1 Bedelen.

Liesje, pas vier jaar oud, blond kroezelhoofdje, met serieus-naïeve

bruine oogjes, zei niets en bleef schuchter-roerloos, met op haar borst

gevouwen handjes naast de anderen staan, wel voelend dat er van

gewichtige dingen sprake was, echter nog te jong om dat gewicht te

vatten.

Maar Emeranske, het oudere, achtjarig zusje: blozend gezichtje,

vlasblonde haren en buitengewoon fel glinsterende, vlasbloemkleurige

oogjes, maakte plotseling, als in een groet, een bruske, bijna drieste

beweging met het bovenlijf, klapte in haar handjes, en riep juichend,

terwijl een sterkere blos haar wangetjes deed kleuren:

- En m'hên euk nog d'hinne die zal broeien op de twoalf oandeneiers! Me

zillen twoalf scheune witte oandekes hên, die w'op de moarkt zillen

verkeupen as z'ienige weken oud zijn!"

Verrast glimlachte moeder. God! 't was toch de waarheid en zij had het

heelemaal vergeten! Zij had niet eenmaal meer gedacht aan de klokhen en

de twaalf eendeneieren, welke boer Muijshondt hun weldra moest brengen

in betaling van drie dagen arbeids, die vader op zijn hoeve gedaan had.

O, 't was een vreugde! De droefheid over vader was bijna geheel

vergeten; Fonske en Guustje juichten; moeder streelde glimlachend

Emeranske op het hoofdje en zei dat zij allen brave kinderen waren.

* * * * *

De veertien frank vijf en zeventig in munt, de enkele stukken gerookt

zwijnevleesch, de aardappels en 't roggemeel, dat alles met de grootste

zuinigheid besteed, duurde, benevens de proviand, welke de kinderen van

hun bedeltochten medebrachten, ongeveer twee maanden. Op een zachten

Meiavond, avond van zwevende balsemgeuren en droomerig gonzende kevers,

was er noch geld noch eten meer in huis. Maar boer Muijshondt had

eindelijk de broeihen en de twaalf eendeneieren gebracht, en dát was, in

de verbeiding van den nog ver afgelegen dag op welken vader zou

terugkomen, de eenige hoop dier vijf levens, welke nu nog alleen aan de

publieke liefdadigheid 't bestaan te danken hadden.

Men had haar met haar eieren op een nest van stroo in den donkersten

hoek van het houten hokje gezet, waar vader des winters soms in

zwingelde; en elken dag kwamen de kinderen vol gretige belangstelling

even kijken en haar een weinig voedsel brengen. In de duisternis van

't hokje zagen zij haar rond oog verwilderd glinsteren, en als zij haar

van te dichtbij durfden naderen, zette zij al haar veeren overeind en uitte

korte, schorre, booze gilletjes, terwijl zij, de vleugels beschermend

over haar eieren uitgespreid, rechts en links nijdig in het stroo pikte.

Maar de bedoeling der kinderen was niet haar te storen, verre van daar;

daarvoor waren ze zich veel te innig hun verantwoordelijkheid en de

waarde der hen bewust; zachtkens plaatsten zij het bord met eten en het

schoteltje met water binnen haar bereik en gingen heen. Zij waren zóó

bang haar schuw te maken, dat zij zelfs niet eenmaal van nabij naar de

eieren durfden kijken, als het, hoe zeldzaam ook, gebeurde, dat de hen

voor enkele oogenblikken haar nest verliet.

Dat duurde zoo een drietal weken. Dan, op een morgen, toen zij in het

hokje kwamen, hoorden zij een fijn getjilp. Op hun geroep kwam moeder

aansnellen, verdreef schier met geweld de hen, die ruw en wild, met

schrille gillen in haar handen pikte; haalde, van onder haar veeren, een

klein spartelend ding te voorschijn. Eén enkel, en, o wonder, toen zij

het in 't klare daglicht bracht, bemerkten zij allen met verbazing dat

het geen eendje, maar wel een kuikentje was. Een kuikentje uit

eendeneieren, hoe was zulks mogelijk! Moeder gaf het spoedig aan Fonske,

die het met eindelooze voorzichtigheid tusschen zijn beide handjes

verborgen hield; en, teruggaande naar den achterhoek van 't hok, tilde

zij er de hen, die nu schreeuwde of zij vermoord werd, van haar nest op.

