* * * * *
Plotseling gaat de deur weer open en nogmaals verschijnen de
vreemdelingen, thans tusschen twee gendarmen in uniform, met het geweer
over den schouder. Een lang gemurmel als van voldoening stijgt uit de
saamgeschoolde menigte, een woelend gedrang grijpt plaats. Allen willen
van nabij de twee gevangenen zien.
Met klinkenden stap leiden de gendarmen hen op. Doch zij houden ze bij
den kraag noch bij de armen vast, gelijk ze 't zouden doen met
gevaarlijke booswichten: zij leiden ze eenvoudig naast zich op, zeker
dat zij hun niet zullen ontsnappen.
Joelend, nu en meer luidruchtig en driftig, zich rechts en links
uitbreidend gelijk de vleugels van een klein leger, volgt de menigte.
Knapen loopen scherp-gillend den treurigen stoet vooruit, roepen, met
sprongen en gebaren, andere bengels bij zich. En plotseling stijgt een
woest en lang gegil op: de ruwe menigte, stom-opgehitst, jouwt, uit
louter instinct van wreedaardigheid, en zonder te weten wie ze zijn en
wat of ze misdaan hebben, de twee ellendigen uit.
Deze doen of ze 't niet hooren. Den moeden blik strak starend vóór zich
uit gevestigd, den rug gekromd, stappen zij vlugger door, als
uitsluitend met een te bereiken doel bekommerd. Het is werkelijk of ze
de woeste kreten en de hatend-schimpende gebaren noch hoorden, noch
zagen: halsstarrig blijft hun doffe blik strak vóór zich uit gevestigd,
halsstarrig stuwt hun afgematte gang hun evenwijdig-schuinhellende
lichaam voort naar het verwachtte doel. Het is of ze verdwaald liepen
onder die vijandige menigte, of ze gedompeld waren in een akelige
nachtmerrie. De zware knevel van den oudste doorstreept zijn hoekig,
bruingebrand gelaat als met een stugge lijn van onderworpenheid aan
alles; het bleek, ontvleesd gezicht van den jongere verliest haast alle
levensuitdrukking, alsof het zou versteenen in een beeld van smart en
wanhoop.
Zij stappen weêr over de houten ophaalbrug, die onder het
voetengetrappel davert. De jouwende menigte, door de engte der brug een
oogenblik achteraan gehouden, stroomt nogmaals naar voren, overvleugelt
opnieuw den stoet, vooruitgeloopen door de krielende jongensbende,
voortdurend nog versterkt door nieuwe toevloeiende groepen. En nu
weergalmt, door het gejouw heen, een kreet van haat, alom herhaald: "De
gevangenen zijn dieven, op heterdaad betrapte dieven, die de gendarmen
naar de dorpsgevangenis opbrengen!"
't Is inderdaad daarheen dat zich de stoet met rassche schreden wendt.
Dáár staat het, het laag, bouwvallig krot, het "kot", zooals de
dorpelingen 't noemen: vuilwit gekalkt, bezoedeld, met grauw leien dak,
naast het ingangshek van 't kerkhof, een tiental meters van het kerkje.
Men houdt er stil. Een der gendarmen, de brigadier, steekt een zware
sleutel in 't verroeste slot, opent de ruige deur, die in haar hengsels
knarst. Het hoofd buigend verdwijnen de ellendigen onder een laatste,
nog woester hoongejouw van 't volk, in het zwart-vochtig hok.
De deur is weer dicht, de joelende menigte gaat langzaam uiteen,
gestild, tevreden, nog lachend om haar dom vermaak. Enkel een bende
knapen blijven er nog even stoeien in het zand, met schrille kreten en
uitbundige sprongen.
* * * * *
Toen stijgt me als een walg van verachting en van afkeer in de keel. Ik
achterhaal de gendarmen die vertrekken, en, heel stil, heel triestig,
tot den brigadier, dien ik ken:
- Wie zijn toch die ellendigen en wat hebben ze misdaan?" vraag ik.
Op een toon vol onverschilligheid antwoordt hij:
- Het zijn twee arbeiders welke van Frankrijk komen en geen geld meer
hebben. Te vergeefs, zeggen zij, hebben zij overal naar werk uitgezien.
Nergens kon men hen gebruiken. Eindelijk, daar ze volstrekt geen
middelen van bestaan meer hadden, en letterlijk van honger stierven,
zijn ze zich komen gevangen geven. Zij zullen in de gevangenis verzorgd
worden, en morgen zal de kantonrechter een vonnis uitspreken, waarbij
zij, voor enkele maanden, in een der bedelaarsgestichten van het land
zullen opgesloten worden.... Maar dat kan ze niet schelen,.... daar is
geen eergevoel meer in zulk soort van menschen...."