DE GEVANGENEN.

Middag. Het dorpje, blakerend in zonnegloed, is als verlaten. De groene

vensterluiken van de lage witte huisjes zijn gesloten, de zonnestralen

wemelen op de roode daken. Er is slechts ééne straat, geplaveid met

groote grijsachtige keien; zij strekt zich uit in eene lange kromme

lijn, langs beide kanten uitloopend in 't groene veld. Links, boven de

daken, steekt het puntig kerktorentje uit: een weinig verder, in

't midden der straat, rijst een soort van galg op: de ophaalbrug ván

het kanaal, dat het dorp in tweeën scheidt.

* * * * *

Alleen in de stille en verlaten straat komen mij in 't verschiet twee

mannen te gemoet. Zij volgen, rechts, het schrale schaduwstreepje langs

de huizen. Zij komen langzaam, loom, de blikken rechts en links en in de

hoogte starend, of zij iets zochten. Op hun voorbijtocht gaan enkele

deuren half open, vertoonen zich, nieuwsgierig-loerend, enkele

gezichten.

Toen ze slechts een vijftal passen meer van mij verwijderd zijn,

schijnen zij even te aarzelen, blijven een oogenblik stilstaan, en, na

een korten groet, vraagt mij de oudste der twee, met een holle,

eenigszins vreemd klinkende stem:

- Meneere, es er hier geen sandurmerie[1] in 't durp?"

- Jawel."

- Woar, as 't ou belieft?"

- Daar ginds, over de brug, links, het gele huis met éen verdieping."

- Dank ou wel, meneere."

En voort gaan ze hun weg, terwijl ik me werktuigelijk, vreemd-ontroerd

omkeer, om ze na te kijken.

Uit Vlaanderen · 第 19 / 40 题