Wanneer een lastdier ziek wordt, blijft het voortloopen en zwoegen tot
de uiterste uitputting zijner krachten. Als het zich legt, is 't om te
sterven.
Vader had zich gelegd....
Roerloos op den rug gestrekt, het aangezicht grauwbleek en de borst
hijgend, lag hij verzonken in het laag en breede bed, de doffe oogen
strak gevestigd op de zwarte balken van de lage zoldering. Zijn vrouw en
zijn meisjes, de oogen roodgeweend, omringden, verzorgden hem. Frans was
den geneesheer gaan halen.
Hij kwam, 't was nog een jonge man, kloek en forsch van gestalte, barsch
en brusk van manieren, baardeloos, met een gouden lorgnet op den neus.
Hij examineerde den zieke, ondervroeg hem op een ruwen, misnoegden toon,
haast als een onderzoeksrechter die een booswicht ondervraagt. En toen
de weenende moeder hem vroeg wat vader toch had, gaf hij een vaag,
ontwijkend antwoord, en haalde hij de schouders op als bij een afgedane
zaak, zeggend dat het een kwaal was, waarvan hij reeds sinds lang de
kiem in zich droeg. Hij beval dat men den zieke bouillon, wijn en eieren
zou geven, alsook, om de twee uren, een lepel van een fleschje medicijn,
dat men bij hem aan huis moest komen halen. Alvorens te vertrekken,
vroeg hij, aan de vrouw, of zij als behoeftigen op het
weldadigheidsbureel ingeschreven waren; en, op haar bevestigend antwoord
verliet hij de kamer, binnensmonds enkele onverstaanbare woorden
pruttelend. Op den drempel keerde hij zich echter nog eens om, om te
berichten, dat hij 's anderendaags terug zou komen. En hij verdween,
hoekig en zwaar, zijn reuzengestalte onder den lagen boog der ingangdeur
buigend.
* * * * *
Eenige dagen verliepen: vader beterde een weinig. Hij kreeg bij
tusschenpoozen weêr zijn droge, holle hoestbuien; hij gebruikte soms een
kopje bouillon of een ei; hij dronk een glaasje wijn. En zijn
geesteskrachten waren bijgekomen; elken avond, als Miel thuis kwam van
de fabriek, ondervroeg hij hem over zijn werk, wilde hij weten of de
meester steeds tevreden was over hem. Toen zonk hij weg in een soort van
prostratie, de bleeke, treurige oogen op een der oude, donkere balken
van de lage zoldering gevestigd.
Uren lang, hijgend en sprakeloos, bleef hij er soms op staren. Hij
scheen er de schim te volgen van een droom, waarvan de weerschijn
zweefde op zijn grauwgeel, uitgemergeld aangezicht van martelaar des
arbeids. Het was als zag hij daar vreemde, dieptreurige dingen; als
woonde hij daar tooneelen bij vol lijden en melancholie, die zijn
angstig verwrongen gelaatstrekken soms met een uitdrukking van
eindelooze triestigheid bedekten. Toen kwam er als een zweem van
zelfopoffering en onderwerping aan het Noodlot over zijn gezicht; en
't was alsof al 't overweldigende van 's levens ellende eensklaps in
hem, met de laatste illuzie, den laatsten wrok, het laatste gevoel
van verbittering had gedood.
Elken avond kwam de dokter weêr. Hij was ruw maar niet onmenschelijk;
hij scheen gewoon onverschillig en hij uitte zich steeds niet beslissend
over den aard der ziekte; zijn verklaringen op de angstige vragen van
moeder en dochters bleven voortdurend vaag en ontwijkend.
Een zaterdagmorgen nochtans voelde vader zich bepaald veel beter. Zijn
blik, minder angstwekkend strak, had een levendiger glans, hij hoestte
zoo veel niet meer, zijn ademhaling was minder gejaagd, zijn bleeke
gelaatstrekken waren als ontspannen.
't Was voor zijn huisgezin gelijk een zonnestraal na eindelooze
onweersdagen. Zijn vrouw, door den afschuw van het elk oogenblik
verwacht noodlottig einde gedemoraliseerd, kreeg weer haar
strakgespannen, angstig-norsche houding van hard beproefde, beurtelings
van hoop en wanhoop sidderende slaaf; de meisjes hadden zich weer
koortsig aan den arbeid gezet; en Missiaen zelf waande zich haast
genezen: hij sprak van reeds den volgenden maandag morgen op zijn werk
terug te zijn; hij durfde zelfs, in een plotselinge opwelling van
geestdrift, van zijn ideaal, zijn levensdroom gewagen, dien zoeten,
lieven droom, voor hem de samenvatting van alle geluk, het zwijntje, de
kwellende, onverjaagbare, verleidende illuzie, welks vernieling hij
helaas! had meenen bij te wonen, gisteren nog, in de prostratie van zijn
strakken, wanhopig-machteloos op den zwarten balk der lage zoldering
gevestigden blik. Ja, hij durfde beweren, verzekeren, dat de opschorsing
van drie weken arbeidsloon, en de onkosten, door zijn ziekte
veroorzaakt, een herstelbaar verlies waren, en dat alle hoop nog niet
verdwenen was, met Kerstdag aanstaande, op het feest van Lauwegem, het
zwijntje te gaan koopen.
Zijn toestand beterde zoo voort, den ganschen dag. Zijn eten smaakte
hem, hij dronk tot drie glazen wijn en twee kopjes bouillon. Zijn oogen
kregen een steeds levendiger glans en zijn wangen kleurden zich met
lichte rozentinten, die aan zijn vrouw en kinderen uitroepingen van
verwondering en vreugd ontrukten. Hij praatte veel, hij was gansch
opgewekt, zijn vrouw moest hem herhaaldelijk tot kalmte en geduld
vermanen. Men eindigde met hem alleen te laten, om hem niet te zeer te
vermoeien.