Om twee uur, na zijn dutje, was de barbier vertrokken....
Jeugdig nog van uiterlijk, ofschoon hij reeds de veertig voorbij was,
het koperen scheerbekken met 't wit en blauw geruite doekje onder den
arm, het hard stuk witte zeep in een der zakken van zijn grijs-fluweelen
vest, en, onder dat vest, den zwart-leeren gordelriem, waaruit de beenen
hechten der scheermessen en de stalen oogen van de scharen staken, zoo
liep hij, viermaal in de week, met, zijn flinken, vluggen stap van
oud-militair, den heelen omtrek der verschillende gehuchten van het dorp
af.
Hij ging in bijna alle boerderijen, in bijna alle huisjes waar er mannen
waren. Met een vlugge hand zeepte hij ze in, schoor ze, vertelde of
hoorde welwillend de praatjes van den dag aan, ontving zijn sou per
hoofd, groette, en ging verder.
Somtijds, als zich dat met de verdeeling zijner tochten schikken kon,
gebruikte hij 't middagmaal thuis, met zijn gezin; maar meestal stelde
hij zich tevreden met een stuk spek op een snee roggebrood, die hij
onderweg opat, tusschen twee gehuchten, zonder zelfs stil te houden.
Zijn bezigheid duurde zoo voort, den ganschen middag, soms tot het
donker was. Dan keerde hij terug naar zijn hutje, zijn eenzaam klein
hutje van leem en van stroo, achter het park van het kasteel verborgen,
gaf er te eten aan zijn zwijntje en zijn koe, at zelf met zijne vrouw en
kinderen, ging dan nog, onder 't rooken van een pijpje, bij 't schijnsel
van een olielampje, zijne scheermessen en scharen slijpen, begaf zich
eindelijk ter rust.
Den volgenden morgen, reeds met den dageraad, was hij op zijn akkertje,
spittend, maaiend, zaaiend... zwoegend zonder een seconde tijdverlies.
En omstreeks negen uur, na een haastig ontbijt, vertrok hij opnieuw, om,
in een andere richting, zijn afmattenden tocht weer aan te vangen.
* * * * *
Dien middag moest hij heel heel verre gaan, in een zeer afgezonderd
gehucht, waar hij maar eenmaal in de week verscheen.
Het was er, op ongeveer anderhalf uur afstands van zijn hutje, over de
wijde uitgestrektheid van de blonde korenvelden, als een oase van witte
huisjes met roode daken, onder den lommer van heerlijke boomgaarden. Hij
ging er heen langs ingewikkelde wegen, langs smalle krondelpaadjes
slingerend tusschen 't hooge koren, welks neerbuigende aren hem in het
voorbijgaan over de wangen schampten, langs enge, mosachtige
grasstrookjes, meekronkelend met snelle vlietjes, in de schaduw van de
elzenstruiken. De Junimiddag was zwaar-broeierig onder een
schel-blauwen hemel met schel-witte wolkjes, de grond was dor en
stoffig, de leeuwerikken, hoog-drijvend op hun trillende vlerkjes,
zongen onvermoeibaar. Over de paars-roze klavervelden, die als honig
geurden, fladderden witte, gele en bruine vlinders.
En, wakker van blik en van bewegingen, het lijf kaarsrecht, den
rechterarm gelijkmatig zwaaiend, liep de barbier steeds flink door....
Hij dacht nergens aan, hij leed niet te erg onder de drukkende hitte,
hij liep werktuigelijk naar zijn gewone doel, de uiterlijke zintuigen
als doordrongen door een onbewust gevoel van welzijn, genietend zonder
het te beseffen van die zacht-rustige afwezigheid van gedachten, van die
gelukkige slaapzucht der hersenen. 't Was of er in hem niets innerlijks
meer bestond, 't was of zijn ziel niet meer bestond, of dat ze leeg was,
leeg van smart als van vreugd, tijdelijk leeg van leven.
* * * * *
Een onverwacht schouwspel trok hem plotseling uit dien staat van zalige
bedwelming, schudde weer in hem wakker de sluimerende kracht van ziel en
van gedachte....
Hij had even stil gehouden voor de gedraaide brug van een kanaaltje, en
terwijl een schuitje, beladen met aardewerk, voorbijdreef, gingen zijn
oogen, als aangetrokken naar links, zich vestigen op een vreemd
tafereel, tevens vroolijk en barbaarsch.
