Daar was de ruwe arbeid nu begonnen. Elken morgen om half zes, na een
kop zwarte koffie, door moeder klaar gemaakt, verlieten vader en zoon
hun hutje, het blikken keteltje en het grauw linnen zakje, waarin hun
ontbijt stak, aan de hand.
Zij doorkruisten het duister, nog ingesluimerd dorp, hun klompstap
galmend, hol en luid, in de eenzame straat. Zij ontmoetten, onder haar
zwarte kapmantels verborgen, enkele vrouwen, die reeds van de kerk
terugkwamen; zij hoorden, vóór en achter zich, het geluid van andere,
hol klinkende klompstappen, die, in den grauwen, huiverigen morgen, in
dezelfde richting, naar hetzelfde doel gingen.
De fabriek,--een lage hoop gebouwen met spitse daken,--stond een weinig
zijdelings der straat, gansch aan het uiteinde van 't dorp. Zij traden
binnen door een reusachtige wagenpoort, hoog als den ingang eener
kathedraal; zij verdwenen onder een somber, hoog en breed afdak,
volwagens en kisten. Zij stapten er dwars door, volgden, links, een
lange reeks ouderwetsche, ongelijke gebouwen, openden eindelijk een
deur. En terstond woei hun een walm dampige hitte in 't gezicht.
Zij bevonden zich daar in een lange, sombere, door een enkele hanglamp
slecht verlichte plaats, die, van aan den vloer tot aan de zwartgerookte
balken van het spitse dak éen enkel ruim uitmakend, op het binnenste van
een groot ledig schip leek. Midden in die plaats stond een soort breede,
vierkante tafel, met twee vierkante, zwarte holen er in. Het was de
hakmolen. Aan de grauwe wanden hingen assen, consolen, raderen en
riemen, die, in de loensche klaarte van de hanglamp, de akelige plaats
deden gelijken op een moordkuil vol met foltertuigen. Die foltertuigen
waren de mechanieken, welke den hakmolen in beweging brachten. In een
hoek lag een groote, grauwachtige hoop, die aan een brandstapel geleek.
Die stapel was een voorraad beeten.
De walm dampige hitte, die de binnentredende werklieden bij de
keelgreep, kwam uit een soort langen, diepen kuil, dien men ontwaarde,
rechts, onder den grond. De mannen daalden er éen voor éen langs een
steilen, steenen trap in neêr, zich met de hand aan een touwvasthoudend.
In dien kuil brandden, op twee rijen, twaalf opene ovens opgepropt met
cokes. Boven de vuren ontvouwden zich de steenen ovens in den vorm van
reusachtige trechters, wier bogen omhoog met elkander vereenigd, inden
kuil één lange middenallée, en, tusschen iederen oven, een soortzijbeuk
vormden.
Deze dag en nacht brandende ovens, met hun voortdurend laaiende, gapende
muilen, verhitten den kuil op een verschrikkelijke wijze. De arbeiders
liepen haastig door de middenallée, de handen en 't gelaat in hun
voorbijtocht der vuren door de vlam haast gezengd, en drongen in de
zijbeuken, tegen de stapels cokes. Daar hingen zij, aan een ijzeren
roede, hun blikken keteltje en hun zakje met brood, en vonden er de
dunne arbeidskleêren,--de zwemkleêren, zooals zij die noemden--welke zij
er den vorigen avond hadden te drogen gehangen. Na enkele oogenblikken
waren zij uitgekleed en hadden op hun bloote lichaam, de grauw-linnen
broek en het kort blauw kieltje aangetrokken. Dan vatten zij hun breede
ijzeren schop met langen steel, en weêr klommen zij naar boven.
In den rechterwand van het "snijkot," zooals zij de akelige plaats
noemden waarin de hakmolen stond, ontwaarde men, omtrent een meter hoog
boven den grond, een dubbele gesloten deur en twee toegeblinde
zoldervensters, waaruit, langs de randen en door de spleetjes, met een
fijn gesis van stoom, dunne, doorschijnend-grijze streepjes rook
barstten. De voorman klom op het trapje van vijf treden dat naar die
deur leidde, en, met een brusken ruk, trok hij de beide vleugels open.
Een dichte dampwolk brak er uit, geheel het "snijkot" in een lauwen
nevel hullend; en éen voor éen, de schop op den schouder, verdwenen de
halfnaakte arbeiders, langs het trapje, in het gapend, dampend hol.
Het was de drooghaard. Een uitgestrekte, langwerpig-vierkante plaats
boven de ovens, waar de des vorigen daags gehakte beeten op doorzichtige
tegels lagen te drogen.
