II.

Nu waren 't vreeselijke maanden.

Daar zijn loon van drie frank vijftig daags maar juist toereikend was om

hem en zijne vrouw en zijne vier, nu zijne vijf kinderen het bestaan te

verzekeren, was het, na de vermindering tot op de helft, de schielijke,

onverwachte en afgrijselijke armoede. Het was, maanden en maanden lang,

een nooit volbrachte strijd, een onzeggelijke gruwel aan zijn lieve,

door haar laatste kraam zoo zeer verzwakte vrouw, aan zijn teere, door

de ongezonde stadslucht reeds verkwijnende kinderen, gedurende dien

ruwen, eindeloozen winter het zóó noodige versterkend voedsel, kleederen

en verwarming te moeten beperken. Hem zelf kon 't weinig schelen: 't was

voor de anderen, voor hen die leden door zijn schuld, dat hij de

marteling uitstond.

Hij rookte graag een pijpje op zijn lange tochten: hij brak met die

gewoonte af. Hij dronk graag een glas bier, 's zondags, onder het

kaart- of biljartspelen: hij, zag er insgelijks van af. Hij hield voor

zijn genoegen enkele postduiven, die hij soms, o, zoo zelden toch, in

prijsvluchten liet mededingen: hij verkocht ze. En ook het mooi bruin

hondje, dat zij allen toch zoo liefhadden, werd aan een vriend gegeven,

om er niet langer de tien frank jaarlijksche belasting voor te moeten

betalen. Hij zei vaarwel aan alle vermaak en genot dat,--hoe weinig

ook--geld moest kosten, hij kende niets meer dan den harden, wrangen

plicht, dan de wrange, halsstarige bekommering zich zoo spoedig mogelijk

vrij te maken van die wreede schuld, die, op den dag der ramp, als een

mokerslag op hem gevallen was.

Experten hadden de schadevergoeding berekend. Het paard, dat een waarde

van achthonderd frank had, was voor honderd vijftig aan het slachthuis

verkocht: dus zeshonderd vijftig frank vergoeding voor het paard. De

reparatie aan den wagen had honderd vijf en twintig gekost, en de

beschadigde of verloren ware werd geschat op vijf en zeventig. Want men

had brood gestolen: meer dan honderd brooden waren verdwenen, in het

gewoel en de verwarring welke op de ramp gevolgd waren. Dat was te zamen

achthonderd vijftig frank: voor hem en zijn gezin ruim een jaar lijden

en ellende.

In _De Veldbloem_ had Mercié met een anderen wagen en een ander paard

zijn dienst hernomen. En dat was hem een nieuwe oorzaak tot droefheid:

men had hem een oud en triestig afgereden beest gegeven, dat hem niet

kende, dat niemand meer kende, dat nooit voor hem een makker wezen zou,

gelijk het lief, verstandig, zoo ellendig verongelukte Brabantsch

merrietje eenmaal geweest was. Ook in _De Veldbloem_ voelde hij wel,

ondanks zijn verdubbelde vlijt, ondanks al zijn pogingen om zijn

verleden misstap te doen vergeven en vergeten, om zich heen een

zonderlinge koelheid, een onoverwinnelijk wantrouwen in plaats van de

gulhartige vriendelijkheid die men er hem placht te betuigen. Hij voelde

dat hij er niet meer bemind werd en dat maakte hem diep ongelukkig. De

strenge directeur boezemde hem soms een echten schrik in. Hij had soms

het onheilspellend voorgevoel dat alles nog niet volbracht was, dat nog

een andere, ergere ramp hem wachtte, dat gansch dat jaar van lijden en

ontberingen nog geen voldoende boetedoening zou wezen van zijn schuld.

Op zulke oogenblikken, als die sombere gedachten hem bestormden, kroop

hij in zichzelf terug. Hij zat, afgesloofd van droefheid, de wangen

bleek en den blik somber, in een hoek van zijn huisje--zijn eertijds zoo

gezellig, nu akelig en ellendig huisje--en bleef er urenlang roer- en

sprakeloos op de spoken zijner verbeelding staren, vermijdend de

blikken, de troostwoorden, de streelingen van vrouw en kinderen. Dan

kwam er soms een overweldigend gevoel van gruwel, van banvloek over hem;

dan peilden zijn brandende oogen wanhopig de berookte balken van zijn

woninkje, als die van een gevangen beest, dat nog en nog het niet te

vinden hol zoekt, waardoor het zal ontsnappen.