Het was, eventjes voorbij de brug, bij den linkeroever van 't kanaaltje,
een luidruchtige bende kinderen, in wilde woeling en gestoei. Zij waren
een tiental, allen spiernaakt, behalve een rood of blauw zakdoekje,
gegordeld om de lendenen, in driehoek naar beneden. Enkelen stonden tot
aan 't middel in het water, de anderen, op den lagen oever, woelden
rondom een soort van galgetje, vervaardigd uit drie aan elkaar gebonden
stokken, geplant tusschen het gras, dichtbij het water.
Aan 't galgetje, vastgebonden met een eindje touw aan een der
achterpooten, hing een kikvorsch te spartelen. Een tiental passen
achteraan stond een der knapen, door zijn makkers geblinddoekt, een stok
in de hand. Vooruitgeduwd in den rug, werd hij, even vóór de galg, weer
losgelaten. Hij waagde nog een paar schreden alleen, de beide handen
tastend uitgestrekt, metend den afstand met handen en voeten. Dan hield
hij stil, haalde den rechterarm achterover, mikte in verbeelding, sloeg,
met volle kracht.
Terstond weergalmde wild lawaai van kreten. Als 't kikkertje getroffen
was en in 't water gegooid, was de bengel gewonnen, en mocht hij, met
een ander slachtoffer, het spel opnieuw beginnen. Als hij 't mankeerde
wek' hij zelf in het water gegooid, onder luid-schetterend hoongejouw,
bij de anderen. En allen moesten er blijven tot zij er in slaagden een
der in het water geslingerde kikkers te bemachtigen en er weer op den
oever mee te komen.
Bij elken slag die lukte vlogen zij wild op het slachtoffer af, duikend,
buitelend, vechtend om het lillend beest, dat ze soms aan stukken van
elkaar trokken. Het water, om hen heen, was heelemaal drabbrig en blond,
als door de schroef van een stoomboot omgemalen, af en toe gezonnevlekt
als met schubbetjes van weerlichtend goud; en de schrale naakte lichamen
rilden ondanks de warmte, met tandengeklapper en paars-gevlekte
aangezichten. Op den anderen oever van 't kanaaltje lagen enkele
hooiers, plat ten gronde uitgestrekt naast hun in 't gras geboorde
vorken, met vroolijke belangstelling het schouwspel waar te nemen.
* * * * *
Het schuitje was voorbij, het bruggetje gesloten, de barbier weer
vertrokken. En, uit de menigvuldige sensaties en gedachten, welke nu
plotseling zijn geest bevingen, kwam er zich langzaam een ontwikkelen,
scherper en duidelijker dan de andere: de gedachte aan zijn jongste
zoontje, aan hem dien hij "zijn kleine" noemde, en dien hij,
instinctmatig, liever had dan zijn overige kinderen.
Het was een negenjarige knaap, van een zeldzaam vroegrijpe
schranderheid. Buitengewoon bedorven en verwend, omdat hij de jongste
was, had hij tot dus ver alleen naar zijn zin geleefd, eigenwillig en
tuchteloos, als een echt natuurkind. Na enkele maanden van haast
dagelijks spijbelen, had hij heelemaal naar school niet meer gewild, en,
toen hij, op zevenjarigen leeftijd, evenals zijn oudere broers, naar een
boerderij gezonden werd als koewachter, liep hij den derden dag weg, en
bedreigingen noch smeekingen konden er hem weer terug doen komen.
Hij voerde niets uit, in 't geheel niets. Hij leefde als een plant, als
een boompje, als een beestje, in de langzame en natuurlijke ontwikkeling
zijner instinctieve krachten. Maanden lang liep hij doelloos rondom het
ouderlijk hutje, heel klein en eenzaam als een kaboutertje onder de
hooge sombere gewassen van 't kasteelpark, doelloos maar oplettend voor
al de verschijnselen van het hem omringend natuurleven, loopend of hij
naar iets zocht of naar iets wachtte, niet wetend nog waaraan zijn
ontwakende krachten te besteden.
Plotseling vond hij 't.