De twaalf groote, groenachtige eendeneieren lagen ongeschonden in het

stroo, maar op den rand van 't nest lag de gebroken dop van een

dertiende ei: een kippenei.

Toen begreep moeder was er moest gebeurd zijn. Ofschoon de hen broeide

op de eendeneieren, had zij er nog een van haar eigen eieren bij gelegd,

en, daar het kippenei sneller uitbroeit dan het eendenei, was het

kuikentje 't eerst op de wereld gekomen.

Moeder moest er hartelijk om lachen en de kinderen klapten juichend in

hun handjes. En spoedig liet men de hen, die woedend-klokkend rond het

hok liep, op haar nest terugkeeren, en stak men 't tjilpend kuikentje

onder haar veêren, opdat zij het er warm zou houden.

* * * * *

Opnieuw verliepen acht dagen, in een schier angstige verwachting van

geheel het huisgezin. Het kuikentje groeide op dat het een echt genoegen

was, maar zouden de eentjes er dan heelemaal niet komen? De kinderen

werden er treurig om; elken morgen, met den dageraad, snelden zij met

vernieuwde, steeds teleurgestelde hoop naar 't hokje; elken middag, als

zij terugkwamen van hun bedeltochten in het dorp, was hun eerste vraag

tot moeder: "nog geen oandjes?" En als moeder telkens ontkennend "neen"

antwoordde, waren zij haast op 't punt om te schreien. Eens toen Fonske

ernstig zei dat het voor hen allen een groot ongeluk zou zijn indien er

geen eendjes tot stand kwamen, begonnen Guustje en Emeranske werkelijk

te schreien, terwijl dat blond krullekopje van een Liesje, nog te jong

om te begrijpen, hen heel serieus met haar schuldelooze blauwe oogjes

aanstaarde, de handjes roerloos saamgevouwen.

Eindelijk zou het er toch van komen! Op een morgen, net zooals

't gebeurd was met het kuikentje, hoorde moeder, zoodra zij 't deurtje

opende, een welbekend getjilp in 't hokje. En alvorens ze zelfs in

't achterhoekje was, vloog de hen wild van haar nest op, schudde haar

veeren dat het stof er afwaaide, en snelde klokkend, met sleepende

vlerken naar de deur, gevolgd van haar kuiken en van één enkel, nog

gansch gele eendje, dat haar waggelend en wanhopig tjilpend achterna

liep.

Verbaasd versperde moeder de klokhen den weg, greep haar vast ondanks de

vleugelslagen en het razend gepik, zette haar weer op de eieren, met het

eendje onder haar. Als verdwaasd, met ronde, verwilderde oogen, bleef

het beest er enkele oogenblikken roerloos zitten, maar eensklaps vloog

het met een krijschenden gil weer op, en zóó geweldig, dat het een der

eieren verbrijzelde.

Een walgelijke stank vervulde heel het zwingelhok: het ei was bedorven.

Op het geluid waren de kinderen aangesneld. Moeder beval hun de hen, die

volstrekt met hare kleinen buiten wilde, te bewaken, en naderde

't verlaten nest. Het hoofd afgewend raapte zij het gebroken ei op, en

ging het op den mesthoop gooien. Toen kwam zij in 't hokje terug, nam

éen voor éen de overblijvende eieren uit het nest, woog ze even in haar

hand, hield ze omhoog, naar 't daglicht.

Met een stokje brak zij voorzichtig een der schalen. Pouah!.... De hand

vóór den mond en 't water in de oogen, liep ze buiten. Het ei was ook

bedorven, net als dat welk de hen zelve gebroken had.

