HET PAARD.

Het is een kort, aangrijpend tafereeltje geweest...

In 't midden van den pas gerepareerden straatweg waren drie kinderen

bezig met in 't zand te spelen. Ik zie ze nog heel goed alle drie vóór

mijn oogen, en 't komt mij voor, dat ik ze steeds zal blijven zien,

evenals ik me, mijn leven lang, 't tooneel dat volgde, zal

herinneren....

't Was eerst een meisje, van acht of negen jaren, rozepoppig gezichtje

met helderblauwe oogen, en zwarte haren, in slordige verwarring hangend

in den nek en om de wangen; dan een knaap van vijf of zes, dik, rood en

blond, met iets van een kabouter in zijn grauw gelapt en gescheurd

broekje dat veel te wijd en veel te groot was, omhoog gehouden door

versletene bretels, waarvan de ongelijke knoopen haast tot aan zijn

smalle schoudertjes reikten; en eindelijk een baby, anderhalf jaar

misschien, nog met een rokje aan en neergehurkt in 't zand, een aardig

klein kereltje met groote wijze oogen en een blond bolrond hoofdje, heel

fijntjes gekruld.

Ik weet niet meer welk spel zij speelden. Geen spel, wellicht; een

beetje ploeteren in 't zand met hunne vuile handjes, en dartelen in de

zon, en gelijk kleine vrije beestjes heerlijk-onbewust genieten van de

zachte, frissche lentelucht. Niemand sloeg ze gade: het heel kleine

gehuchtje lag als ingesluimerd in de middagwarmte, de enkele witgekalkte

hutjes als verlaten, aan beide zijden van den eindeloozen rechten weg,

bezoomd met statige beuken, die van de eene verre stad naar de andere

leidde.

* * * * *

Alleen in de schaduw, op een bank, vóór de eenige herberg van

't gehuchtje, was ik zelf een weinig ingesoesd, vermoeid van mijn langen

rijwieltocht. Ik had reeds, op dien warmen, prachtigen Meidag, een

veertig kilometers afgelegd; ik had er nog wel even veel te doen,

alvorens het doel van mijn uitstapje te bereiken. Ik was een beetje

ingesluimerd, den elboog op de leuning van de bank, de oogen dicht,

werktuigelijk nog af en toe een walmpje rook ophalend uit mijn kort

bruin engelsch pijpje. Mijn wiel, mijn heerlijk rijwiel, stond als een

trouw hondje aan mijn zij.

* * * * *

Scherpe kreten, gegil, gehuil, schrikken mij eensklaps wakker. Ik vlieg

op, en, als in een weerlicht, zie ik een schouwspel, dat mij van afschuw

doet ijzen.

Vlak vóór mij, in 't midden van den steenweg, dáár, op de plaats zelve

waar zooeven de kinderen speelden, komt nu, in zacht geschommel over

't mulle zand, een hooge, zware, met een donker dekzeil overdekte

vrachtwagen gereden. En, met één en zelfden blik, als in den gloed van

één en zelfde weerlicht, terwijl mijn sidderende handen zich op mijne

slapen drukken, en mijn mond wijd open gaat van angst zonder een klank

te kunnen uitstooten, zie ik: den voerman van 't vehikel slapend onder

't dekzeil uitgestrekt, de beide oudste kinderen schreiend op zij

gevlucht, en 't kleintje steeds maar rustig voortspelend in 't zand,

onbewust van het verschrikkelijk gevaar. Ik heb niet eens den tijd om

toe te snellen: daar rijdt het paard 't kind omver!

Doch neen,.... het rijdt het niet omver!.... Op het oogenblik zelf dat

ik dit afgrijselijk schouwspel meen bij te wonen, zie ik dat goede

beest, misschien gedurende een kwart seconde, den kop naar 't kind

buigen, als om het te beruiken, en dan, de beenen wijd uitgespreid, er

langzaam met den wagen over heen gaan, zonder het aan te raken.

* * * * *

Lawaai, alarmkreten, deuren wild opengerukt, menschen toesnellend. Het

meisje en de jongen huilend onder oorvegen; en een vrouw, die,

verwilderd-hollend, het jongste kind ongedeerd opneemt. En dan de

voerman, die, door het woest geraas ontwaakt, van zijn wagen springt,

en, min of meer beseffend wat er moet gebeurd zijn, uit al zijn macht,

onder vreeselijk gevloek, met de zweep op zijn paard begint te slaan.

