Nu waren 't vreeselijke maanden.
Daar zijn loon van drie frank vijftig daags maar juist toereikend was om
hem en zijne vrouw en zijne vier, nu zijne vijf kinderen het bestaan te
verzekeren, was het, na de vermindering tot op de helft, de schielijke,
onverwachte en afgrijselijke armoede. Het was, maanden en maanden lang,
een nooit volbrachte strijd, een onzeggelijke gruwel aan zijn lieve,
door haar laatste kraam zoo zeer verzwakte vrouw, aan zijn teere, door
de ongezonde stadslucht reeds verkwijnende kinderen, gedurende dien
ruwen, eindeloozen winter het zóó noodige versterkend voedsel, kleederen
en verwarming te moeten beperken. Hem zelf kon 't weinig schelen: 't was
voor de anderen, voor hen die leden door zijn schuld, dat hij de
marteling uitstond.
Hij rookte graag een pijpje op zijn lange tochten: hij brak met die
gewoonte af. Hij dronk graag een glas bier, 's zondags, onder het
kaart- of biljartspelen: hij, zag er insgelijks van af. Hij hield voor
zijn genoegen enkele postduiven, die hij soms, o, zoo zelden toch, in
prijsvluchten liet mededingen: hij verkocht ze. En ook het mooi bruin
hondje, dat zij allen toch zoo liefhadden, werd aan een vriend gegeven,
om er niet langer de tien frank jaarlijksche belasting voor te moeten
betalen. Hij zei vaarwel aan alle vermaak en genot dat,--hoe weinig
ook--geld moest kosten, hij kende niets meer dan den harden, wrangen
plicht, dan de wrange, halsstarige bekommering zich zoo spoedig mogelijk
vrij te maken van die wreede schuld, die, op den dag der ramp, als een
mokerslag op hem gevallen was.
Experten hadden de schadevergoeding berekend. Het paard, dat een waarde
van achthonderd frank had, was voor honderd vijftig aan het slachthuis
verkocht: dus zeshonderd vijftig frank vergoeding voor het paard. De
reparatie aan den wagen had honderd vijf en twintig gekost, en de
beschadigde of verloren ware werd geschat op vijf en zeventig. Want men
had brood gestolen: meer dan honderd brooden waren verdwenen, in het
gewoel en de verwarring welke op de ramp gevolgd waren. Dat was te zamen
achthonderd vijftig frank: voor hem en zijn gezin ruim een jaar lijden
en ellende.
In _De Veldbloem_ had Mercié met een anderen wagen en een ander paard
zijn dienst hernomen. En dat was hem een nieuwe oorzaak tot droefheid:
men had hem een oud en triestig afgereden beest gegeven, dat hem niet
kende, dat niemand meer kende, dat nooit voor hem een makker wezen zou,
gelijk het lief, verstandig, zoo ellendig verongelukte Brabantsch
merrietje eenmaal geweest was. Ook in _De Veldbloem_ voelde hij wel,
ondanks zijn verdubbelde vlijt, ondanks al zijn pogingen om zijn
verleden misstap te doen vergeven en vergeten, om zich heen een
zonderlinge koelheid, een onoverwinnelijk wantrouwen in plaats van de
gulhartige vriendelijkheid die men er hem placht te betuigen. Hij voelde
dat hij er niet meer bemind werd en dat maakte hem diep ongelukkig. De
strenge directeur boezemde hem soms een echten schrik in. Hij had soms
het onheilspellend voorgevoel dat alles nog niet volbracht was, dat nog
een andere, ergere ramp hem wachtte, dat gansch dat jaar van lijden en
ontberingen nog geen voldoende boetedoening zou wezen van zijn schuld.
Op zulke oogenblikken, als die sombere gedachten hem bestormden, kroop
hij in zichzelf terug. Hij zat, afgesloofd van droefheid, de wangen
bleek en den blik somber, in een hoek van zijn huisje--zijn eertijds zoo
gezellig, nu akelig en ellendig huisje--en bleef er urenlang roer- en
sprakeloos op de spoken zijner verbeelding staren, vermijdend de
blikken, de troostwoorden, de streelingen van vrouw en kinderen. Dan
kwam er soms een overweldigend gevoel van gruwel, van banvloek over hem;
dan peilden zijn brandende oogen wanhopig de berookte balken van zijn
woninkje, als die van een gevangen beest, dat nog en nog het niet te
vinden hol zoekt, waardoor het zal ontsnappen.