De kinderen stonden verslagen.

Toen nam moeder het geheele nest op en bracht het buiten in het gras.

Het een na het ander wierp zij van verre de eieren op den mesthoop, en

allen barstten er open, een walgelijken stank verspreidend. In geen

enkel was er nog een eendje, allen waren bedorven. Van het gansche

gebroed waren er enkel die twee te recht gekomen welke nu in den

heerlijken Julimorgen naast de klokhen op het zonnig graspleintje

liepen: het kippetje en het eendje.

* * * * *

't Was een erbarmelijke teleurstelling gemengd met woede. Guustje was

zóó boos dat hij zijn kruk achter de klokhen gooide, en Fonske en

Emeranske huilden bittere tranen, terwijl Liesje stilzwijgend, met

groote, wijze oogen, alles afluisterde en aanstaarde. En eensklaps riep

moeder met een schorre stem dat het de moeite niet was die twee te

behouden, en dat men ook dadelijk de hen zou dooden en opeten.

Maar toen ze zulks hoorden begonnen de kinderen nog luider te schreien

en smeekten zij moeder dat ze 't niet zou doen. Zij hingen aan haar

japon en Guustje ging hinkend zijn krukje uit het gras weer oprapen

opdat moeder er de hen niet meê zou doodslaan, terwijl Emeranske in

allerijl om kruimeltjes brood en stukjes gekookte aardappel liep, voor

de kleintjes.

- Nie nie, moeder,.... niet deud doen!.... onz' hinneke niet deud doen!

* * * * *

Toen het eerste oogenblik van teleurstelling en gramschap over was,

sprak moeder trouwens zelve niet meer van de klokhen te dooden. Zij brak

ontzenuwd in tranen los, zuchtend dat zij toch ál te ongelukkig waren en

dat zij allen zouden sterven van den honger, lang vóór vader uit de

gevangenis terugkwam. Toen ging ze, de oogen rood en nog snikkend, van

den zolder een oud kippenhok halen, waarin de hen werd opgesloten en

waar de kleintjes gemakkelijk in en uit konden loopen. In 't midden van

het grasveldje werd een kommetje gegraven waarin men een waschkuip met

water plaatste, opdat het eendje zou kunnen zwemmen; en binnen en rondom

de kooi werden er rijst, kruimeltjes brood en stukjes aardappel

gestrooid. De hen, al hare veeren overeind en hare vlerken sleepend,

draaide klokkend in 't hok heen en weer; de kleintjes slokten gulzig het

eten op, het kuikentje fijn kakelend, het eendje met gretig uitgerekt

bekje kwakkwakkend; en de gramschap en de droefheid waren nu weêr

heelemaal vergeten: moeder keek glimlachend, door haar tranen heen, naar

het gemoedelijk tafereeltje, en de kinderen, gansch opgewekt, omringden

't hok met kreetjes van geestdrift en juichend gehuppel.

* * * * *

En van lieverlede werd het iets zoo grappigs, zoo aardig-verrukkends.

De beide kleintjes, precies als broeder en zuster, verlieten elkander

geen oogenblik, liepen gansche dagen naast elkaar rondom het hok en op

het grasveldje: het kuikentje na enkele weken reeds goudbruin van

veeren, hoog en slank op zijn pootjes, wijd stappend met een air van

hoogmoed: het eendje heel en al wit en 't lijfje tegen den grond, de

gele platvoetjes scheef, den gang waggelend, gelijk een te zwaar beladen

boerinnetje. Zoodra het kippetje in 't gras een wormpje vond, riep het

scherp kakelend, met pootjesgetrippel en vlugge pikjes, het eendje bij

zich, en spoedig kwam dit aangewaggeld, en staarde het aas met zijn rond

zwart oog aan, even kwakkwakkend dat dit voor hem geen geschikt voedsel

was; zoodra het eendje in het kuipje zwom, sloeg het zijn vlerken open

en kwakte gretig-luid opdat het makkertje zou komen zien. En dit kwam

dadelijk op het houten randje gesprongen en huppelde kakelend naast het

eendje rondom 't kuipje mee, zich even, verdwaasd, in 't water

spiegelend, somtijds, met uitgerekten hals en opgeheven bekje een teugje

er van drinkend, als om, op de eenige manier dat hem zulks mogelijk was,

't genoegen van zijn makkertje te deelen. Na ruim een maand kon men

vaststellen dat het kuikentje een haantje was, en het eendje een wijfje.