Eerst dan spring ik toe, met tranen in de oogen. Ik voel dat ik dien man

zou kunnen worgen. Maar, eer ik zelfs bij hem ben, en zonder te kunnen

begrijpen hoe of dat gebeurt, voel ik mij eensklaps heel kalm, heel

bedaard. En 't is ook met een zachte, kalme stem van goedheid en

verzoening, dat ik, even de hand op zijn arm leggend, zeg:

- Vriend, sla dat beest liever niet; kom hier liever met mij een glas

bier nemen.

Hij keert zich om, houdt op met slaan, en kijkt mij aan met een

wantrouwend oog, nog flikkerend van toorn. En, tusschen ons, in den tijd

van een weerlicht, gaat er iets om, speelt zich een onopgelost en

onoplosbaar drama af. Indien hij nog slaat, indien hij nog een enkelen

keer met zijn zweep op het beest slaat, dan spring ik op hem, werp hem

op den grond, worg hem. Ik voel dat; dat is zeker. Indien hij niet meer

slaat vergeef ik hem alles, en 'k voel dat ik een goede daad volbracht

zal hebben, dat mijn zachtheid, voor de eerste maal zijns levens, in

zijn hart een snaar van goedheid en menschlievendheid zal hebben doen

ontwaken, die in 't vervolg nog dikwijls trillen zal.

Hij slaat niet meer,.... hij heeft het gelezen, in de vreemde

schittering van mijn blik, wat fataal gebeurd zou zijn. Hij heeft

gevoeld, in zijn ruwe ziel, in een aanraking van geheime sympathie, de

zachtheid en piëteit, die vloeiden uit de mijne. O, ja, hij is in eens

heel goed en zacht geworden; hij gooit zijn zweep onder het zeil en

houdt zijn wagen stil.

Ik keer mij om, ik roep, dáár, in de drukte van de menigte, naar de

herbergiersvrouw. Ik bestel haar twee glazen bier. Dan ga ik naar het

paard, neem zijn gebogen kop tusschen mijn beide handen, en streel hem,

streel hem, met trillende ontroering.

- Voerman, mag het niet een beetje haver hebben? vraag ik.

- Als 't u belieft, meneer, antwoordt de man zacht, als beschaamd.

Daar komt de vrouw met de glazen. Wij klinken aan. Ik vraag haar een

portie haver, voor het paard. Zij brengt het, in een teenen korf.

De voerman doet zijn beest het mondstuk los. En, terwijl het paard uit

mijn rechterhand eet, streel ik het voort, met mijne linkerhand, het

voorhoofd en de manen. Ik doe het langzaam, zacht, met lange, steeds

herhaalde streken, nog eens en nog de zelfde plaatsen streelend; en

eensklaps, overweldigd van emotie, begin ik dwaasweg te huilen. Ik kan

mijn tranen niet weerhouden, zij vloeien ondanks al mijn pogingen, zij

vloeien en zij moeten vloeien, zij vallen als een zachten dauw over de

laatste graantjes, die het goede beest uit mijn hand naleest, snuffelend

met de lippen.

Zie zoo, 't is gedaan. 't Korfje is leeg, de man maakt het mondstuk weer

vast, en de wagen rijdt voort. Ik reik den voerman eene hand toe, waarin

ik twee franken verberg.

- Ziedaar om nog een glas te nemen onderweg.

De man was zoo ontroerd dat hij niet meer kon spreken. Slechts een blik

dankte mij.

* * * * *

Ik ben nog even blijven staan om hem te zien vertrekken. Er moet een

oogenblik iets gehaperd hebben, want, na een tiental passen, heeft hij

't paard weer stil gehouden, en is hij uit het vehikel gesprongen. Ik

heb hem aan 't gareel van 't paard zien voelen, en 'k weet niet wat er

aan veranderen. En, toen dit gedaan was, alvorens weer onder 't dekzeil

te kruipen, heeft hij het beest even gestreeld in de manen, en op den

hals geklapt, met vriendelijke hand. Toen is hij weer in den wagen

gestegen, en van onder 't zeil heb ik de zweep zien uitkomen, zacht

vroolijk-klappend in de lucht hoog boven 't paard, als een beschermende

aanmoediging, als een gezang....

En, met een zucht van verlichting, ben ik dan heen gegaan.

Uit Vlaanderen · 第 27 / 40 题