1 Gendarmerie.

Ik heb te nauwernood hunne gelaatstrekken gezien. Het heeft mij enkel

toegeschenen of de oudste een energiek-droevig gezicht had, een hoekig

bruingebrand gezicht met donkere oogen en grijzenden knevel, en of er op

de houtmagere trekken en in de wijde blauwe oogen van den jongere een

uitdrukking van groote smart en wanhoop lag. Doch wat ik wèl gezien heb

is dat ze beiden doodmoe en uitgeput zijn.

Zij geraken schier niet meer voort. Hunne in flarden hangende kleeren,

hunne gebogene gestalten, hun weifelende gang getuigen van de lange,

lange reis, welke zij hebben afgelegd. Men voelt dat ze niet verder

zullen gaan, dat ze niet verder kunnen gaan. Indien er in dit dorp voor

hen geen stuk brood, geen rustplaats is, dan zullen ze vallen. Hier is

de grenspaal hunner krachten.

* * * * *

In de straat, op hun doortocht, gaan de deuren talrijker open, vertonen

zich meer en meer nieuwsgierige gezichten. Kleine groepjes vormen zich,

woorden, uitroepingen weergalmen; enkele knapen, reeds, ijlen hen na. Ik

zelf keer terug op mijn weg, en volg ze langzaam, meer en meer door mijn

zonderlinge ontroering aangegrepen.

Loom stappen zij over de houten brug, die in haar hengsels dreunt. Daar

komen zij vóór het gendarmerie-gebouw. Zij houden er stil, en de oudste

der twee heft een aarzelende hand op en schelt.

Eenige oogenblikken verloopen; toen wordt de deur geopend. Zij treden

binnen, hunne pet in de hand houdend.

* * * * *

En terwijl ze binnen de gendarmerie zijn, worden de groepen steeds

talrijker en luidruchtiger vóór de opnieuw gesloten deur. Na enkele

minuten is dáár de helft van het dorp samengeschoold. Allen hebben het

middagdutje of het werk gestaakt. Vrouwen snellen toe, met kleine

kinderen op den arm; knapen sluipen tusschen de beenen, gelijk honden.

En tegenstrijdige berichten weergalmen, breiden zich uit tot een soort

van rumoer: "'t Zijn scheuïers[1]!.... 't zijn voagebonden!.... 't Zijn

dieven!.... meurdenoars....!" Iets stelselmatig-vijandigs is in gisting,

een dom-boosaardige grijnslach zweeft op de gezichten; uit de

gemeenschappelijke ziel der ruwe menigte stijgt de instinctieve haat

voor den vreemdeling, de dierlijke drang kwaad te doen aan wien reeds

ongelukkig is.

Uit Vlaanderen · 第 20 / 40 题