Maar reeds was het eendje aanzienlijk meer ontwikkeld en zwaarder dan

het haantje; en toen zij beiden 's avonds in het hokje, waar men de kooi

telkens terug droeg, onder de vlerken van de klokhen kropen om te

slapen, zat deze gansch schuin neergehurkt, als een op anker liggend,

scheef geladen schuitje.

Voor de kinderen was deze wondere vriendschap der twee diertjes een

onuitputtelijke bron van genoegen geworden. Reeds van de eerste dagen

hadden zij het haantje als "Pierke" en het eendje als "Kootje" gedoopt;

en zoodra zij van hun dagelijksche bedeltochten thuis waren, liepen zij

haastig, haastig naar het tuintje, om er bewonderend den handel en

wandel der twee vriendjes waar te nemen. Altijd hadden zij de een of

andere lekkernij mee, en zoodra de diertjes hen ontwaarden kwamen zij

haast vliegend toegesneld en aten zij uit hunne handjes. Zij waren zóó

tam geworden dat de kinderen ze op hunne knieën konden nemen en ze

streelen over de gladde veeren zonder ze te doen vluchten. Na zes weken

sliepen zij niet meer onder de vlerken der moeder, die nu weêr in

vrijheid werd gesteld, doch bleven roesten in het zwingelhok. Elken

avond, ongeveer een uurtje vóór zonsondergang, zag men ze samen: het

eendje waggelend, met scheeve staartbewegingen, het haantje

breed-schrijdend met een air van bescherming, gelijk verliefden naar hun

hokje trekken. Daar het haantje op 't rek moest om te slapen, sprong het

op een der sporten van een laddertje welk daar stond, en altijd

fladderde 't eendje, dat een effen vlak noodig had om te rusten, op een

plank daarnaast, zoo dicht mogelijk bij het makkertje.

De hen, onverschillig, zag naar beiden niet meer om, en roestte[2] alleen,

boven het achterhuisje van het hutje.

2 [Nota van de bewerker]

_Roesten_: (van kippen; gew. ook van mensen) op de roest, op stok zitten

synoniem: slapen

(Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal 14)

<p>* * * * *</p>

Een avond, met de schemering, terwijl moeder en de kinderen reeds aan

tafel zaten voor het maal, ging de voordeur open, en stond vader

glimlachend vóór hen. Het gebeurde zóó plotseling, zóó vreemd, zóó

onverwacht, dat allen als verstomd bleven, den paplepel roerloos in de

hand, de oogen wijd open. Vader zelf schoot in gullen lach, en, zijn

pakje op een stoel gooiend, wreef hij zich opgeruimd de handen, als kwam

hij van een feest, terwijl hij uitriep:

- Dat es nui wat, hè! Zeu vroeg en hêtte mij toch nie verwacht! Hoe goat

't mee ulder allemaol?"

Neen, zeker, zóó vroeg hadden zij hem lang niet verwacht. Het gebeurde

wel eens dat hij een drietal weken vóór den termijn vrijgelaten werd,

maar nu had hij volgens zijn veroordeeling, nog minstens twee maanden in

de gevangenis te blijven. Hij was er dus uitgevlucht, en in dat geval

zouden de gendarmen hem spoedig opnieuw komen aanhouden!

Een heele minuut duurde het alvorens de vrouw en de kinderen van hun

stomme verslagenheid herstelden. Toen stonden zij allen op, en schuw en

aarzelend viel hun de geijkte Vlaamsche groet van de lippen:

- Man ge zij welgekomen...."

