DE DOOP.

Met hun drieën, in de verblindende namiddagzon, hebben zij 't hoevetje

verlaten....

Zij volgen den bochtigen, blonden landweg tusschen het gelende koren,

schitterend van roode en blauwe bloemen.

De peter, lang en mager, zakkende schouders en steltige beenen, frisch

geschoren, bruingebrand beenderig gezicht onder een zwart-zijden pet,

stapt in het midden. Aan zijne rechterhand loopt de meter,--de zuster

der kraamvrouw--een prachtige meid met langen, zwart-glimmende kapmantel

en bont-gekleurde kanten muts; aan zijne linkerhand loopt de baker,

gezet en klein, met korte, vlugge stapjes, ook in langen zwarten

kapmantel, 't gelaat zoo effen geel als rijpe haver, met twee ronde,

wakkere, lichtblauwe oogjes, onder een witte, gepijpte kap, die

heelemaal het haar, en een groot deel van 't voorhoofd bedekt. Beider

armen, onder de lange slippen van de kapmantels verborgen, zijn

onzichtbaar. Slechts door een reet, als de beweging van haar gang de

slippen eventjes doet opwaaien, komt iets wits te voorschijn. Zij

dragen, naar de dorpskerk, de 's ochtends pas geboren tweelingen van

zeven maanden, ten doop.

* * * * *

Langs den weg, begrensd door bouwakkers, door boomgaarden en hoeven,

komen mannen en vrouwen op den voorbijtocht van den kleinen stoet

nieuwsgierig aansnellen.

't Is dan toch waar, tweelingen van zeven maanden, en die leven! Men

ondervraagt, men gilt het van verbazing uit, men slaat de handen van

verwondering in elkaar. En telkens houden de twee vrouwen even stil,

keeren zich met den rug naar de zon, halen de mantels om, en laten de

wichtjes even zien, zoo nietig klein onder hun witte windsels, de oogen

dicht en de gezichtjes popperig, tusschen de langzaam bewegende handjes.

Dan halen zij, met een mysterieusen glimlach, de slippen der mantels er

weer over, en verder schitterende korenvelden, den peter langs den

landweg, zich haastend om te komen aan het kerkje, welks spitse

torentje, vrij verre nog, over de hooge boomen uitpunt.

* * * * *

Eensklaps vaart er, door het lichaam van de baker, als een korte

schok....

Een wondere trilling, mysterieus-inwendig, gevolgd als van een

stilstand, van iets dat plotseling ophoudt te bewegen....

Gedurende den tijd van een weerlicht houdt zij zelve even stil, bleek,

met verwilderde oogen, en een mond die zich opent, als om een kreet te

slaken. Doch ze bedwingt zich instinctmatig, zegt niets, loopt zwijgend

verder, naast den peter en de meter, die ook niets hebben gemerkt.

Met hun drieën loopen ze zoo zwijgend een tijd door. Zonder reden is het

gesprek eensklaps gestaakt; zonder reden, als in geheim accoord,

verhaasten zij den stap onder de blakerende zon, tusschen de

schitterende korenvelden. De zwarte mantel van de meter klappert af en

toe onder haar flinken stap van kloeke, knappe deerne; de peter, met

zijn lange, schrale beenen, jaagt nu en dan een wolkje zand op; de baker

huppelt door, met korte, vlugge pasjes, 't gezicht zeer bleek, de oogen

angstig vóór zich starend, de zenuwachtig-trillende lippen half open, in

't hijgend jagen van haar hartslag.

* * * * *

Zij zijn niet verre meer van 't dorpje, over vijf minuten zullen zij aan

't kerkje zijn....

Maar,.... ziedaar weer menschen vóór hun deur, die ze bij zich wenken en

roepen, die de tweelingen willen zien. En reeds opent de meter,

welwillend en ontroerd, haar mantel, toen de baker koortsachtig-gejaagd

in 't midden treedt:

-Nie, nie, en doe da nie mier; 't es nou genoeg, we 'n hên nou gienen

tijd mier."

De nieuwsgierigen protesteeren, dringen aan. De jonge meter eindigt met

haar zuigeling te laten zien, heel fluksjes. De baker, ondanks alle

smeekingen, weigert hardnekkig het hare te toonen. Zij siddert en

stampvoet, hare verwilderde oogen zijn vol schrik en toorn, ze snelt

vooruit, de anderen moeten haast hollen om haar in te halen.

Eindelijk komen zij in 't dorp. De koster, die ze verwacht en ze voorbij

heeft zien gaan, voegt zich bij hen, gaat zijn pastoor verwittigen. Zij

klimmen de twee arduinsteenen treden van het kerkhof op, ze staan vóór

de gesloten deur van het witgekalkt kerkje.

