VII.

Wanneer een lastdier ziek wordt, blijft het voortloopen en zwoegen tot

de uiterste uitputting zijner krachten. Als het zich legt, is 't om te

sterven.

Vader had zich gelegd....

Roerloos op den rug gestrekt, het aangezicht grauwbleek en de borst

hijgend, lag hij verzonken in het laag en breede bed, de doffe oogen

strak gevestigd op de zwarte balken van de lage zoldering. Zijn vrouw en

zijn meisjes, de oogen roodgeweend, omringden, verzorgden hem. Frans was

den geneesheer gaan halen.

Hij kwam, 't was nog een jonge man, kloek en forsch van gestalte, barsch

en brusk van manieren, baardeloos, met een gouden lorgnet op den neus.

Hij examineerde den zieke, ondervroeg hem op een ruwen, misnoegden toon,

haast als een onderzoeksrechter die een booswicht ondervraagt. En toen

de weenende moeder hem vroeg wat vader toch had, gaf hij een vaag,

ontwijkend antwoord, en haalde hij de schouders op als bij een afgedane

zaak, zeggend dat het een kwaal was, waarvan hij reeds sinds lang de

kiem in zich droeg. Hij beval dat men den zieke bouillon, wijn en eieren

zou geven, alsook, om de twee uren, een lepel van een fleschje medicijn,

dat men bij hem aan huis moest komen halen. Alvorens te vertrekken,

vroeg hij, aan de vrouw, of zij als behoeftigen op het

weldadigheidsbureel ingeschreven waren; en, op haar bevestigend antwoord

verliet hij de kamer, binnensmonds enkele onverstaanbare woorden

pruttelend. Op den drempel keerde hij zich echter nog eens om, om te

berichten, dat hij 's anderendaags terug zou komen. En hij verdween,

hoekig en zwaar, zijn reuzengestalte onder den lagen boog der ingangdeur

buigend.

* * * * *

Eenige dagen verliepen: vader beterde een weinig. Hij kreeg bij

tusschenpoozen weêr zijn droge, holle hoestbuien; hij gebruikte soms een

kopje bouillon of een ei; hij dronk een glaasje wijn. En zijn

geesteskrachten waren bijgekomen; elken avond, als Miel thuis kwam van

de fabriek, ondervroeg hij hem over zijn werk, wilde hij weten of de

meester steeds tevreden was over hem. Toen zonk hij weg in een soort van

prostratie, de bleeke, treurige oogen op een der oude, donkere balken

van de lage zoldering gevestigd.

Uren lang, hijgend en sprakeloos, bleef hij er soms op staren. Hij

scheen er de schim te volgen van een droom, waarvan de weerschijn

zweefde op zijn grauwgeel, uitgemergeld aangezicht van martelaar des

arbeids. Het was als zag hij daar vreemde, dieptreurige dingen; als

woonde hij daar tooneelen bij vol lijden en melancholie, die zijn

angstig verwrongen gelaatstrekken soms met een uitdrukking van

eindelooze triestigheid bedekten. Toen kwam er als een zweem van

zelfopoffering en onderwerping aan het Noodlot over zijn gezicht; en

't was alsof al 't overweldigende van 's levens ellende eensklaps in

hem, met de laatste illuzie, den laatsten wrok, het laatste gevoel

van verbittering had gedood.

Elken avond kwam de dokter weêr. Hij was ruw maar niet onmenschelijk;

hij scheen gewoon onverschillig en hij uitte zich steeds niet beslissend

over den aard der ziekte; zijn verklaringen op de angstige vragen van

moeder en dochters bleven voortdurend vaag en ontwijkend.

Een zaterdagmorgen nochtans voelde vader zich bepaald veel beter. Zijn

blik, minder angstwekkend strak, had een levendiger glans, hij hoestte

zoo veel niet meer, zijn ademhaling was minder gejaagd, zijn bleeke

gelaatstrekken waren als ontspannen.

't Was voor zijn huisgezin gelijk een zonnestraal na eindelooze

onweersdagen. Zijn vrouw, door den afschuw van het elk oogenblik

verwacht noodlottig einde gedemoraliseerd, kreeg weer haar

strakgespannen, angstig-norsche houding van hard beproefde, beurtelings

van hoop en wanhoop sidderende slaaf; de meisjes hadden zich weer

koortsig aan den arbeid gezet; en Missiaen zelf waande zich haast

genezen: hij sprak van reeds den volgenden maandag morgen op zijn werk

terug te zijn; hij durfde zelfs, in een plotselinge opwelling van

geestdrift, van zijn ideaal, zijn levensdroom gewagen, dien zoeten,

lieven droom, voor hem de samenvatting van alle geluk, het zwijntje, de

kwellende, onverjaagbare, verleidende illuzie, welks vernieling hij

helaas! had meenen bij te wonen, gisteren nog, in de prostratie van zijn

strakken, wanhopig-machteloos op den zwarten balk der lage zoldering

gevestigden blik. Ja, hij durfde beweren, verzekeren, dat de opschorsing

van drie weken arbeidsloon, en de onkosten, door zijn ziekte

veroorzaakt, een herstelbaar verlies waren, en dat alle hoop nog niet

verdwenen was, met Kerstdag aanstaande, op het feest van Lauwegem, het

zwijntje te gaan koopen.

Zijn toestand beterde zoo voort, den ganschen dag. Zijn eten smaakte

hem, hij dronk tot drie glazen wijn en twee kopjes bouillon. Zijn oogen

kregen een steeds levendiger glans en zijn wangen kleurden zich met

lichte rozentinten, die aan zijn vrouw en kinderen uitroepingen van

verwondering en vreugd ontrukten. Hij praatte veel, hij was gansch

opgewekt, zijn vrouw moest hem herhaaldelijk tot kalmte en geduld

vermanen. Men eindigde met hem alleen te laten, om hem niet te zeer te

vermoeien.

Uit Vlaanderen · 第 12 / 40 题