Wat sterk de kinderen frappeert is de overvloed van iets in hun directe
omgeving. Zij houden van wat hun groot schijnt, van al wat ruim en
overtollig is. En de knaap, altijd op zoek in de weiden en rondom de
slooten van het groote park, werd getroffen door de overweldigende
hoeveelheid kikkers die hij er ontmoette. Hij begon ze ga te slaan, ze
te volgen, zich amuseerend, met hun breede sprongen in het gras. Hij
plaagde ze met een stokje, bootste met vreugdekreten hunne sprongen na,
joeg ze voor zich op naar de donkere slooten om de hagen van het park,
om ze te zien duiken en zwemmen. Als de beesten, vermoeid of
weerspannig, weigerden te gehoorzamen, dan trapte hij ze dood, ze
verpletterend met den hiel, in een gegrinnik van wreedheid en toorn.
Gedurende verscheidene weken vermaakte hij zich aldus buitengewoon, deed
hij niets anders meer dan kikkers najagen. Maar, daar er toch in ieder
wezen de impulsie en zelfs de behoefte is iets nuttigs te verrichten,
zoo spanden zich weldra zijn jeugdige krachten in, om uit die nuttelooze
jacht eenig voordeel te trekken. Eens, in de wei, zag hij jonge
koewachters kikvorschen vangen, er 't vel aftrekken, er de beentjes van
afsnijden, deze braden en opeten. Men liet er hem van proeven. Hij vond
het heerlijk. Hij zei niets, maar bleef den ganschen dag bij de
koewachtertjes, peinzend in zichzelf teruggetrokken. Den volgenden
morgen, reeds met den dageraad, was hij in weiden, een korf om den arm,
een stok in de hand. Om twaalf uur kwam hij weer thuis, den korf half
vol met kikkerbeentjes, het vel er afgestroopt en heel netjes
gewasschen.
Zijn moeder, heel verwonderd, zei hem dat het zeer lekker eten was, maar
dat zij geen verstand had om het klaar te maken. Zij raadde hem aan, de
opbrengst van zijn vangst in 't dorp te gaan verkoopen. Dadelijk trok
hij er heen, en, toen hij terugkwam, had hij twee zilverstukjes in de
hand, die hij, zeer getrouw, aan zijn moeder gaf.
Zoo was 't begonnen. En sinds dien dag, zoolang de lente en de zomer
duurden, deed hij niets dan kikkers vangen. Hij zuiverde er van de
weiden en de slooten in den ganschen omtrek van het groot kasteel, en
men hoorde ze niet meer, op zwoele stille zomernachten, tusschen het
kroos der vijvers kwakken; hij ging ze zoeken tot verre vandaan, in
't veld, in de boomgaarden, aan den rand der bosschen, overal waar eenige
kans was ze te vinden. En aldoor, heel wijs, heel braaf, volkomen
onbaatzuchtig, gaf hij de geldelijke opbrengst aan zijn moeder.
* * * * *
Werktuigelijk, met zijn gekadanseerden stap, volgde de barbier nu een
der smalle slingerpaadjes tusschen 't hooge koren, ontwarend reeds, over
de blonde golving der gebogen aren, het verre gehuchtje van groene
boomgaarden en witte hoevetjes met roode daken, einddoel van zijn langen
tocht. En, met een vreemde obsessie, achtervolgde hem het tafereel
gezien bij het gedraaide bruggetje, gemengd met het beeld van zijn jong
zoontje. Ofschoon ongenaakbaar voor overdreven teergevoeligheid, toch
ergerde en bedroefde hem het bijgewoonde schouwspel, om zijn
wreedaardige ruwheid. En, hij wist niet hoe, maar een sensatie van
gevaar kwam er nog bij; 't gevaar waaraan al die jonge knapen, waaronder
wellicht velen die niet konden zwemmen, zich in dat te diepe en te
breede water blootstelden. En aldoor ook, wat hij ook deed om die
kwellende obsessie te verjagen, aldoor kwam 't beeld van zijn jong
zoontje zich bij 't akelig schouwspel voegen, in één en dezelfde
narigheid van wreedheid en gevaar.
