lichte paardjes gevoerd door jonge boerenknapen of meisjes, met

welke hij glimlachend, in 't voorbijgaan, den gewonen goeden morgen

wisselde. Het was de tijd der rijpe oogsten: bij plaatsen rees, als een

schetterende symphonie van kleuren, een overweldigende woekering van

blauwe, roode en witte bloemen uit de blonde, neergestreken aren; de

klavervelden, grijs van paarlendauw, geurden honigzoet; de zon, reeds

warm, steeg in een vlekkeloos, bijna hard azuur, een brandend-heeten dag

voorspellend.

* * * * *

En Mercié, op den bok van zijn wagen gezeten, voelde zich, in het

lichtschommelend geratel der wielen, door een zacht gevoel van welzijn

streelen. Zijn gedachten en gewaarwordingen waren vaag en verwijderd,

van een zachte en eentonige gelijkheid, van een gelukkige rust, vrij van

kommer en van zorgen. Hij voelde zijn leven nu veel aangenamer dan toen

hij eenvoudig fabriekwerker was; hij dacht dat zijn tegenwoordig loon

van drie frank vijftig daags nu toch voldoende was om netjes te voorzien

in het onderhoud zijner vrouw en vier kinderen.... zijner vijf kinderen

weldra......; en hij benijdde niemands lot meer, hij volbracht gaarne

zijn zindelijk en niet te lastig werk, hij was gelukkig en opgeruimd van

gemoed, er was in hem een sensatie van zeer kalme, zeer sereene

toekomst, van een nog zeer lang en vreedzaam leven, dat zich tot het

einde zou ontrollen gelijk nu, in een stille middelmatigheid, in een

bevredigende nederigheid, zonder eerzucht noch kwellingen.

* * * * *

Hij was gekomen in een klein gehucht welk eene nog niet lang geopende

stoomtramlijn doorkruiste. Terstond, uit dagelijksche gewoonte,

veranderde 't paardje van zelf zijn draven in stapvoets gaan, terwijl

Mercié, uit zijn zoete mijmeringen gerukt, van den bok sprong en in zijn

horen blies.

Deuren werden geopend, vrouwen kwamen geloopen, haar dagelijkschen

voorraad versch brood bestellend. Zonder een enkel oogenblik zijn

paardje stil te houden, dat met zijn tragen, zwaren tred langs de lage

huisjes vorderde, had Mercié de beide achtervleugels van den wagen wijd

geopend, en, na een opgeruimden "goên morgen" bediende hij zijn klanten,

nam, met een bedreven gebaar, van den goudgelen, goed-geurende, scheef

staanden stapel, één brood, twee brooden, drie brooden, die hij haar op

de palm der rechterhand toereikte, terwijl hij in de linkerhand de

koperen of nikkel munt ontving, waarvan hij met een vluggen blik het

bedrag controleerde, alvorens de stukken in de lederen tasch te laten

vallen. Soms maakte hij even een kort praatje, wisselde een kwinkslag of

een schalks geknipoog, maar altijd al gaande, zijn klanten dienende,

zuinig lettend op den tijd waarvan elk oogenblik zijne bestemming had.

Eerst aan het uiteinde der straat, op een twintigtal meters afstands van

de stoomtramlijn, hield het ros, nogmaals uit eigene beweging, stil.

Dáár was, rechts, tusschen de twee laatste huizen, een bochtig slopje,

waar de wagen niet door kon rijden, en waar, in een klein huisje, twee

oude, kreupele vrouwtjes woonden, aan wie Mercié, driemaal in de week,

zelf een brood ging brengen. Telkens werd hij er onthaald op een

borreltje jenever; telkens, terwijl men hem zijn centen op een hoek der

tafel telde, namen zij, met een lekkerbekkend glimlachje, een snuifje

uit de doos die hij haar toestak. Het brood brengen, het borreltje

binnenslaan, het snuifje aanbieden, het geld nemen en naar den wagen

terugkeeren, dat alles samen duurde misschien drie minuutjes: drie

minuutjes waarin het verstandig en goed afgerichte merrietje alleen

bleef.

* * * * *

Mercié dan, vóór den ingang van het straatje zijn paard een oogenblik

alleen latend, had een brood onder den arm genomen en liep haastig in de

richting van het huisje. Hij ontmoette onderweg twee knapen, die,

hoepelend, de straat op stoven. Aan den hoek van 't laatste huis hielden

zij stil en keken belangstellend naar den wagen en het paard, roerloos

op hun zwiepende hoepels geleund. Beiden, witblond van haar, met

heldere, blauwe oogen, hadden een bizonder wakker snuitje onder de

onreinheid hunner huid. Hun naakte voetjes waren aardkleurig, en voor

alle kleeding droegen zij een grauw bezoedeld en gescheurd hemd, en een

te kort geworden, overal met lappen en stukken verstelde broek, waarvan

de pijpen onderaan als in touwtjes uitgerafeld hingen.

Roerloos en stom, als het ware gehypnotiseerd, bleven zij aldus enkele

seconden aandachtig den wagen aanstaren. Toen maakte een van hen, als in

een plotseling besluit, een stap voorwaarts, en riep:

- Hue!"

Het ros bleef staan. Maar, net of het verstandig beest wou zeggen dat

het 't bevel wel gehoord had doch dit niet begreep, stampte het even met

het linker voorbeen en schudde zijn twee ooren, van voren naar achteren

en van achteren naar voren, in een gebaar van verveling, als om een

plagende vlieg te verjagen.

De bengels, verlustigd en geprikkeld, uitten een lachje, keken elkaar

ondeugend aan; en de eerste riep opnieuw, hardop nu, met uitgerekten

hals:

- Hue!.... hue!"

Ditmaal spande het paard lendenen en kniebogen, plantte zijn ijzers

scherp tusschen de steenen, trok. Langzaam, in zwaar hossebossen, raakte

de wagen in beweging, rolde voorbij het laatste huis der straat, kwam op

de rails der spoorbaan uit.

- Ouw! ouw!" [1] riepen de knapen, eensklaps verschrikt het dier zoo

gedwee te zien gehoorzamen.

Uit Vlaanderen · 第 33 / 40 题