Terstond kwam het kwakkend uit het hokje gefladderd. Zij wierpen versche
kruimeltjes brood en versche brokjes aardappel. Maar zonder er zelfs
naar te kijken hief het zijn geel bekje naar hen op en kwakte
onophoudend door, halsstarig vragend naar het makkertje.
Diep bedroefd streelden de kinderen zijn gladde vlerkjes en vertrokken
op hun dagelijksche bedeltochten.
Den ganschen dag, den ganschen avond en een groot deel van den volgenden
nacht liep het eendje kwakkend in het tuintje. Soms zweeg het even en
ging het zwemmen in het kuipje, maar na enkele oogenblikken kwam het er
rusteloos weer uit, en schudde gejaagd zijn vlerken en begon opnieuw te
kwakken. Eerst laat in den nacht hoorden de kinderen zijn akelig
geschreeuw niet meer.
- 't Zal geëten hen, 't zal 't nog geweune worden," sprak droevig Fonske
tot Guustje, toen zij den volgenden morgen samen van den zolder kwamen.
En spoedig openden zij 't achterdeurtje en riepen in het tuintje:
- Kootje! Kootje! Kootje!"
Maar ditmaal kwam Kootje uit het hokje niet gevlogen.
Door een akelig voorgevoel aangegrepen snelden de kinderen er henen.
Kootje lag roerloos op de plank naast de vroegere rustplaats van Pierke,
de gele pootjes omhoog, het kopje scheef afhangend, dood.
Luid schreiend snelden de kinderen naar huis.
Vader en moeder, Emeranske en Liesje kwamen hen tegemoet.
- Woa est er gebeurd!" riep de eerste verschrikt.
- Kootjen es deud! Kootjen es deud!"
Allen liepen naar 't hokje terug. Vader trad er het eerst binnen, nam
Het doode eendje in de hand, bevoelde het met de vingers, en zei
geringschattend:
- Peuh!.... 't en weeg nie zwoar mier; 't en zal nie veel aan t' eten
zijn."
O! Kootje opeten, gelijk meneer den "avecoat" Pierke opgegeten had!....
De kinderen schreiden luider en verwijderden zich van het eendje, als
voelden zij nu een vrees gemengd met afkeer om hun rampzalig lievelingje
nog aan te roeren....
Behalve dat blond krullekopje van een Liesje, die, nog te jong om te
begrijpen, haar zoete lipjes naar het eendje uitstak, en het zoende op
een der gesloten oogleden, zooals zij twee dagen te voren het ongelukkig
haantje had gezoend, door de mazen van het net.