Opnieuw, in zijn onbillijke, maar niet te overwinnen voorliefde voor
zijn jongsten bengel, betreurde hij het veel te klein gezag dat hij over
hem voerde, en deed hij zich verwijten dat hij hem zoo liet loopen,
zonder eenige tucht, gelijk een kind van landloopers of wilden. Wat
moest er eindelijk van worden als dat niet veranderde? Waartoe zou hij
later deugen als hij niet van jongs af gewend werd aan regelmatig,
eerlijk werk? De vader voelde dringend dat dat heelemaal anders moest
worden, maar hij had niet de moreele kracht het ernstig te bewerken. Wat
hij zonder de minste moeite voor zijn andere kinderen had kunnen doen,
werd hem onmogelijk, onmógelijk, zoodra 't den kleine gold. En aldoor
loopende, onder de drukking eener toenemende neerslachtigheid, ging zijn
gekwelde geest aan 't zoeken en aan 't peinzen, treurig peilend in
veronderstellingen de toekomst van 't geliefde kind. Hij zag hem, in
verbeelding, ontwend aan alle plichtbesef, van kikkerjager wildstrooper
worden, van wildstrooper vagebond, van vagebond dief, van dief
moordenaar. Hij zag hem voor de rechtbank, tusschen twee gendarmen; hij
zag hem in de gevangenis; hij zag hem op 't schavot. IJzend bleef hij
stil bij die gedachte, huiverend poogde hij de toekomst minder somber in
te zien. Ach! ondanks al zijn stugge weerspannigheid was de kleine in
den grond toch zoo zacht, zoo goed, zoo schrander. Wie weet of hem,
integendeel, geen schitterende toekomst was bewaard? Hij zou zich toch
niet altijd bezig houden met kikkers na te jagen, met tuchteloos in het
wilde te loopen; hij zou op minder barbaarsche wijze zijn
levensonderhoud verdienen, hij zou wel eindigen met eerlijk, degelijk
werk te doen. Hoeveel waren er niet, die, van koewachters, van
straatbengels, van kleine vagebonden, machtig en rijk geworden waren,
bewonderd, geëerbiedigd en gevreesd? Wie weet of hij, ondanks alles, dat
ook niet worden zou?....
Nu volgde hem de kwellende obsessie als zijn schaduw, zonder hem meer
los te laten. Het was als iets dat met hem medeging, iets dat hij even
buiten aan de deur liet van de boerderijen waar hij binnentrad, dat hij
een oogenblik vergat, terwijl hij, inzeepend en scherend, de praatjes
van den dag aanhoorde; maar iets dat dadelijk weer in hem gedrongen kwam
zoodra hij buiten was, hem vergezellend naar de volgende hoeve. En
aldoor weer rees voor zijn geest 't barbaarsche tafereel aan
't bruggetje, als aanvulling en lijst der knagende gedachte: aldoor zag
hij den kikker spartelend hangen aan het touwtje, den naakten knaap uit
al zijn macht met den stok slaande, de andere knapen vechtend en ploeterend
in 't omgewoelde water, om er 't lillend, van elkaar gescheurde
slachtoffer, elkander uit de hand te rukken. En aldoor ook,
sarrend-eentonig als een onophoudelijk herhaald deuntje, kwam de
gedachte van 't gevaar, 't gevaar voor al die naakte, schrale kinderen,
in dat te breed en diepe water.
* * * * *
Droevig-sombere obsessie: nu kwamen weer vóór zijn geest, door
't treurig denkbeeld ingeroepen, al de bittere en smartvolle herinneringen
van zijn gansche leven. Zijn jeugd van zwoegen en ontberingen, den
slavenarbeid op de hoeven, het sjouwen in brandende hitte, het sjouwen
in nijpende koude, het sjouwen met de folterknaging van den honger in de
maag. Daarna zijne vier jaar soldaten-slavernij, en, na zijn huwelijk,
nog hoe langer hoe erger zwoegen en sjouwen, het sjouwen zonder hoop
noch eind, als in levenslangen dwangarbeid. Nooit had hij zich een enkel
oogenblik gansch vrij gevoeld, nooit had hij in volle rust mogen
genieten van één dier kommerlooze dagen zooals zijn jonge bengel er zoo
overvloedig veel had.
