Hij was alleen sinds ongeveer een uur, en, in de kleine keuken, naast
het slaapvertrek, had moeder het licht aangestoken, terwijl de meisjes,
die, op den drempel, in de schemering, een luchtje geschept hadden, zich
weer aan 't kantwerkkussen zetten, toen het geluid van een neêrstortend
voorwerp in de kamer hen allen angstig 't hoofd deed omwenden.
Moeder nam de lamp, duwde de deur open en trad binnen, door haar
dochtertjes gevolgd. Zij bleven alle drie onthutst in 't midden van het
plekje stilstaan, ontsteld, verschrikt door 't schouwspel, dat er hare
oogen trof.
Vader, half op de linkerzij gekeerd, staarde haar met strakke,
verwilderde oogen aan. Zijn wangen, boven de juksbeenderen, waren
kersrood; zijn lippen, die beefden, stotterden onduidelijke klanken uit.
Hij maakte plotseling een beweging, als om uit 't bed te springen, maar
viel terstond weêr neêr. Naast het ledikant lag, de pooten omhoog, een
stoel, dien hij, in zijn wilde gebaren, omvergeworpen had.
Angstig vlogen de vrouwen naar hem toe, vragend wat hem scheelde.
Maar blijkbaar was 't dat hij haar niet begreep, dat hij haar niet
herkende. Snikkend vatte zijn vrouw hem bij de hand. Die hand was
brandend. Wanhopig smeekend poogde zij hem te doen stilhouden. Lisatje
zette den omvergevallen stoel weêr recht.
Doch vader, door een brusken ruk, trok zijne hand uit die van moeder,
gooide zich op zijn rechterzij, den rug tot haar gekeerd, 't ontvleesde
lichaam half ontbloot door die onstuimige beweging. En hij sprak nu met
luider stem, hij uitte, vlug, op gebiedenden toon, vreemde,
onsamenhangende zinnen:
- Asa, komoan, de meulen droait; woar zijn de bieten? woar blijft ge mee
de bieten?"
Hij woelde in zijn bed, hij opende, zoo wijd hij kon, de armen, ze met
een vlugge, herhaalde beweging weer tot zich trekkend, als scharrelde
hij om zich heen verspreide voorwerpen samen. Zijn adem hijgde,
zweetstralen liepen langs zijn blakende wangen, terwijl hij, met een
booze, schorre stem herhaalde:
- Moar breng ze dan, verduuveld! breng ze, luioards! heurt ge de meulen
dan nie ronken!"
Zijn oogen puilden uit, zijn wangen waren opgeblazen, bij bootste
't geluid van den hakmolen na, begeleid door het gegons der stoommachien,
der "horzel."
En plotseling bleven zijn uitgestrekte armen krampachtig gespannen,
terwijl hij nog vervaarlijker hijgde, alsof hij, uit al zijn macht, een
reusachtigen stapel naar zich wou trekken.
- Ah! eindelijk, eindelijk, eindelijk!" zuchtte hij, met een geknor van
genoegen, het aangezicht van krachtsinspanning scheef gewrongen.
De rampzalige vrouwen, begrijpend dat hij ijlde, wendden steeds vuriger
pogingen aan om hem te doen bedaren. Moeder bedekte onvermoeid zijn
lichaam met sargïen[1] die hij onophoudend van zich afwierp, Lisatje
droogde hem 't gelaat af met haar zakdoek, Emerance hield zijn beenen
vast om hem te doen stilhouden. En alle drie hielden niet op te zuchten,
te huilen, hem met hartscheurende woorden smeekend haar toch aan te
hooren, haar toch te gehoorzamen.