* * * * *
En toch, naarmate de tijd verstreek, aanbrengend den dageraad der
naderende verlossing, werd het helderder en lichter in Mercié's hard
beproefde ziel. De langdurige, bange nachtmerrie verzwond, verdween in
stillende vergetelheid. De illusie, het geloof aan een herschapen geluk
herleefde in hem, doordrong hem langzamerhand met een verzoenende
sensatie van vrede en vergiffenis. 't Was als een zachte weergeboorte
tot het leven, als een zich steeds verbreedende gezichtseinder van hoop
en kalmte, stilrijzend uit weg-nevelenden schijndood. Het was in hem,
met een nog schuwe aarzeling, een vrijere ontboezeming met zijne vrouw,
een minder beklemde teederheid in de liefkoozingen aan zijn kinderen. Op
een avond, eindelijk, een zachten zomeravond, den laatsten zaterdag van
Juli, sloeg het uur der volkomene verlossing. De gansche schade was
betaald, den volgenden zaterdag zou hij opnieuw zijn volle loon krijgen,
als vroeger. En om deze gelukkige gebeurtenis te vieren had hij besloten
zijne vrouw en kinderen op een aangename verrassing te onthalen.
's Anderendaags, na den eten, zouden zij allen samen een uitstapje naar
buiten maken. Zij zouden een naburig dorp bezoeken, waar er kermis was,
en, bij het terugkeeren, ham en paling eten, in het priëeltje van een
buitenherberg, aan den oever van het water. Misschien zelfs zouden zij
een schuitje huren en een roeitochtje maken op de rivier; en 's avonds,
voor de eerste maal sinds meer dan een jaar, zou vader kaart gaan spelen
met zijn makkers, in de naast zijn huis gelegen herberg, die hij vroeger
soms bezocht.
* * * * *
O, hoe gretig-verlangend zag hij er naar uit, naar dien volgenden dag
van herleving, terwijl hij, in de avondschemering, onder het loom draven
van zijn oud versleten ros, naar de groote stad terugreed. Hij scheen
gerezen van gestalte, zijn oogen blonken met eene geestdriftige
strakheid, als aangetrokken, als verlicht door dien schitterenden
dageraad van herboren geluk; en uit de diepten van zijn wezen stegen
zachte emoties, gewaarwordingen, vizioenen van een eindelooze zachtheid,
zóó zoet, zóó zacht-ontroerend, dat hij er een weinig door benauwd werd
in de zwoele lucht en dat hem tranen in de oogen kwamen. Reeds in de
verte, gehuld in grauwen damp, teekende de reusachtige handelsstad op
het purperen westen de ontelbare schoorsteenen harer fabrieken en de
hooge donkere torens harer ouderwetsche kerken af.
* * * * *
- 'N beetse wachten, Mercié, loat mij iest kloar zijn mee d' andere."
Mercié had zijn paard uitgespannen en stond op de binnenplaats, vóór het
loket waar men betaalde, met nog twee andere, te gelijkertijd met hem
binnengekomen voerlui van _De Veldbloem_, toen Médard, de kassier, met
iets als een toon van verlegenheid in de stem, zoo tot hem sprak, tevens
zijn verflenst oud-bureaucraten-gezichtje een weinig naar de kleine,
boogvormige opening van het betraliede loket buigend.
Mercié ging eventjes op zij, deed enkele passen heen en weer over de
geplaveide binnenplaats, terwijl de commies de twee andere voerlui
betaalde.
Het verzoek van Médard kwam hem zeer billijk en natuurlijk voor. Hij
begreep dat 't goedig mannetje hem iets te zeggen had: wellicht, alvoor
hem weer in zijn volle loon te herstellen, een laatste,--hoewel thans
zoo overbodige--vermaning uit naam van den directeur. En inwendig was
hij ontroerd en dankbaar, dat men hem niet zou vernederen in
tegenwoordigheid der kameraden.