En trapsgewijs, onder 't herdenken en 't herleven van al die geledene
ontberingen en droefheid, steeg het in hem tot een toornigen wrevel, tot
een behoefte te doen deelen door anderen, dát waaronder hij zelf zijn
leven lang geleden had. Waarom zou die kleine deugniet moeten gelukkiger
zijn dan hij? Waarom zou hij zijn deel niet dragen van den algemeenen
last, gelijk zijn ouders en zijn broeders? Waarom zou er voor hem, voor
hem alléén, geen plicht te vervullen, geen juk te dragen zijn? Neen,
neen, zóó kon het niet langer meer duren. Alles met hem moest anders
worden, en zonder uitstel. Hij zou hem eindelijk dwingen tot een
regelmatig, dagelijks werk, hij zou het hem verbieden, zijn schandelijk
wilde-landloopersleven; hem verbieden, formeel en onverbiddelijk
verbieden, al moest het met geweld, die walgelijke, stomme jacht op
kikvorschen. Het moest, en 't zou gebeuren. Het handhaven van zijn
gezag, zijn geweten, 't besef van zijn vaderlijken plicht geboden
't hem.
* * * * *
Zijn tocht was geëindigd, hij keerde naar zijn woninkje terug, de
wenkbrauwen gefronst, ten prooi aan een toenemende ontevredenheid, aan
een verscherpende prikkelbaarheid. Langzaam daalde de zon naar het
westen, in gouden glans over de wijdgolvende velden, laag onder
dofkoperkleurige wolkengevaarten, zwaar van dreigend onweer. Hij had het
erg benauwd en warm, nu; het klamme zweet barstte op zijn voorhoofd en
zijn handen uit, en van tijd tot tijd staarde hij bezorgd naar
't zuiden, waar soms een dof gerommel dreunde, wijd-echoënd uitstervend in
de zwoele, onbewegelijke atmosfeer.
En, onder de logge wolken, ginds aan den verren horizon, tooverde zich
nog eens en nog, in steeds scherpere lijnen en vizioenen, verscherpt nog
door zijn overprikkelde verbeeldingskracht, de walgwekkende scene van
het kikkersslachten, folterend vóór zijn geest. De schrale lichamen der
knapen teekenden zich spookachtig als lijken af, in 't donkerder
geworden, omgewoelde water, en 't akelig tafereel leek nog barbaarscher,
een tafereel van hel en foltering, terwijl de indruk van gevaar nu
overweldigend werd, angstwekkend als een nachtmerrie, als de
vertigineuse wording van een ramp, die rijp was om uit te barsten.
En plotseling, terwijl hij in 't zicht kwam van de hooge, zwarte kruinen
van het park, waarachter zijn klein woninkje verborgen lag, voelde de
rampzalige barbier den worggreep van een onuitsprekelijken angst. Dat
drukte zich plotseling in zijn hersens, gelijk de drukking van een duim
in was; hij hield plotseling stil, de oogen wijd opengesperd; hij
voelde, als in een ijzigen ademtocht, een superstitieuzen schrik over
hem komen. Dat kwam daar uit die hooge donkere kruinen van het park, uit
die sombere wolken-gevaarten, die zich op de aarde schenen neer te
drukken, uit die golvende, gebogen korenaren, trillend van fantastisch
licht, uit hemzelf, uit de mysterieuze diepten van zijn innig wezen. En
zijn hutje, dat hij niet zag, maar dat hij daar voelde, achter die
overweldigende zwarte loovermassa's, scheen hem nu erbarmelijk zwak en
nietig, zwak van onbekend onheil, van diep verborgen smart.
Met inspanning verdrong hij die zwaarknellende sensatie, en vorderde
weer zijn weg, inroepend, om er zich mede te versterken, zijn toorn
tegen zijn jongen bengel. Nu stroomde 't zweet in stralen langs zijn
magere wangen, hij hijgde in de stikkende atmosfeer, en hij verhaastte
den stap, het hart bonzend en de beenen trillend, elk oogenblik
opkijkend naar den hoe langer hoe somberder wordenden hemel, als om zijn
wilde hollen door de vrees voor 't dreigend onweer te rechtvaardigen.
Zoo kwam hij buiten adem uit de korenvelden, liep dwars over den
steenweg, volgde een lange, rechte beukenlaan, langs een der hagen van
het park. Op zijn lippen had hij de gebiedende woorden klaar, in zijn
oogen schitterde de booze vlam van zijn onwankelbaar besluit. Zoo gauw
als hij zijn tuchteloozen bengel zag, zou hij 't hem zeggen, hem
ongenadelijk bevelen op staanden voet zijn hatelijke kikkerjacht te
staken, en flink en eerlijk aan het werk te gaan, gelijk de anderen. Zóó
wilde hij 't, en zóó zou het zijn. Heel zijn lichaam beefde van toorn
bij de gedachte dat hij nog langer zulke buitensporigheden zou
verdragen.
