- Me zille goan scheuïen,"[1] sprak Fonske, de oudste: een mooi,
tienjarig ventje met bruin haar, bleeke wangetjes en groote wijze oogen.
- En veugels vangen," riep Guustje, klein en gebrekkelijk,
scheef-steunend op zijn krukje, zijn helderen blik op moeder gevestigd.