* * * * *

En toch, naarmate de tijd verstreek, aanbrengend den dageraad der

naderende verlossing, werd het helderder en lichter in Mercié's hard

beproefde ziel. De langdurige, bange nachtmerrie verzwond, verdween in

stillende vergetelheid. De illusie, het geloof aan een herschapen geluk

herleefde in hem, doordrong hem langzamerhand met een verzoenende

sensatie van vrede en vergiffenis. 't Was als een zachte weergeboorte

tot het leven, als een zich steeds verbreedende gezichtseinder van hoop

en kalmte, stilrijzend uit weg-nevelenden schijndood. Het was in hem,

met een nog schuwe aarzeling, een vrijere ontboezeming met zijne vrouw,

een minder beklemde teederheid in de liefkoozingen aan zijn kinderen. Op

een avond, eindelijk, een zachten zomeravond, den laatsten zaterdag van

Juli, sloeg het uur der volkomene verlossing. De gansche schade was

betaald, den volgenden zaterdag zou hij opnieuw zijn volle loon krijgen,

als vroeger. En om deze gelukkige gebeurtenis te vieren had hij besloten

zijne vrouw en kinderen op een aangename verrassing te onthalen.

's Anderendaags, na den eten, zouden zij allen samen een uitstapje naar

buiten maken. Zij zouden een naburig dorp bezoeken, waar er kermis was,

en, bij het terugkeeren, ham en paling eten, in het priëeltje van een

buitenherberg, aan den oever van het water. Misschien zelfs zouden zij

een schuitje huren en een roeitochtje maken op de rivier; en 's avonds,

voor de eerste maal sinds meer dan een jaar, zou vader kaart gaan spelen

met zijn makkers, in de naast zijn huis gelegen herberg, die hij vroeger

soms bezocht.

* * * * *

O, hoe gretig-verlangend zag hij er naar uit, naar dien volgenden dag

van herleving, terwijl hij, in de avondschemering, onder het loom draven

van zijn oud versleten ros, naar de groote stad terugreed. Hij scheen

gerezen van gestalte, zijn oogen blonken met eene geestdriftige

strakheid, als aangetrokken, als verlicht door dien schitterenden

dageraad van herboren geluk; en uit de diepten van zijn wezen stegen

zachte emoties, gewaarwordingen, vizioenen van een eindelooze zachtheid,

zóó zoet, zóó zacht-ontroerend, dat hij er een weinig door benauwd werd

in de zwoele lucht en dat hem tranen in de oogen kwamen. Reeds in de

verte, gehuld in grauwen damp, teekende de reusachtige handelsstad op

het purperen westen de ontelbare schoorsteenen harer fabrieken en de

hooge donkere torens harer ouderwetsche kerken af.

* * * * *

- 'N beetse wachten, Mercié, loat mij iest kloar zijn mee d' andere."

Mercié had zijn paard uitgespannen en stond op de binnenplaats, vóór het

loket waar men betaalde, met nog twee andere, te gelijkertijd met hem

binnengekomen voerlui van _De Veldbloem_, toen Médard, de kassier, met

iets als een toon van verlegenheid in de stem, zoo tot hem sprak, tevens

zijn verflenst oud-bureaucraten-gezichtje een weinig naar de kleine,

boogvormige opening van het betraliede loket buigend.

Mercié ging eventjes op zij, deed enkele passen heen en weer over de

geplaveide binnenplaats, terwijl de commies de twee andere voerlui

betaalde.

Het verzoek van Médard kwam hem zeer billijk en natuurlijk voor. Hij

begreep dat 't goedig mannetje hem iets te zeggen had: wellicht, alvoor

hem weer in zijn volle loon te herstellen, een laatste,--hoewel thans

zoo overbodige--vermaning uit naam van den directeur. En inwendig was

hij ontroerd en dankbaar, dat men hem niet zou vernederen in

tegenwoordigheid der kameraden.