- Voader, ge zij welgekomen...."

En bleek van schrik kon moeder het niet langer bedwingen:

- O!...... zijde dan uit "'t kot" gevlucht?

Opnieuw schoot vader in een luiden lach:

- Gevlucht....! gevlucht!" riep hij, als was hij ten hoogste verrukt

door die gedachte. "Nien, nien, ek, zulle! wacht moar, 'k zal 't ulder

wel goan vertellen."

Allen waren weêr gaan zitten en vader zelf had luidruchtig naast hen aan

den disch plaats genomen. Hij was uitgehongerd, zijn flikkerende oogen

loerden schuins naar de groote papkom, die in 't midden van de tafel

stond, en nogmaals wreef hij zich krachtig de handen, terwijl moeder hem

spoedig een houten lepel toestak en hem een paar dikke

roggesmouterhammen voorsneed. Gedurende ettelijke oogenblikken at hij

gulzig door, 't gelaat ernstig, den rug gekromd, den mond vol

roggebrood, slikkend de witte pap met een geslurp der lippen. Toen

slaakte hij een grooten zucht van verluchting, barstte nogmaals uit in

een gullen, onbekommerden lach, en, langzamer voort etend, begon hij

zijn geschiedenisje te vertellen.

't Was aan zijn "avecoat" dat hij zijn vrijstelling te danken had....

Die jonge man, welke een zonderling belang in hem scheen te stellen, was

hem herhaaldelijk in de gevangenis komen bezoeken, en telkens had hij

zijn verbazing uitgedrukt vader zoo volkomen verschillend te vinden van

andere gevangenen, steeds zoo opgeruimd en levenslustig, terwijl de

meesten--en niet zonder reden--ter neer gedrukt en ongelukkig waren.

"Zitte gij dan zeu geirn in 't kot?" had de "avecoat" hem eens gevraagd.

"Verduuveld nien ek, menier den avecoat, moar es 't nie beter van d'r om

te lachen dan te schriemen? had vader vroolijk geantwoord. "Eiwel," had

de "avecoat" daarop gezegd, "ge ziet er gij mij nog al 'nen braove

meinsch uit, en 'k zal ne kier probeeren of dan z'ou nie en beetjen eer

en wille losloaten." Vader had den "avecoat" een woord van dank gezegd,

zonder echter veel hoop in zijn belofte te stellen. Hij had er zelfs

niet eenmaal, uit vrees voor een teleurstelling, aan moeder van

gesproken, als deze hem de laatste maal in de gevangenis was komen

opzoeken; en hij dacht er ook niet verder meer over na, toen de bewaker

dien namiddag, om vier ure juist, de deur van zijne cel kwam openen en

hem zei:

- Komaon, ge zij vrij....!

- Hoe zeu! 'k ben vrij! ge wil mij zeker woa wijs maoken!" had vader

verbaasd uitgeroepen.

- Oh,.... as ge liever nog woa blijft...." had de bewaker lachend

geantwoord, met een gebaar als om de celdeur weêr te sluiten.

Maar of vader er uit snelde!.... De bewaker had hem tot aan het hek van

de gevangenis vergezeld, en daar vader hem enkele woorden van

dankbetuiging zei:

- 't En es _mij_ niet die ge moet danken, moar wel ouwen avecoat," was

hem de man in de rede gevallen. "'t Es te danken aan _zijn_

tusschenkomste da ge twie moanden veur den tijd in vrijheid wordt

gesteld."

En daarop was vader maar spoedig vertrokken. Hij was recht naar zijn

dorpje, naar zijn hutje teruggekeerd, doch nu zou het stellig zijn

eerste werk zijn, den braven jongen "avecoat" in zijn huis te gaan

bedanken en een geschenkje voor hem meê te nemen.