Maar, voor de tweede maal, terwijl hij links omdraaide, ontwarend
eindelijk zijn hutje half verborgen onder boomenkruinen, waggelde hij
onder de vernielende sensatie van zijn onheilspellend voorgevoel.... Een
ongeluk was voorgevallen, hij voelde 't, hij voelde 't, in een
folterende samenkrimping van zijn heele wezen; zijn arm hutteken zag er
luguber uit, de zwarte loovermassa's van het park omhulden het in rouw,
de zware sombere wolken drukten het ten gronde; er waren bloed, tranen,
dood in zijn huisje!....
Hijgend, de oogen troebel en de slapen ruischend, de keel droog en de
beenen zoo flauw dat zij haast zijn lichaam niet meer konden dragen,
duwde hij het hekje open, kwam waggelend, halfdood van onberedeneerden
schrik, over den kleinen boomgaard, in zijn huisje.
Hij hield er een oogenblik stil op den drempel, zijn angstigen blik naar
binnen gericht, het lichaam stram-gespannen, als ter plaatse geketend,
onbekwaam een stap verder te gaan. Even vielen zijn oogen heel en al
dicht, en zijn hart hield op met kloppen. Toen zuchtte hij diep, als van
een overweldigende vracht ontlast, murmelde iets als een gesmoord "goên
avend," ging even, zich aan de muren vasthoudend, zijn scheerbekken en
zeep op 't kastje leggen, naast de ouderwetsche hangklok.
Er wás geen ongeluk, geen bloed, geen dood in zijn huisje: moeder en
zoontje zaten in het somber keukentje aan tafel, bezig met avondmalen.
* * * * *
Zij hadden even opgehouden met eten toen zij hem zagen binnenkomen, en
de moeder, ondanks de halve duisternis, de ontdane bleekheid zijner
gelaatstrekken bemerkend, vroeg hem, met bevende stem:
- Woa schilt er dan? Woa hètte, voader? Zijde ziek?"
- Nie nien ek," antwoordde hij, met inspanning om zijne stem gewoon te
doen klinken; "'t en es niets, anders nie of de woarmte."
Hij zei de waarheid. Er was niets meer in hem van de verschrikkelijke
emotie. Schrik, angst, toorn, alles was plotseling als een pak van zijn
hart gevallen en verdwenen, veranderd in een sensatie van
onuitsprekelijke zachtheid en bevrijding, bij die tastbare ongegrondheid
van zijn akelig voorgevoel. Hij beefde en hijgde nog slechts
werktuigelijk onder de gevolgen van den vreeselijken schok, den adem
stokkend in krampachtig hikken.
Hij was naast de anderen aan tafel gaan zitten, hij schepte, als zij,
met een groffen houten lepel, uit de gemeenschappelijke papkom,
zenuwachtig dikkend, met een trillend geslurp der lippen. Maar hij kon
niet eten, hij voelde zich nog te vol van gedachten, gewaarwordingen,
ontroeringen. Het was in hem een overstelping van gevoelens die hij niet
weerhouden kòn, die hij moèst uitdrukken. En eensklaps, terwijl hij zijn
lepel neerlegde, kwamen de woorden als van zelf over zijn lippen: hij
boog naar zijn jongen, en, onweerstaanbaar, in plaats der geduchte
berisping die hij besloten had hem toe te dienen, sprak hij tot hem,
vroeg hij hem, met een streeling van oneindige teederheid in de stem en
in de oogen:
- Eiwel, keirelke, hêt ou goed geameseerd, vandoage? Hêtte veel....
veel biestjes gevangen? En goade morge weer beginnen?
De knaap, aardig bruin kopje, met dicht geplante, borstelige zwarte
haren, schrikte eventjes op, in een korte trilling van zijn handje dat
den lepel hield, en wierp een angstig-gluipenden blik naar zijn vader.
Hij schudde zijn hoofd zonder 't eten te staken, hij antwoordde
aarzelend, ontwijkend, de oogen op de papteil, een weinig bleek wordend
onder zijn bruingebrande huid:
- Nien ek, 'k hê der genoeg van. 'K en wille giene mier vangen.