Hij liep tot aan 't einde van den koer, die rook naar den ammoniak der
paardenstallen, ging tot aan de gesloten deur der bakkerij, waar alles
reeds stil en verlaten was. Dan, zich omdraaiend op het geluid der
stappen zijner vertrekkende makkers, keerde hij naar het loket terug.
Reeds stak Médard het hoofd uit, turend door het boogvormig gat, om hem
te roepen. En zoodra hij Mercié ontwaarde, wenkte hij bescheiden, hem
even verzoekend langs den binnengang in het kantoor te willen komen.
Mercié, de pet in de hand, trad binnen. Hij bleef stilstaan vóór de
houten balustrade, op dezelfde plaats waar hij een jaar te voren
verschenen was, toen hij, bleek en ontdaan, aan den gestrengen directeur
en de verbaasde commiezen het verschrikkelijk ongeluk was komen
aankondigen.
Maar ditmaal was er niemand: niemand dan Médard en hij alleen in de
ruime, galmende zaal met haar verlaten zwarte lessenaars.
En in de reeds vallende duisternis zag hij den kleinen bediende, die een
weinig hinkte, op en af, gelijk een schip dat door klippen laveert,
tusschen de hooge lessenaars tot hem naderen. In zijn gesloten
rechterhand hield hij iets onzichtbaars verborgen; in zijn linker droeg
hij een soort van boekje met gelen band.
- Kijk, Mercié, hier es de week oarbeidsleun die de moatschappij ou
verschuldigd es: zes doagen tegen iene frank vijf en zeventig daogs;
saomen tien frank vijftig, nie woar?"
Met een licht-bevende hand en eenigszins trillende stem telde het
mannetje de tien frank vijftig op den platten rand der balustrade.
- Nie woar, Mercié, 't es wel zjuust?" herhaalde hij nog eens,
nutteloos, als in een aanstellerij van overdreven eerlijkheid en
nauwgezetheid, terwijl Mercié, ontroerd en bedeesd, met een goedkeurend
hoofdgeknik, langzaam het geld opnam.
En dan, de stem gedempt en als het ware toonloos, terwijl hij het
gesloten boekje naast de laatste centen legde:
- En hier es ouw wirkmansboekske, dat de moatschappij ou in dank
weeromme geeft, mee de spijt, da z' ou veurtaon nie mier en kan
gebruiken...."
De slag viel zóó plotseling, zóó onverwacht, zóó wreed, dat Mercié er ter
plaats van opsprong, de oogen stom-verwilderd op den kleinen bediende
gevestigd, den mond wijd open, als om te schreeuwen van ellende. Een sou
viel klinkend uit zijn bevende hand, ging rollen vóór de voeten van
Médard, die hem opraapte, hem weder op den platten rand der balustrade
legde, heel verdrietig en meewarig zeggend:
- 't Es spijtig, 't is heel spijtig en doar en es niets da 'k zeu neude
doe dan zuilke dingen, moar 't en es het toch mijn schuld niet, nie
woar? 'K en kan ek doar niets aan doen; 't es den directeur die da
gewild hêt."
In het geschokte brein van Mercié daagde een licht, een gedachte. De
oogen rond, de ademhaling hijgend zei hij:
- Z' hen mij in dienst g'hoûen zeulang of da de schoa nie betaold en
was. Van as da gedoan es, zende ze mij wig. Da was dus van 't begin af
aon azeu geschikt. Al mier of 'n joar dus woaren ze van gedacht mij wig
te zenden?"
- Mijn oarme vriend, het spijt me mier of da 'k 't zegge kan, moar ik en
kan 't toch nie helpen," herhaalde de kleine commies met een treurig
gezicht.
Mercié gaf geen antwoord meer. Hij wenschte Médard een doffen "goên
avond", zette, met bevende hand, zijn pet weer op en verliet het
kantoor. De beenen zwak, zoo lam en zwak als die van een ziek kind, ging
hij door de hooge wagenpoort naar buiten, verloor zich in 't gewoel der
straat, in de zaterdagavonddrukte der arbeiders die overal uit de
fabrieken kwamen.
