Maar vader, die zich opnieuw tot haar had omgekeerd, was nu aan een
andere hallucinatie ter prooi. Hij was op de droogplaats, hij keerde de
beeten om. De beide handen krampachtig rond den steel eener ingebeelde
schop geklemd, de schouders door de krachtsinspanning opgetrokken, de
oogen uit hun holten, den wijd gapenden mond als een orkaan zijn
benauwden adem uitstootend, was hij aan den arbeid. Het zweet stroomde
steeds overvloediger langs zijn wangen, zijn keel maakte een rochelend,
reutelend geluid, hij greep voortdurend naar de deken om er den steel
van zijn schop mee te omwinden; en nu en dan liet hij plots alles los:
hij rekte woest den hals uit, opende den mond nog wijder, slurpte, met
een geklok van verlossing, een lange teug versche lucht in. En dadelijk
weer hernam hij zijn verschrikkelijk zwoegen.
De drie huilende vrouwen waren niet langer in staat hem te beheerschen.
Nu wilde hij volstrekt uit zijn bed; hij moest beneden, in den kuil, de
vuren oppoken. En hij spartelde geweldig, hij beleedigde ingebeelde
vijanden, die hem beletten zijn arbeid te verrichten, die samenspanden
om hem uit de fabriek te doen wegzenden. Hij zag ze overal, die
vijanden; zij hielden hem vast bij de armen, bij de beenen; zij drukten
uit al hun macht op zijn borst; zij overweldigden, vernielden hem onder
hun getal en hun woede.
En eensklaps, uitgeput en overwonnen, voelde hij zich sidderen. Zijn
vijanden hadden hem losgelaten en hij bevond zich alleen in den kuil,
waar al de vuren waren uitgedoofd. Er was geen mensch meer om hem heen;
alles was somber en ijskoud. Die koude viel hem als een looden mantel op
de schouders, en, als een weerlooze massa, stortte hij op een stapel
klamme lompen neer.
Hij had de kracht niet meer om op te staan, om zich nog te bewegen. Hij
barstte los in heete tranen. Hij begreep nu waarom zijn vijanden hem
aangerand en verpletterd hadden: het waren boosaardige nijdigaards, die
het niet konden uitstaan dat hij geld won, omdat zij wisten dat hij, met
dit geld een zwijntje zou koopen, en dat een zwijntje zijn geluk, zijn
rijkdom, de droom van gansch zijn leven was.
* * * * *
Van lieverlede was de arme lijder stil geworden. Hij lag nu weder op den
rug en sprak niet meer, de oogen dicht, het aangezicht spoedig
verbleekend, heel het lichaam koortsig schuddend onder de grauwe deken.
Zijn ademhaling was zeer kort en zwak geworden, en de onbewegelijkheid,
die hem de factice kracht der gejaagdheid had ontnomen, smolt tot niets
dat uitgemergeld lichaam van den afgebeulden, in zijn laag en breede
ledikant verzonken zwoeger.
De vrouwen, om de sponde geschaard, schreiden steeds bittere tranen, den
wanhopigen blik op hem gevestigd. En daar Frans juist binnenkwam, zond
moeder, bewust dat alle hoop verloren was, hem nog eens den geneesheer,
en meteen den pastoor halen.
Miel, die van zijn werk terugkeerde, en de twee kleintjes, die in een
burenhuis gespeeld hadden, kwamen nu ook binnen. En allen, beseffend dat
het laatste uur gekomen was, bleven in het klein en laag gebalkte
slaapvertrekje staan, het in tranen badend aangezicht gericht naar
vader.
Hij had de oogen weêr geopend. Hij zag hen allen rond zijn sponde staan,
en keek ze om de beurt lang en diep aan, als om hun trekken
onuitwischbaar in zijn geest te prenten, terwijl een uitdrukking, van
eindelooze treurnis van lieverlede zijn eigen gelaat bedekte. Toen sloot
hij weer de ogen, en twee groote, stille tranen rolden langzaam over
zijn holle, grijsgrauwe wangen.
De vrouw en de kinderen, krampachtig aan de sponde vastgeklemd, barstten
in een luider snikken los.
Hun wanhoop scheen hem even uit zijn bedwelmenden staat te trekken. Hij
opende nogmaals de dogen, bleeke, als het ware benevelde oogen, die
reeds de dingen van de wereld niet meer schenen te herkennen, en
vestigde ze langzaam omhoog, op den zwarten balk der lage zoldering,
waar zij zoo dikwijls, door een sluier van navrante triestigheid
verduisterd, de vernieling van zijn zoeten levensdroom hadden schijnen
bij te wonen. Hij stak de linkerhand uit, als om een steun te zoeken,
en, traag het hoofd schuddend, met een gebaar van uiterste gelatenheid
en weemoed, murmelde hij in een langen, doffen zucht:
- O, wa veur 'n leven!...... wa veur 'n leven!...... wa veur 'n leven!"