Er was een korte stilte. Verwonderd staarde de vader zijn zoontje in de
vallende duisternis aan. Stilzwijgend bleef de moeder voort eten, als
stelde zij geen belang in 't gesprek.
- Woarom? vroeg eindelijk de vader.
De groffe houten lepel beefde sterker in het klein bruin handje; de
oogjes, halsstarrig op de papschotel gevestigd, begonnen vreemd te
pinken; het mondje, dat de pap niet goed meer slikken kon, kromp als
gepijnigd samen, verradend machtelooze pogingen tot het opkroppen eener
sterke emotie. En plotseling viel de lepel op de tafel, en 't knaapje
barstte uit in overstelpende tranen, heel zijn lichaampje sidderend van
angst en schrik, met onduidelijk woordengestotter.
Op haar beurt had de moeder het eten gestaakt, verwilderd starend naar
haar man, met smeekende pogen vol tranen.
Hij, doodsbleek, was plotseling opgestaan, in eens weer overweldigd door
zijn onheilspellend voorgevoel, door zijn angst, door zijn schrik, door
zijn toorn, door alles wat in hem den ganschen middag had gewoed; thans
eischend, met een dringende, sidderende, gebiedende stem, bepaalde
uitleggingen. 't Was of hij eensklaps gek werd, hij vermenigvuldigde
zijn vragen zonder te wachten op de antwoorden, hij schudde ruw het
knaapje, dat hoe langer hoe heviger huilde, hij staarde, niet van angst
wijd-uitgezette oogen, door de lage, kleingeruite vensterramen, naar den
hemel die als inkt werd, soms van elkaar gescheurd door ratelende
donderslagen, door flikkerende bliksemschichten, die heel het somber
keukentje luguber-blauw verlichtten. Wat was er dan gebeurd? Of wat zou
er gebeuren? Was de ramp, die hij over zijn huisje voelde, voorbij, of
moest ze nog neerstorten? Zou ze hen nu eerst, nu hij alles voorbij
waande, komen verpletteren!....
* * * * *
Toen ging de moeder, ondanks haar overweldigende ontsteltenis, eindelijk
aan 't spreken.
Zij sprak gehort en vlug, met een hijgende, sissende stem, 't verwrongen
aangezicht beurtelings lijkbleek onder de flikkering der weerlichten, of
wegsmeltend in schaduw onder 't duistere der laag-gebalkte keuken, het
lijf, bij elken donderslag, van schrik en foltering ineengekrompen....
* * * * *
Het was gebeurd, omstreeks vier ure, twee uren na 't vertrek van vader.
Zij was in 't stalletje, bezig met het zwijnshok schoon te maken, toen
zij plotseling een schrillen noodkreet had gehoord. Zij was gevlogen,
recht naar het groot, somber park van het kasteel, van waar de kreten
kwamen. En dáár, midden in het zwarte water van de sloot die om de haag
is, had zij, in een spattend opborrelen, twee wanhopig uitgestrekte
armpjes gezien, met een verwrongen gezichtje, dat, voor 't laatst weer
boven komend, in een laatsten worg-kreet, uit mond en neusgaten, stralen
vuil water spuwde.... Zij zelve was met een wilden gil in de sloot
gesprongen, had er, met bovenmenschelijke kracht, haar jongen
vastgegrepen, en hem weer op den oever gebracht. En juist toen hij er
uit was, was een kikker, een groote groene kikker op zijn hoofd
gesprongen, die daar een oogenblik was blijven zitten, ineengedrongen,
met toornige oogen en gezwollen kop. O! het was afgrijselijk! Zij had
hem met geweld moeten wegjagen, wegjagen!....
De arme vader luisterde, voelend, met een folterende scherpte, het
onverjaagbaar tafereel, de akelige kikkerslachting nog eens in zijn
geest verrijzen. Hij sprak geen woord meer, hij keek halsstarrig, met
zijn verwilderde oogen, in den verblindenden gloed der weerlichten, naar
zijn zoontje, die aldoor aanhoudend en eentonig huilde, alsof hij, in
dien schrikkelijken schok, in eens de gansche smart zijns levens
uitstortte. En ook de moeder huilde bittere tranen, het hoofd verzonken
tusschen hare handen, van tijd tot tijd hare smeekende oogen oprichtend
tot den vlammenden hemel, waaruit thans ook het water viel in stroomen,
smorend, onder zijn eentonig ruischen, het langzaam aftrekkend gebulder
van de donderslagen....