Een geschenkje....! Toen vader den volgenden ochtend na een langen,

verkwikkenden slaap, nog zonder bezigheid rondom zijn huisje slenterde,

met volle longen de verkwikkende zomermorgenlucht inademend, verrukt het

schouwspel der natuur bewonderend, die hij sinds maanden niet meer

gezien had, dacht hij er over na wat hij den "avecoat" wel zoude kunnen

geven.

Een geschenk...., en er was geen centiem meer in huis! En niet alleen

was er geen geld meer, maar wel verscheidene frank schuld voor allerlei

onontbeerlijke dingen, die moeder op crediet in de winkeltjes van het

gehucht gehaald had. Zelfs indien hij de goede kans had onverwijld

ergens werk te vinden, wat lang niet waarschijnlijk was, zou hij weken

en weken moeten arbeiden om de oude schuld uit te dooven en iets te

kunnen sparen. En toch wilde hij zijn plan ten uitvoer brengen. Er

trilde in zijn rechtschapen en blijmoedig hart een snaar van

dankbaarheid, die hem geen rust zou laten, zoolang hij de weldaad van

zijn "avecoat" niet door een blijk van erkentelijkheid vergoed had.

En daar hij spijtig het hoofd schudde om die volslagen armoede welke hem

anders toch zoo weinig raakte, vielen zijn oogen op Pierke en Kootje,

die juist uit het zwingelhokje kwamen om hun dagelijksch, gemoedelijk

wandeltochtje aan te vangen.

Wat was dát toch? Wat beteekende dat? Waar kwam dat vandaan? Verbaasd

riep vader zijn vrouw, die in het achterkeukentje aan 't wasschen was,

en vroeg haar de uitlegging van 't vreemd verschijnsel.

Lachend vertelde zij hem het gansche geschiedenisje, waarvan zij allen,

in de verraste ontroering van den vorigen avond, vergeten hadden te

gewagen: de twaalf eendeneieren van boer Muijshondt, de klokhen die er

nog een had bijgelegd, en al de eieren bedorven, behalve twee waaruit

het eendje en het kuikentje gesproten waren: die twee wonderbare

vriendjes dáár, die het geluk van de kinderen uitmaakten en de grappige

verbazing verwekten van al wie ze samen in 't tuintje zag wandelen.

Glimlachend luisterde vader toe, den blik op 't curieuze paar, dat nu

langs de haag liep, het haantje even fijn kakelend, het eendje nu en dan

stilletjes kwakkend, als in een kalm en gelukkig gesprek. Op een gegeven

oogenblik slaakte 't haantje scherpere gilletjes, terwijl het met

pootjesgetrippel en vlugge pikjes voor een brokje aardappel stilhield.

Het eendje, dat enkele stapjes vooruit was, keerde zich om, kwam terug,

en met een enkelen schep van zijn langen, gelen bek, slikte het

't stukje aardappel op. Toen liet Pierke opnieuw een fijn gekakel van

tevredenheid hooren, en klapwiekte voor Kootje, als tot een blijk van

hulde en bescherming.

- Moar dat es percies 't affairen!" riep vader juichend. "Ik zal meneer

den avecoat die twee dáár ten geschenk geven. Ze zijn vet en malsch: hij

zal d'er heel kontent van zijn!"

- O, nien, da woare zonde, en wa zoûen de kinders schriemen!" sprak

moeder haast verschrikt.

Doch vader, die de twee makkertjes in hun wondere vriendschap voor

elkaar niet had zien opgroeien, en daardoor de gevoelens zijner vrouw en

kinderen niet begrijpen kon, riep spottend:

- Hoe zeu!.... en woa zoe me d'er wel meê doen, as ze nie opgeëten

wierden? G'en peist toch zeker niet uit 'nen hoan en 'n oande te

kwieken? Ha, ha! zuilk 'n ras van pluimgedierte zoe 'k wel wille zien!

Tut, tut, tut, morgen goa 'k er meê noar de stad, zeg ek ou. 'K en wille

nie ondankbaar zijn: meneer den avecoat hê mij 'nen te greuten dienst

bewezen."