De voorman droeg een brandende lantaarn aan de hand. Haastig hing Hij
die aan een spijker in een balk, terwijl de andere arbeiders, in alle
vier de wanden, alle deuren en luchtgaten openden, zoo wijd zij konden.
En onmiddellijk begon de arbeid.
De werklieden, met hun achten, stonden gerangschikt op korten afstand
van elkaar, op ééne rij, in de richting van de lengte der droogplaats.
Dooreen krachtigen duw der beide handen drukten zij hun breede schop in
de dikke laag gehakte beeten, en, met een wrong der lendenen, begeleid
door een stoot der rechterknie, hieven zij uit de laag een overstroomend
schopvol op, keerden het om. En regelmatig, met een vlugge,
gelijkmatige, gekadanseerde beweging, gingen zij zoo voort, tot aan het
uiteinde der droogplaats.
Dit was zooveel zij konden. Naarmate zij hijgend, stikkend, druipend van
het zweet aan den achterwand kwamen, vlogen zij naar het open venster in
den gevel, staken woest het hoofd buiten, slorpten gulzig, onstuimig,
een slok koude, verkwikkende lucht in. Zij toefden daar een oogenblik,
de oogen uitgezet, 't gelaat vuurrood, hun mond, hun haar, hun
kleederen, geheel hun lichaam dampend in de kille buitenlucht. Dan
duikelden zij in het dampbad terug, keerden, de breedte van hun schop,
waarvan zij, om hem sterker vast te houden, den steel met hun zakdoek
omwonden, een tweede laag om, geraakten uitgeput, met reutelenden adem,
aan het venster in den anderen gevel, smakten er opnieuw, met wilde
graagte, een slok versche, frissche lucht in.
Zoo gingen zij voort tot al de beeten van de droogplaats waren
omgekeerd. En naarmate zij zwoegden, zweetten, stikten zij steeds
vervaarlijker in den heeten, steeds dikkenden damp der omgewoelde
beeten. Weldra ontwaarden zij elkanders gestalte niet meer; de lantaren
aan den balk had den verdofden glans van een verre nevelster; zij zagen
enkel, bij elke heffing, onder hun stalen schop, dwars door de
ontbloote, doorzichtige tegels, de vreeselijke ovens laaien, beneden in
den kuil.
Zoo geraakten zij toch aan het einde van hun schrikkelijken Golgotha. De
voorman haakte de lantaren af, de anderen sloten deuren en vensters, en
éen voor éen stegen zij 't trapje af, doornat, dampend als kwamen zij
uit kokend water, het aangezicht stuiptrekkend, de oogen uitpuilend, met
open monden smakkend naar hun adem, als visschen die men uit het water
heeft gehaald. Zij daalden weer in den kuil, hun schop na zich slepend;
zij pookten, met lange ijzeren roeden, de vreeselijke vuren op en staken
die weer proppensvol met cokes. Dan deden zij hun drijvend goed uit en
trokken hun andere kleeren aan. En afgemat, uitgeput, vernield, zakten
zij, tusschen de zijbeuken, op stapels oude balen ter ruste.
Na elken arbeid op de droogplaats hadden zij recht op twintig minuten
rust. En, het moet gezegd, indien de arbeid onmenschelijk was, mijnheer
Stevens toch deed het mogelijke om hem hun te verzachten. Nooit, al
bleven zij ook langer dan den bepaalden tijd uitrusten, liet hij ze
vermanen. Maar ook zij maakten geen misbruik van zijn welwillendheid,
en, om half zeven, zoodra de stoommachiene--"de horzel" noemden zij
haar--begon te gonzen, klommen zij weer boven en begonnen er den
voorraad beeten voor den dag te hakken. Zij arbeidden aldus zonder
onderbreking tot acht ure. Dan stond de "horzel" voor een half uur stil
en zij gebruikten hun ontbijt. Na den eten, voor de tweede maal
arbeid--"zwemmen" zegden zij--op de droogplaats. Dan weer beeten
hakken tot tien uur, en zoo voort, om de twee uren, hakken en keeren,
heel den dag.
Toch verzachtte de arbeid naarmate de beeten droogden. De damp verdween,
de vuren werden verminderd, het droge goed woog lichter op de breede
schoppen. Weldra konden zij den steel vasthouden zonder er hun zakdoek
om te slingeren, en achtereenvolgens, twee, drie lagen omkeeren, zonder
smakkend naar de vensters te moeten loopen. Om zes uur 's avonds
eindelijk, werden de droge beeten afgeschept, en men goot de overdag
gehakte groene in de plaats, in dikke lagen.