* * * * *

Zij hoeven slechts een oogenblik te wachten. Dadelijk is de koster daar

terug, met den pastoor, en de deur van het kerkportaal wordt geopend. In

groep treden zij binnen, en blijven achteraan staan, onder 't orgel, bij

de doopvont, in 't frisch, haast kil halfduister van den hoogen

middenbeuk, terwijl de pastoor in de sacristie zijn koorhemd gaat

aantrekken. Ziezoo, ze zijn klaar. Zij verschijnen met de noodige

toebereidsels, de doopvont wordt geopend, men kan beginnen. Wie eerst?

- Gij, zegt met schorre stem de baker tot de meter. Heel haar lichaam

beeft van ontsteltenis, en 't zweet parelt in dikke droppels op haar

wangen. Haar aangezicht is lijkwit geworden, zoo wit als 't gepijpte

ruusje van haar muts; het kind, het nietig kleine wichtje weegt op haar

armen, weegt op haar lijf als lood.

De plechtigheid begint. De meter heeft haar kapmantel geopend, de koster

neemt het kind, en houdt het over de doopvont. Het wordt gebet met lauw

water, het schreeuwt heel even, en kwijlt van afkeer, als de pastoor hem

het traditioneel snuifje zout op de tong legt. Het krijgt zijn

christelijke voornaam, terwijl de peter en de meter om dezelfde

brandende waskaars hunne rechterhand houden.

* * * * *

De tweede nu....

Met een trillende hand heeft de baker haar mantel half geopend. Zij

ontbloot even 't kind, reikt het aan den koster, haar hoofd als in

schrik op zij wendend. Die enkele beweging doet haar, als van flauwte,

waggelen. Door een vlug grijpen naar haar arm, houdt de peter haar

recht.

Reeds houdt de koster het kind boven de doopvont, en de plechtigheid is

begonnen, toen de pastoor, plotseling ophoudend, zich buigt, om, bij het

schijnsel van de waskaars, het kind van dichter bij te aanschouwen.

Hij blijft zoo enkele seconden, als geschrikt. Toen richt hij zich op,

kijkt de baker verontwaardigd aan, murmelt halfluid, met strenge stem:

- Da kind es deud! Wilde mij dan 'n afgrijselijke heiligschennis doen

begoan?"

Allen schrikken zij verwilderd op. De meter buigt zich over 't wichtje

met een schorren kreet; de baker, als in onmacht tegen 't ijzeren

traliehek van de doopvont geleund, antwoordt, zonder naar het kind te

durven kijken:

- Nie, nie, hij 'n es nie deud, hij 'n sloap moar, hij es onderwig in

sloap gevallen, 'k hêt gevoeld."

Twijfelend buigt de geestelijke nog eens over 't kindje, kijkt het

aandachtig aan, raakt even, met het averechtste van zijn hand, het

kleine hoofdje. Dan richt hij zich weer op, vertoornd en plechtig, en

zonder een woord verlaat hij de doopvont, met een gebaar bevelend dat

men hem heeft te volgen.

Allen gehoorzamen. De meter, haar zuigelingje op den arm, weent heete

tranen; de koster wil het doode kind teruggeven aan de baker, die zich

verschrikt achteruittrekt, de heilige plek door haar geweldig snikken en

gejammer profaneerend:

- Nie, nie, 'k en wille nie! 'k en durve nie! 'k Ben schouw[1]! 'k ben

schouw! 'k Hê em in m'n oarems voelen stierven! 'k Goa euk stirven as ik

'en nog moe droagen! Hij es verdoemd! hij es in d' Helle. Hij es

gestorve zonder gedeupt te zijn!"

- Geef 'em mij, 'k zal ik em droagen, zegt de peter."

Hij neemt het kleine lijkje in zijn groote onbehendige handen en zij

verlaten de kerk.

En, onder de glinsterende Julizon, langs de blonde wegen, tusschen de

blonde korenvelden, als voor een feest getooid met roode en blauwe

bloemen, keeren zij weer terug naar 't verre hoevetje: de jonge, mooie

meter in tranen 't levend kindje dragend, de peter, lang en beenderig,

onhandig dragend 't kleine lijkje; en de baker op enkele passen afstands

volgend, wanhopig en vernederd, verwilderd van angst, omdat zij in haar

armen heeft den Dood gedragen die nog niet ontsmet was van de Erfzonde.

Uit Vlaanderen · 第 28 / 40 题