En in 't geheim bewustzijn dat hij wellicht nog het slachtoffer zijner

onverbeterlijke drift tot wildstrooperij zou worden:

- Wie weet of da w' hem loater nog nie neudig en hen," besloot hij zijn

rede.

Moeder maakte geen opmerking meer, maar gansch den morgen voelde zij

zich treurig te moede.

* * * * *

Erger was het toen de kinderen om twaalf uur terugkwamen en vader hun

bekend had gemaakt wat er zou geschieden. Guustje, die altijd zoo bleek

was van gelaatskleur, werd eensklaps purper en wierp van wanhopige

droefheid zijn krukje tegen den muur, terwijl Fonske en Emeranske

begonnen te schreien en te snikken. Alleen Liesje zei niets, maar keek

ze beurtelings allen ernstig aan, met haar onschuldige blauwe oogjes,

waarin een vage uitdrukking van schrik te lezen was. Toen barstte moeder

ook in tranen uit; en aller wanhoop werd zóó hevig, dat vader zich haast

boos maakte, en hun vroeg of ze wellicht gek werden, zulk een spektakel

te maken voor dieren, welker bestemming toch was opgegeten te worden,

vroeg of laat, onvermijdelijk.

- Och voader, loat ulder ten minste ien van de twie hoûen?" smeekte

moeder.

Doch vader, stijfkoppig in zijn besluit, wilde daar niet van hooren.

"Wat, slechts den hoan of 't oandeke geven, was da nui 'n geschenk veur

'nen hiere lijk den avecoat! Nie, nie, hij moest z'alle twie hên."

De kinderen schreiden luider, krompen als van smart ineen. Toen sprak

moeder, door een plotse ingeving:

- Moar woarom niet, geef em 't hoantje en loat ons 't oandeken: 't zal

eiers leggen."

Vader, die reeds met het hoofd schudde om nogmaals te weigeren, bleef

even aarzelend bij die woorden. Een glimlachje kwam op zijn lippen, een

vonkje schitterde in zijn oogen.

- Hm.... da woare messchien nog 'n gedacht," antwoordde hij langzaam, na

een oogenblik stilzwijgen. "Het hoantje, doar en keunen me niemendale

mee doen, en 't moet er aan; moar 't oandeken, inderdoad. Hêet al eiers

geleid?"

- Nog niet, moar 't en zal nie lang meer duren."

En, daar de kinderen nu ook vurig smeekten toch een der beide

lievelingjes te mogen behouden, werd het aldus besloten. Het haantje

alleen zou opgeofferd worden en meneer den "avecoat" zou wel willen

begrijpen dat zij toch maar arme sukkels van menschen waren, die gaven

wat zij konden.

* * * * *

O, wat een triestige dag....!

Het had geen moeite gekost om het haantje te pakken: daar het volkomen

tam was, had moeder maar eventjes moeten roepen "Pierke! Pierke!" en

fijntjes kakelend, door het eendje gevolgd was het op haar schoot komen

springen. Het spartelde een weinig met de pootjes, toen vader het

vastgreep, maar toen het in 't net zat waarin vader het ter stad zou

brengen, hield het zich heel stil, heel wijs, terwijl alleen zijn ronde

glinsterende oogjes van zijn verschrikte verbazing getuigden. Toen het

eendje haar makkertje gevangen zag, had het een paar keeren gekwakt,

waarna het met groot vlerkengefladder in zijn kuipje was gaan zwemmen.

De kinderen, diep neerslachtig, barstten weer in tranen uit op het

oogenblik dat vader zou vertrekken. Beurtelings kwamen zij een laatste

maal hun lievelingje streelen in het net, en namen er teeder afscheid

van. Zelfs dat aardig krullekopje van een Liesje, die nog te jong was om

dat alles te begrijpen, kwam haar zoete lipjes tegen de mazen steken, en

kuste 't arme makkertje op zijn oogjes. En toen vader na den eten

opstond en het net optilde om er mee heen te gaan, sprak Fonske

zuchtend, deze, voor een kind van zijn leeftijd, diepe woorden uit:

- O, as menier den avecoat wist hoe geirne da we da biestje zien, hij en

zoe 't nie willen opeten."