Toen voelde en begreep eensklaps de vader dat onafhankelijk en onbewust
wreedaardig hartje, welks uitingen hij tot dus ver, voortdurend
afgekeurd en betreurd had. Hij begreep dat het kind zich wanhopig maakte
om zijn, door een fatalen schrik vernielde, onafhankelijkheid, veel meer
nog dan het leed onder dien schrik zelf. In haastige, vlugge
herinneringen, herleefde weer voor hem gansch zijn bestaan van slavernij
en zwoegen, voelde hij weer in zich opkomen, van ver en lang, o, van
zoolang geleden, 't troeblante smachten naar de wilde vrijheid eener
jeugd die hij nooit had gekend, 't almachtig en mysterieus verlangen
naar een leven zonder banden, naar nooit verwezenlijkte droomen, die
elke levensdag nog meer en meer van hem verwijderd had. En, in het
plotseling zóó duidelijk bewustzijn, dat de gebeurtenis van dien dag in
't leven van zijn dierbaar zoontje een beslissend tijdperk--het tijdperk
der Onafhankelijkheid--eindigde, en er een ander--dat van den
Plicht--opende, kwam er in hem een eindeloos gevoel van medelijden,
bij de vernieling van een zoo zoeten, teeren droom, bij die navrante
smart, bij dat wanhopig stilstaan voor de sombere toekomst. Heden,
evenals eertijds voor hem, begon voor 't onafhankelijk geboren kind,
't fatale leven van den Arme, het leven van zoo harden strijd en
ontberingen der Zwakken en der Nederigen. Hij zou nu naar de hoeve
weer terugkeeren, gelijk zijn broeders; hij zou er koewachter,
stalknecht, veldploeger, wie weet wat al niet, worden. Hij zou worden
als zijn vader, als zijn moeder, als allen van zijn stand: een
werktuig van gedwongen arbeid, een lastdier. Niets kon hem meer
redden: het was zijn lot, zijn onverbiddelijk Lot, dat heden was
begonnen....
In de donkere keuken had de moeder eindelijk het lampje aangestoken.
Buiten was het onweer over, men hoorde nog slechts, heel in de verre
verte, dof-rommelend dondergebulder. En alleen de regen bleef vallen,
eentonig, overvloedig, in loodrechte stralen, drenkend de verzengde
aarde, verfrisschend de herlevend-en-herademende loovers....
Hun tranen waren gedroogd, zij waren opnieuw aan tafel gaan zitten,
zwijgend en ter neergedrukt. Zij verzadigden weer hun honger, hun
knagenden honger van Armen.
En, voor de laatste maal, in een soort van hallucinatie, kwam het
halsstarrig vizioen, gezien aan 't bruggetje, zich aan vaders
weemoedvollen geest weer opdringen. Hij zag de naakte, schrale lichamen
der knapen, het omgewoeld en spattend water, den kikker spartelend aan
het touwtje. Hij zag den moordslag met den stok en hoorde de barbaarsche
vreugdekreten.... Toen bleekte de verschijning langzaam weg, in
triestig, dof verzwinden. De knapen kropen uit het water en kleedden
zich haastig weer aan; de kreten hielden op, en allen gingen heen. En de
barbier, in starre, onbewegelijke houding vóór de open brug, als vóór
het onbekende van een bangen droom, zag ze, onwetende boetedoeners van
onbewuste wreedheden, de een na de ander vertrekken, droevig-gebukt
verdwijnen in donkere stallen, zich aanspannen als beesten voor karren
en ploegen, wroeten en sjouwen met hun handen in den barren grond.
En, onder hen, met een wreede knelling van het hart, met een kramp van
bitterheid om de verwrongen lippen, herkende hij alle drie zijne zonen;
eerst de twee oudsten, aan den dwangarbeid reeds gewend en onderworpen,
en dan den jongste, den innigst geliefde, gebukt onder het Noodlot,
ontroostbaar om zijne verloren vrijheid....
En, in de ongepeilde diepten zijner ziel, voelde hij eensklaps,
gedurende een oogenblik, niet langer dan één enkel oogenblik, de
heldere, vlijmende intuïtie, dat dát de Groote Onbekende Ramp was, die
hij, den ganschen middag lang, zoo zwaar op zich had voelen drukken.