Opnieuw, gelijk den dag der ramp, gonsde het hem aanhoudend,
afgrijselijk, onuitstaanbaar in het hoofd; opnieuw liep hij verwilderd
vóór zich heen, bewusteloos, zonder doel, dáár waar een blind instinct
hem stuwde. En wat nu bovenal in hem heerschte, wat hem overweldigde en
vernielde was een gevoel van schrik, van wilden, onberedeneerden,
onoverwinnelijken schrik. Eén enkele gedachte, één enkele,
duizelingwekkende, ongelooflijke gewaarwording vervulde heel zijn wezen:
het hem daar even als een knotsslag treffende bewustzijn, het
verpletterende, steeds nog en nog en nog in hem terugkomende
schrikbeeld, dat zijn afdanking reeds een gansch jaar besloten was, dat
hij meer dan een jaar, onbewust van het gevaar dat hem bedreigde, in
vermetele gerustheid en onwetendheid geleefd had. Dát was het wat hem
dien afgrijselijken schrik inboezemde. Hij voelde zich als een weerloos
slachtoffer tegenover een kwaadaardige geheime almacht, als een
stroohalmpje in een orkaan, als een verloren levend atoom welks nietig
bestaan elk oogenblik door een toeval, door een gril, door een
eenvoudige onachtzaamheid van 't noodlot kon verbrijzeld worden.
Nu was hij weêr buiten de stad. In den reeds duisteren nacht begon hij
plotseling wild te rennen. De vreeselijke gedachte zat hem na, boog zijn
rug, drukte hem op de schouders als een razend beest dat met hem mede
stormde, dat hem zijn klauwen in het vleesch sloeg, dat brullend den
muil opende om hem te verscheuren. Och God! was het toch mogelijk! Was
het toch mogelijk dat zoo iets sinds meer dan een jaar beslist was,
zonder dat hij er iets van wist, zonder dat hij er iets van geraden of
gevoeld had!... Hij rende harder, hij vluchtte, zijn ademhaling was
gehort en reutelend, het zweet brak hem ten allen kante uit, hij snikte
in den zwoelen zomernacht, hij verjoeg, met wilde angstgebaren, de
schrikkelijke rampvizioenen, die onverpoosd zijn geest bestormden. Het
hooggekleurd, gestreng gelaat van den directeur rees in verbeelding voor
hem op. Met een gebaar en een gil weerde hij het af, vluchtte verder.
Hij zag zijn vrouw, zijn kinderen, het voor den volgenden dag bepaalde
uitstapje: en hij vluchtte, hij vluchtte, met smeekingen en tranen, met
van afschuw uitgepeulde oogen, met bevende gebaren van bezwering en
verwijdering. Neen, neen, niets meer, niets meer! hij was bang, hij was
bang! hij leefde niet meer van schrik omdat iets zoo monsterachtigs had
kunnen gebeuren.
Hij had de bevolkte wegen verlaten; hij kwam, dwars door landouwen en
oogsten, aan den oever eener breede, donkere rivier terecht. En het was
een impulsie, snel als een weerlicht; het waren zijn schrik en zijn
gruwel zelven die hem werkelijk stuwden: impulsie, gedachte en daad
waren één: zonder een oogenblik aarzelens sprong hij van den oever in
het somber, opgulpende water, slaakte een schorren kreet: kreet van
woede, van wanhoop en van foltering, ploeterde een oogenblik, ging
onder....
Na enkele oogenblikken kwam zijn hoofd weer boven den somber-ziedenden
waterspiegel. Hij brulde tweemaal "heu! heu!" en spuwde water,
wijdklauwend zijn armen uitslaande. Toen zonk hij weer, in een laatste
geborrel.
Vaal-glinsterende concentrische kringen verdwenen in rimpels over de
donkere rivier, en uit een populier aan den overkant, steeg in den
stillen nacht de gil van een nachtuil, klagend en zacht, valsch-krassend
als de snaartrilling eener ontstemde viool.....