PIERKE EN KOOTJE.

_Aan mevrouw A. D._

Toen vader weg was naar de gevangenis, weg met den zegen en de tranen

van zijn vrouw en kinderen, kwam moeder, die hem tot aan de eerste

elzenstruiken van het pad uitgeleide gedaan had, in het hutje terug, en

haalde zij, nog snikkend, uit haar zak het linnen geldbeursje te

voorschijn, dat hij haar bij 't laatste afscheid had gegeven.

Het woog niet zwaar. Op den bodem van het vuilgrauw taschje teekende

zich onduidelijk de vorm van twee vijffrankstukken af; en toen moeder

het strikje losgemaakt en den inhoud in haar hand geledigd had, telde

zij juist de som van veertien frank en vijf en zeventig centiemen.

Veertien frank en vijf en zeventig centiemen, iets meer dan één zak

aardappels, enkele stukken gerookt zwijnevleesch en een veertigtal

kilo's roggemeel, dat was alles wat zij en haar vier kinderen nog

bezaten, om, gedurende de zes maanden welke er vóór vaders vrijstelling

zouden verloopen, in hun onderhoud te voorzien.

Arme vader....! Het was zijn ontembare passie voor 't wild, die hem

opnieuw naar de gevangenis gedreven had, reeds voor de vijfde maal. Hij

was zoo goed, steeds zoo opgeruimd van gemoed, en ook zoo werkzaam en

zoo sober, maar hij was nu eenmaal aan die ellendige drift van

wildstroopen verslaafd; hij kon geen haas of geen patrijs zien zitten

zonder er zich meester van te willen maken.

Hij deed het al lachende, al gekscherende, gelijk hij alle dingen deed,

volstrekt niet voelend dat hij daarmeê verkeerd kon handelen. Er was

niets in hem van de omzichtige loosheid welke doorgaans gepaard gaat met

de drift van 't wildstroopen; hij ging er zoo onbezonnen, zoo naïef weg

mede te werk, zóó naïef, dat hij schier telkenmale op heeterdaad betrapt

werd. Glimlachend, tenauwernood verwonderd dat het telkens zoo gebeurde,

liet hij zich door koddebeier of gendarm bij den kraag vatten;

glimlachend hoorde hij zich op 't tribunaal berispen en veroordeelen;

glimlachend, vast vertrouwend dat hij toch terug zou komen, trok hij

naar de gevangenis. Noch voor zich zelf noch voor de zijnen voelde hij

de ruwheid van hun arme-menschenleven: hij behoorde tot die gelukkige

gemoederen, die alles van de louter goede en optimistische zijde kunnen

beschouwen.

En heilzaam werkte steeds een zoo opgeruimde gemoedstemming op het

verdriet van zijn gezin. Het was niet mogelijk lang te treuren om een

ramp, welke zoo weinig indruk maakte op hem zelf, die er rechtstreeks

door getroffen werd; en ditmaal, evenals vroeger, was het, na een paar

uren, gedaan met de klachten en de tranen. Nu moest hij reeds in de

gevangenis zijn en geene smeekingen noch tranen zouden hem vóór den

termijn zijner straf in vrijheid doen stellen. Al wat moeder nog voor

hem kon doen was hem telkens om de veertien dagen eens te gaan bezoeken,

om een uurtje met hem te praten door de traliën zijner cel, en hem

misschien, als de bewaker den rug gekeerd had, een stuk ham of spek in

de hand te stoppen.

Getroost rees moeder weldra op van den stoel, waar zij, ineengezakt van

droefheid, had zitten te weenen, en na een laatste maal, in een

laatsten, snikkenden zucht, met haar blauwe schort haar roodgekreten

oogen afgedroogd te hebben, begon zij bedaard den materiëelen toestand

te beschouwen, waarin 't vertrek van haren man haar liet.

Zij telde nog eens de veertien frank vijf en zeventig van 't linnen

beursje, keek naar de enkele stukken spek die aan de lage zwartgerookte

zoldering van het keukentje hingen, en naar het hoopje aardappels die in

een der hoeken van het slaapvertrekje lagen; en dan, hare vier jonge

kinderen om haar heen roepend, richtte zij ernstig tot hen, als tot

groote menschen, deze woorden:

- Ziedoar, kinders, al wa da me nog bezitten om er zes moanden van te

leven. As voader uit "het kot"[1] weeromme komt zal 't winter zijn, en

we zillen allemaol lang deud zijn van den honger, as ge mij niet en

wilt helpen. Zeg, zilde mij helpen in ons onderhaud te veurzien?"

Alle vier, in rij vóór haar, knikten toestemmend met het hoofd.

Uit Vlaanderen · 第 23 / 40 题