Hij liep tot aan 't einde van den koer, die rook naar den ammoniak der

paardenstallen, ging tot aan de gesloten deur der bakkerij, waar alles

reeds stil en verlaten was. Dan, zich omdraaiend op het geluid der

stappen zijner vertrekkende makkers, keerde hij naar het loket terug.

Reeds stak Médard het hoofd uit, turend door het boogvormig gat, om hem

te roepen. En zoodra hij Mercié ontwaarde, wenkte hij bescheiden, hem

even verzoekend langs den binnengang in het kantoor te willen komen.

Mercié, de pet in de hand, trad binnen. Hij bleef stilstaan vóór de

houten balustrade, op dezelfde plaats waar hij een jaar te voren

verschenen was, toen hij, bleek en ontdaan, aan den gestrengen directeur

en de verbaasde commiezen het verschrikkelijk ongeluk was komen

aankondigen.

Maar ditmaal was er niemand: niemand dan Médard en hij alleen in de

ruime, galmende zaal met haar verlaten zwarte lessenaars.

En in de reeds vallende duisternis zag hij den kleinen bediende, die een

weinig hinkte, op en af, gelijk een schip dat door klippen laveert,

tusschen de hooge lessenaars tot hem naderen. In zijn gesloten

rechterhand hield hij iets onzichtbaars verborgen; in zijn linker droeg

hij een soort van boekje met gelen band.

- Kijk, Mercié, hier es de week oarbeidsleun die de moatschappij ou

verschuldigd es: zes doagen tegen iene frank vijf en zeventig daogs;

saomen tien frank vijftig, nie woar?"

Met een licht-bevende hand en eenigszins trillende stem telde het

mannetje de tien frank vijftig op den platten rand der balustrade.

- Nie woar, Mercié, 't es wel zjuust?" herhaalde hij nog eens,

nutteloos, als in een aanstellerij van overdreven eerlijkheid en

nauwgezetheid, terwijl Mercié, ontroerd en bedeesd, met een goedkeurend

hoofdgeknik, langzaam het geld opnam.

En dan, de stem gedempt en als het ware toonloos, terwijl hij het

gesloten boekje naast de laatste centen legde:

- En hier es ouw wirkmansboekske, dat de moatschappij ou in dank

weeromme geeft, mee de spijt, da z' ou veurtaon nie mier en kan

gebruiken...."

De slag viel zóó plotseling, zóó onverwacht, zóó wreed, dat Mercié er ter

plaats van opsprong, de oogen stom-verwilderd op den kleinen bediende

gevestigd, den mond wijd open, als om te schreeuwen van ellende. Een sou

viel klinkend uit zijn bevende hand, ging rollen vóór de voeten van

Médard, die hem opraapte, hem weder op den platten rand der balustrade

legde, heel verdrietig en meewarig zeggend:

- 't Es spijtig, 't is heel spijtig en doar en es niets da 'k zeu neude

doe dan zuilke dingen, moar 't en es het toch mijn schuld niet, nie

woar? 'K en kan ek doar niets aan doen; 't es den directeur die da

gewild hêt."

In het geschokte brein van Mercié daagde een licht, een gedachte. De

oogen rond, de ademhaling hijgend zei hij:

- Z' hen mij in dienst g'hoûen zeulang of da de schoa nie betaold en

was. Van as da gedoan es, zende ze mij wig. Da was dus van 't begin af

aon azeu geschikt. Al mier of 'n joar dus woaren ze van gedacht mij wig

te zenden?"

- Mijn oarme vriend, het spijt me mier of da 'k 't zegge kan, moar ik en

kan 't toch nie helpen," herhaalde de kleine commies met een treurig

gezicht.

Mercié gaf geen antwoord meer. Hij wenschte Médard een doffen "goên

avond", zette, met bevende hand, zijn pet weer op en verliet het

kantoor. De beenen zwak, zoo lam en zwak als die van een ziek kind, ging

hij door de hooge wagenpoort naar buiten, verloor zich in 't gewoel der

straat, in de zaterdagavonddrukte der arbeiders die overal uit de

fabrieken kwamen.