Gansch zijn verleden van arm, uitgehongerd, afgebeuld en uitgebuit
lastdier; het bewustzijn van geheel zijn monstrueus bestaan van
martelaar des arbeids, van sociale dupe, scheen hem, in het afgrijzen
van den doodsstrijd, eensklaps, als een vernielende ontsluiering, uit
het hart op de lippen te wellen. Hij staarde steeds halsstarrig naar den
zwarten balk der zoldering; hij woonde daar, met den geest,
afschuwelijke tafereelen bij; zijn oogen stonden weer wijd uitgezet van
afkeer en van schrik; het gruwelijke van zijn uiterste gevoelens, van
die odieuse maatschappelijke euveldaad, waarvan hij nu 't bewust
slachtoffer was, scheen in hem, voor een oogenblik, de reeds uitgedoofde
levenskrachten te vernieuwen.
Hij maakte een tweede, dringender gebaar met de hand; hij wendde
plotseling den starenden blik van den balk af; hij vestigde hem op zijn
vrouw. En een uitdrukking van onbeschrijfelijke teederheid en medelijden
bezielde zijn gelaat.
Zij snelde toe, als aangetrokken; zij greep onstuimig zijne hand, hield
er haar lippen op gedrukt, onbekwaam een woord te spreken.
- O vrouw.... oarme..., broave.... eerlijke vrouw," zuchtte hij.
Toen kwamen ook al zijn kinderen om hem heen gedrongen, om nog een
laatste maal zijn hand te drukken en te kussen. En naarmate zij tot hem
kwamen, staarde hij ze met een blik van streelende, eindelooze liefde
aan, en sprak hij tot hen. Hij staarde ze aan en zijn geest, die de
profetische helderheid der stervenden bezat, ontdekte in hen de krachten
of de bekoorlijkheden die hun een waarde gaven; een waarde, waarop het
onverzadelijk monster, de Maatschappij, met ruw geweld beslag zou
leggen; die het hun zou ontrooven, die het hun uit het lijf zou zuigen,
gelijk de bloeddorstige tijger het leven uit de aderen zijner
slachtoffers zuigt.
- O jongens.... oarme.... gezonde.... kloeke jongens," klaagde hij met
een brekende stem, een laatste maal de hand van zijne zonen drukkend.
En toen zijn meisjes naderden, bukte hij 't hoofd, als dekte 't rood der
schaamte eensklaps zijne wangen.
- Oarme, scheune.... schuldeleuze meiskes," zuchtte hij bevend... en
plotseling sprongen opnieuw de tranen uit zijn oogen.
Dit waren zijne laatste woorden. Hij was weer neêrgezonken, roerloos,
uitgeput, den meer en meer vagen, wegbleekenden blik halsstarrig weder
op den balk der zoldering gevestigd. En zijn gelaat scheen zich allengs
te versomberen, gansch grauw te worden, met een uitdrukking van hooge
verontwaardiging en toorn voor al de gruwelen, die zijn geest daar
bijwoonde. Hij hijgde nog tenauwernood en zijn uitgemergeld lichaam
scheen nog dieper in het lage, grauwe bed verzonken.
Zijn vrouw, een oogenblik verdwenen, was weer in de kamer gekomen, met
een brandende waskaars in de hand. Zij naderde het bed, knielde neêr,
stak den stervende de waskaars in de hand.
Maar reeds had hij de kracht niet meer die vast te houden; hij sloot
zelfs zijn vingers niet meer en zij bleef naast de sponde neêrgeknield,
zelve hem de kaars in de hand houdend, het snikkend aangezicht in haar
voorschoot verborgen.
En, in de plechtige stilte van die laatste oogenblikken, hoorde men
niets anders meer dan het steeds akeliger huilen en snikken der vrouw en
der kinderen.
Hun wanhoop kende geene palen; zij schreiden al luider en luider; zij
klemden zich aan het bed, zij kropen op hun knieën het hoofd krampachtig
achteruitgeslagen, de saamgevouwen handen naar hun vader uitgestrekt,
hem in hartbrekende tonen smeekend toch niet heen te gaan, hen toch niet
te verlaten. Er waren er wier noodgeschrei 't gehuil van een geworgd
beest herinnerde; er waren er wier wanhoop soms geleek op schaterlachen,
in 't paroxysme van de vreugd. En 't was iets vreeselijks, die schijn
van uitgelaten, schetterende vreugd, dáár, bij het sterfbed van dien
vader.
* * * * *
Hij roerloos, stom, gevoelloos, zag noch hoorde iets meer. Zijn doode
blik bleef halsstarrig op den zwarten balk der zoldering gespijkerd;
zijn aangezicht, meer en meer uitgewischt en grauw, was als
't versteend, wraakroepend zinnebeeld van al de gruwelen en
onrechtvaardigheden van het Noodlot. Hij ademde steeds flauwer en
flauwer, en telkenmale als zijn adem in zijn keel kwam, had hij meer en
meer moeite om er door te dringen. Eindelijk kwam er een opschorsing.
Iets scheen van uit de borst tot in de keel te stijgen en daar te
blijven haperen. Terzelfdertijd kreeg zijn hand, die de waskaars
vasthield, als een lichten schok, en zijne steeds starend op den balk
gevestigde oogen werden als van glas............
Alles was volbracht, er was een martelaar minder op de wereld.