Ach neen, vader had toch geen ongelijk. Het was alsof hij de intuïtie
had gevoeld, dat, ondanks al de hinderende omstandigheden, de
verwezelijking van zijn levens droom meer nabij was dan ooit: op een
zondagmorgen, juist den dag vóór den aanvang van het werkseizoen in de
fabriek van mijnheer Stevens, verscheen de meesterknecht van den rijken
nijveraar in Missiaen's huisje, met het bericht, dat mijnheer Stevens
nog een arbeider te kort had, en Miel, hun oudsten zoon, op de proef
wilde nemen.
Bij het aanhooren dezer onverwachte tijding was de vreugd der Missiaens
zóó scherp, zoo hevig, dat het eerst op verslagenheid leek. Vader werd
bleek van geluk en kon geen woord spreken; moeder, rood als een pioen,
gaf haar toestemming op een schorren, stuggen toon, als werd zij van
ontsteltenis den adem afgesneden. Miel had juist den leeftijd van
achttien jaren bereikt; hij was reeds groot en sterk, vader zou hem in
enkele dagen tijds het werk leeren, er zou een inkomst zijn van vier
frank daags in plaats van twee, moeder zou zuiniger wezen dan ooit, de
meisjes zouden speldenwerken tot tien uur 's avonds in plaats van tot
negen, en met Kerstdag, als het God beliefde, zou men geld genoeg
bezitten om het zwijntje te koopen. O ja, men zou genoeg hebben; men
wilde, men moest genoeg hebben! En men zou allen samen het zwijntje gaan
koopen, den derden Kerstdag, op het feest van Lauwegem.
Dien avond, allen rond het vuur gezeten, spraken zij met zachte
geestdrift over hun geluk. Een streelende zoetheid blonk in vaders
oogen, hij scheen verjongd, zijn haast verwezenlijkte droom had aan de
uitdrukking van zijn gelaat den stil-geresigneerd-melancholieken zweem
ontnomen, dien de onwaarschijnlijkheid van dat geluk er tot nog toe zoo
vaak op neerdrukte. En de oogen van Miel waren glinsterend, terwijl het
aangezicht der twee mooie, blonde meisjes zich in 't schijnsel van het
lampje als met een stralenkrans omhulde. Moeder, steeds vuurrood en
barsch van uiterlijk, en als het ware meer en meer wantrouwig, naarmate
het zoo dikwijls haast bezetene en telkens weer ontsnappende geluk nader
in haar bereik kwam, zat sprakeloos staroogend met haar voeten op den
aschbak van de kachel, en Jan en Irma, de twee jongsten, bleven op tot
na tien ure, stoeiend en spelend met Frans, die hen soms stil deed
houden, aandachtig luisterend naar het gesprek der grooteren, een zweem
van spijt op het gelaat, omdat hijzelf nog te jong was om mede te gaan
arbeiden in de groote beetendrogerij van mijnheer Stevens.