Opnieuw, gelijk den dag der ramp, gonsde het hem aanhoudend,

afgrijselijk, onuitstaanbaar in het hoofd; opnieuw liep hij verwilderd

vóór zich heen, bewusteloos, zonder doel, dáár waar een blind instinct

hem stuwde. En wat nu bovenal in hem heerschte, wat hem overweldigde en

vernielde was een gevoel van schrik, van wilden, onberedeneerden,

onoverwinnelijken schrik. Eén enkele gedachte, één enkele,

duizelingwekkende, ongelooflijke gewaarwording vervulde heel zijn wezen:

het hem daar even als een knotsslag treffende bewustzijn, het

verpletterende, steeds nog en nog en nog in hem terugkomende

schrikbeeld, dat zijn afdanking reeds een gansch jaar besloten was, dat

hij meer dan een jaar, onbewust van het gevaar dat hem bedreigde, in

vermetele gerustheid en onwetendheid geleefd had. Dát was het wat hem

dien afgrijselijken schrik inboezemde. Hij voelde zich als een weerloos

slachtoffer tegenover een kwaadaardige geheime almacht, als een

stroohalmpje in een orkaan, als een verloren levend atoom welks nietig

bestaan elk oogenblik door een toeval, door een gril, door een

eenvoudige onachtzaamheid van 't noodlot kon verbrijzeld worden.

Nu was hij weêr buiten de stad. In den reeds duisteren nacht begon hij

plotseling wild te rennen. De vreeselijke gedachte zat hem na, boog zijn

rug, drukte hem op de schouders als een razend beest dat met hem mede

stormde, dat hem zijn klauwen in het vleesch sloeg, dat brullend den

muil opende om hem te verscheuren. Och God! was het toch mogelijk! Was

het toch mogelijk dat zoo iets sinds meer dan een jaar beslist was,

zonder dat hij er iets van wist, zonder dat hij er iets van geraden of

gevoeld had!... Hij rende harder, hij vluchtte, zijn ademhaling was

gehort en reutelend, het zweet brak hem ten allen kante uit, hij snikte

in den zwoelen zomernacht, hij verjoeg, met wilde angstgebaren, de

schrikkelijke rampvizioenen, die onverpoosd zijn geest bestormden. Het

hooggekleurd, gestreng gelaat van den directeur rees in verbeelding voor

hem op. Met een gebaar en een gil weerde hij het af, vluchtte verder.

Hij zag zijn vrouw, zijn kinderen, het voor den volgenden dag bepaalde

uitstapje: en hij vluchtte, hij vluchtte, met smeekingen en tranen, met

van afschuw uitgepeulde oogen, met bevende gebaren van bezwering en

verwijdering. Neen, neen, niets meer, niets meer! hij was bang, hij was

bang! hij leefde niet meer van schrik omdat iets zoo monsterachtigs had

kunnen gebeuren.

Hij had de bevolkte wegen verlaten; hij kwam, dwars door landouwen en

oogsten, aan den oever eener breede, donkere rivier terecht. En het was

een impulsie, snel als een weerlicht; het waren zijn schrik en zijn

gruwel zelven die hem werkelijk stuwden: impulsie, gedachte en daad

waren één: zonder een oogenblik aarzelens sprong hij van den oever in

het somber, opgulpende water, slaakte een schorren kreet: kreet van

woede, van wanhoop en van foltering, ploeterde een oogenblik, ging

onder....

Na enkele oogenblikken kwam zijn hoofd weer boven den somber-ziedenden

waterspiegel. Hij brulde tweemaal "heu! heu!" en spuwde water,

wijdklauwend zijn armen uitslaande. Toen zonk hij weer, in een laatste

geborrel.

Vaal-glinsterende concentrische kringen verdwenen in rimpels over de

donkere rivier, en uit een populier aan den overkant, steeg in den

stillen nacht de gil van een nachtuil, klagend en zacht, valsch-krassend

als de snaartrilling eener ontstemde viool.....

Uit Vlaanderen · 第 35 / 40 题