* * * * *

Met de schemering was vader terug, opgeruimd en levenslustig, zooals

immer.

Moeder en de kinderen zaten aan den disch en aten zonder trek. Hij zette

zich bij hen en onder het eten vertelde hij van zijn reisje.

Meneer den "avecoat" was zóó tevreden, zóó aangenaam verrast geweest

door vaders blijk van dankbaarheid. En haast met geweld had hij hem een

stuk van twee frank in de hand gestopt. Twee frank! God, het haantje was

lang zooveel niet waard! Glimlachend had meneer den "avecoat" het

beestje in de hand gewogen, het even bevoeld op de borst, gevraagd aan

vader of hij het wilde dooden en plukken.

Een kreet van smart steeg bij die woorden om de tafel op, de kinderen

begonnen weer te schreien. En van daarbuiten, als een echo hunner

klachten, kwam het geluid van een herhaald gekwak, treurig geslaakt door

het thans eenzaam eendje.

Zonder op hun smart te letten, vertelde vader verder van zijn reis.

Wat voor een prachtig huis toch was die woning van den jongen "avecoat".

Overal met goud omlijste spiegels, welke de kamers tot in het oneindige

schenen te verdiepen, tapijten zacht als mos, waarop men haast den voet

niet durfde zetten; stoelen en zetels breed en mollig als bedden. En

overal planten en bloemen, en in den gang een vloer van wit-marmer; en

in het gansche huis een zoo fijne reuk van spijzen dat hem het water in

den mond gekomen was. Trouwens hij was ook in de keuken geweest, o, eene

zóó ruime, mooie keuken, vol glinsterend tin- en koperwerk, waar een

jonge, hupsche meid in sneeuwwitte schort, hem bier en vleesch had

voorgedischt, zooveel hij maar wilde. Meneer den "avecoat" was

belangstellend aan zijn zijde komen staan en had hem lachend gevraagd of

hij nog altijd zoo levenslustig en zoo vroolijk van gemoed was.

Hij kon van zijn bezoek daar ginds maar niet zwijgen; hij praatte maar

aanhoudend door, onbekommerd over het neerslachtig stilzwijgen zijner

vrouw en kinderen, nog gansch overweldigd door het zien van al die

ongeloofelijke pracht. Het was of hij vertelde voor zijn louter

persoonlijk genoegen; en slechts van tijd tot tijd keerde hij even het

hoofd om naar de achterdeur, als gestoord door het onophoudend gekwak,

dat daar voortdurend in het tuintje bleef weergalmen.

- Moar woa es da doar toch veur 'n roazend gekwak?" vroeg hij eindelijk,

op haast wreveligen toon.

- Da duurt azeu al hiel den dag; 't es 't oandeken die noar 't hoantje

roept," antwoordde moeder stil.

Vader trok zijn schouders op.

- Woa da ge toch peist," sprak hij minachtend. "Smijt 'em woa eten en

't zal zwijgen."

- 't Pleintje ligt vul mee stikskes breud en eirdappels en 't en proeft

er nie van," zei moeder.

- Bah, bah! 't zal der wel van proeven as 't honger krijgt," besloot hij

achteloos.

De kinderen zwegen, met verkroppende keeltjes roerloos luisterend naar

het geluid daarbuiten.

* * * * *

Het lampje werd uitgedoofd en allen gingen te bed. Maar de kinderen, die

niet konden slapen, hoorden den ganschen nacht het wanhopig gekwak van

het eendje.

Met den dageraad stonden zij op en liepen in het tuintje.

Niets was gegeten van al het voedsel dat op het pleintje gestrooid lag.

Uit Vlaanderen · 第 25 / 40 题